1/25
Deze flashcards behandelen de vocabulaire over wonen, landbouwbedrijven, woningtypen door de jaren heen, verstedelijking van het platteland, hydrografie en de verschillende soorten valleien op basis van de lesnotities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Landelijk gebied (platteland)
Een gebied waar de natuurlijke elementen primeren.
Tweedelige boerderij
Een boerderij die bestaat uit twee delen: de woning en de stal.
Driedelige boerderij
Een boerderij die bestaat uit drie delen: de woning, de stal en de schuur.
Vierkante boerderij
Een boerderij waarbij de woning, stallen en schuren rond een vierkant binnenplein zijn gebouwd, vaak voorkomend in graanregio's.
Traditionele woning (voor 1850)
Woning gebouwd met lokale materialen en artisanale architectuur, vaak met een bescheiden volume en kleine, verticale ramen.
Industriële woning (1850-1950)
Woning gebouwd met industriële materialen zoals uniforme bakstenen, gekenmerkt door grotere volumes en grotere vensteropeningen.
Postindustriële woning (na 1950)
Woning gekenmerkt door een grote diversiteit in stijlen en materialen (hout, metaal), veel vensteropeningen, Velux-ramen en een garage of parking.
Verstedelijking (Urbanisation)
Het fenomeen waarbij een landschap elementen van zowel een dorp als een stad vertoont.
Rurbanisatie
De urbanisatie van het landelijk gebied door een verstedelijkingsontwikkeling.
Stadsvlucht
Het fenomeen waarbij mensen de stad verlaten voor een rustige, groene omgeving op het platteland, vaak vanwege vervuiling in de stad.
Gesloten landschap
Een landelijk milieu waarbij de velden begrensd zijn door hagen of bomen.
Openfield
Een landelijk milieu waarbij de velden niet begrensd zijn door hagen of bomen.
Verstedelijkt landschap
Een landelijk milieu met nieuwe gebouwen langs de wegen.
Bron
De plaats waar het water vanzelf uit de grond vloeit.
Monding
De plaats waar de rivier in de zee uitmondt.
Stroom
Een rivier die in de zee uitmondt en waarvan de bron in een andere land ligt (bijv. de Maas, IJzer of Schelde).
Bijrivier
Een kleine rivier die in een andere, grotere rivier uitmondt.
Samenvloeiing
De plaats waar twee rivieren samenkomen.
Bovenloop
Het smalle deel van de rivier nabij de bron met een sterke stroming.
Benedenloop
Het breedste deel van de rivier nabij de monding, waar het water traag vloeit en meanders vormt.
Dalwand
De helling of de zijde van een vallei.
Dalbodem
De bodem of de vloer van een vallei.
V-dal
Een dalvorm waarbij de dalwanden steil zijn en samenkomen in de dalbodem; komt veel voor in de Ardennen.
Boogdal
Een dalvorm waarbij de wanden van boven steil zijn maar naar de dalbodem toe zachter worden; veelvoorkomend in Midden-België.
Vlakbodemdal
Een dal met een duidelijk vlakke dalbodem; de Maas en de Schelde hebben deze vorm in Midden-België.
Vlakdal
Een bijzondere vorm van een vlakbodemdal met zeer zachte dalwanden, zoals de vallei van de IJzer.