HC 3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/225

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Kanker biologie 3, Hallmarks of cancer en metastasering

Last updated 1:59 PM on 10/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

226 Terms

1
New cards

Wat zijn de hallmarks of cancer?

Kenmerkende biologische eigenschappen die tumorcellen verwerven tijdens kankerontwikkeling.

2
New cards

Welke twee processen maken de verwerving van hallmarks mogelijk?

Genoominstabiliteit/mutatie en tumorpromoverende inflammatie.

3
New cards

Wat betekent de hallmark Sustaining proliferative signaling?

In stand houden van proliferatieve signalering.

4
New cards

Wat betekent de hallmark Evading growth suppressors?

Ontwijken van groeiremming.

5
New cards

Wat betekent de hallmark Avoiding immune destruction?

Ontwijken van immuundestructie.

6
New cards

Wat betekent de hallmark Enabling replicative immortality?

Replicatieve onsterfelijkheid.

7
New cards

Wat betekent de hallmark Tumor-promoting inflammation?

Tumorpromoverende ontsteking.

8
New cards

Wat betekent de hallmark Activating invasion and metastasis?

Activeren van invasie en metastase.

9
New cards

Wat betekent de hallmark Inducing angiogenesis?

Induceren van angiogenese.

10
New cards

Wat betekent de hallmark Genome instability and mutation?

Genoominstabiliteit en mutaties.

11
New cards

Wat betekent de hallmark Resisting cell death?

Weerstaan van celdood.

12
New cards

Wat betekent de hallmark Deregulating cellular energetics?

Ontregelen van de cellulaire energiehuishouding.

13
New cards

Wat is de belangrijkste klinische nadruk van HC3?

Invasie en metastasering bepalen in belangrijke mate de uitkomst van kanker.

14
New cards

Waarom kunnen normale somatische cellen niet onbeperkt delen?

Hun telomeren verkorten; uiteindelijk treedt replicatieve senescentie op.

15
New cards

Wat is replicatieve senescentie?

Blijvende proliferatiestop: de cel blijft metabool actief maar kan niet terugkeren in de celcyclus.

16
New cards

Waarvan hangt het aantal mogelijke celdelingen af?

Soort, weefseltype en leeftijd van het organisme.

17
New cards

Wat zijn telomeren?

Repetitieve DNA-sequenties aan chromosoomuiteinden die deze uiteinden beschermen.

18
New cards

Welke herhaalsequentie zit in humane telomeren?

TTAGGG.

19
New cards

Hoe lang zijn humane telomeren volgens de slides?

Ongeveer 5–15 kilobasen.

20
New cards

Waarom verkorten telomeren bij herhaalde celdeling?

De uiteinden van lineair DNA kunnen niet volledig worden gerepliceerd.

21
New cards

Wat is telomerase?

Een enzymcomplex dat telomerische DNA-herhalingen aan chromosoomuiteinden toevoegt.

22
New cards

Welke component van telomerase heeft reverse-transcriptaseactiviteit?

TERT.

23
New cards

Hoe is telomerase doorgaans actief in somatische cellen?

Meestal afwezig of zeer laag.

24
New cards

In welke cellen is telomerase relatief actief?

Onder andere embryonale stamcellen en veel kankercellen.

25
New cards

Wat gebeurt er na ernstige telomeerverkorting?

Senescentie of crisis met celdood/genoominstabiliteit.

26
New cards

Hoe omzeilen veel tumoren replicatieve senescentie?

Ze reactiveren telomerase/TERT en stabiliseren hun telomeren.

27
New cards

Wat is het gevolg van TERT-activatie in tumorcellen?

Stabielere telomeren en langdurig doorgaan met delen.

28
New cards

Waarom is telomerase een therapeutisch aangrijpingspunt?

Remming kan het delingsvermogen van tumorcellen beperken.

29
New cards

Wat illustreert de grafiek op HC3-slide 4?

Telomeren worden korter met delingen; na crisis kunnen kankercellen ze stabiliseren.

30
New cards

Wat is angiogenese?

Vorming van nieuwe bloedvaten uit bestaande vaten.

31
New cards

Waarom heeft een groeiende tumor angiogenese nodig?

Aanvoer van zuurstof/voedingsstoffen en afvoer van afvalproducten.

32
New cards

Wat begrenst de grootte van een tumor zonder angiogenese?

Diffusie van zuurstof en voedingsstoffen is onvoldoende in het tumorcentrum.

33
New cards

Wat betekent de angiogenic switch?

Omslag naar netto pro-angiogene signalering die vaatgroei op gang brengt.

34
New cards

Welke vier angiogenesepromotoren staan op de slides?

VEGF, PDGF, FGF en angiopoëtine.

35
New cards

Welke drie remmers van angiogenese staan op de slides?

Trombospondine, angiostatine en endostatine.

36
New cards

Welke groeifactor stimuleert vooral endotheelcellen?

VEGF.

37
New cards

Waarom kan angiogenese metastasering bevorderen?

Tumorcellen krijgen gemakkelijker toegang tot de bloedbaan.

38
New cards

Wat is de relatie tussen angiogenese en tumorprogressie?

Nieuwe vaten maken verdere groei en verspreiding mogelijk.

39
New cards

Welke therapeutische strategie past bij deze hallmark?

Remmen van VEGF-signaaltransductie.

40
New cards

Wat betekent resisting cell death?

Kankercellen vermijden geprogrammeerde celdood ondanks schadelijke signalen.

41
New cards

Welke twee hoofdwegen voor apoptose zijn er?

Intrinsieke (mitochondriale) en extrinsieke (death-receptor) route.

42
New cards

Wat triggert de intrinsieke apoptoseroute?

Bijvoorbeeld DNA-schade, straling, chemicaliën of cellulaire stress.

43
New cards

Welke tumorsuppressor stimuleert apoptose bij DNA-schade?

p53.

44
New cards

Welke eiwitten zijn pro-apoptotisch bij mitochondriën?

Onder andere BAX, BAK en BID.

45
New cards

Wat gebeurt er bij permeabilisatie van mitochondriën?

Cytochroom c komt vrij in het cytoplasma.

46
New cards

Welk eiwit vormt met cytochroom c een apoptosoom?

APAF1.

47
New cards

Welke initiatorcaspase hoort bij de intrinsieke route?

Caspase 9.

48
New cards

Welke initiatorcaspase hoort bij de extrinsieke route?

Caspase 8.

49
New cards

Welk voorbeeld van extrinsieke apoptosesignalering staat op de slide?

Fas-ligand bindt Fas/CD95 op de cel.

50
New cards

Wat is het death-inducing signaling complex (DISC)?

Receptor-geassocieerd complex dat na doodssignalen caspase 8 activeert.

51
New cards

Welke caspase voert apoptose stroomafwaarts uit?

Onder andere caspase 3.

52
New cards

Wat doen BCL-2, BCL-XL en MCL-1?

Ze remmen mitochondriale apoptose.

53
New cards

Hoe kan verlies van p53 apoptose blokkeren?

Pro-apoptotische genexpressie na DNA-schade neemt af.

54
New cards

Hoe verhindert overexpressie van BCL-2 apoptose?

Ze belemmert mitochondriale vrijgave van cytochroom c.

55
New cards

Hoe kan een defect in APAF1 apoptose verhinderen?

Apoptosoomvorming en activatie van caspase 9 raken verstoord.

56
New cards

Wat is het effect van verhoogde apoptoseremmers?

Caspaseactivatie en dus apoptose worden tegengewerkt.

57
New cards

Hoe kan een defect aan de extrinsieke route tumoroverleving vergroten?

Verlies van Fas/DISC-signalen voorkomt activatie van caspase 8.

58
New cards

Wat is een mogelijk antikankerdoelwit in de apoptoseroute?

Pro-apoptotische BH3-mimetica.

59
New cards

Wat is het Warburgeffect?

Tumorcellen zetten veel glucose via glycolyse om in lactaat, ook bij zuurstofaanbod.

60
New cards

Wat gebeurt er met glucose tijdens glycolyse?

Het wordt omgezet naar pyruvaat.

61
New cards

Welke route levert in normaal gedifferentieerd weefsel veel ATP?

Mitochondriale oxidatieve fosforylering.

62
New cards

Waarin zetten veel tumorcellen pyruvaat bij voorkeur om?

Lactaat.

63
New cards

Hoeveel pyruvaat gaat in het schema ongeveer richting lactaat?

Circa 85% bij tumor-/prolifererend weefsel.

64
New cards

Hoeveel stroomt volgens het schema naar oxidatieve fosforylering?

Circa 5% in tumor-/prolifererend weefsel.

65
New cards

Waarvoor wordt circa 10% van de glucose-intermediairen gebruikt?

Bouwstenen voor biosynthese en snelle celgroei.

66
New cards

Waarom is glycolyse nuttig voor snel delende tumorcellen?

Levert metabolieten voor opbouw van DNA, eiwitten en lipiden.

67
New cards

Hoe compenseren tumorcellen minder ATP per glucose?

Door verhoogde glucoseopname en verhoogde glycolysesnelheid.

68
New cards

Welke andere brandstof dan glucose kan tumorgroei ondersteunen?

Glutamine.

69
New cards

Welk metabool bijproduct kan angiogenese stimuleren?

Lactaat.

70
New cards

Welke scan maakt gebruik van verhoogde glucoseopname?

18F-FDG-PET.

71
New cards

Wat laat de PET-afbeelding op slide 13 zien?

Gebieden met verhoogde opname van de glucose-analoog FDG.

72
New cards

Waarom kan FDG-PET ook buiten tumoren aankleuren?

Ook normaal of ontstoken weefsel kan veel glucose gebruiken.

73
New cards

Welke antikankerstrategie is op deze hallmark gericht?

Remming van aerobe glycolyse.

74
New cards

Wat is metastasering?

Verspreiding van tumorcellen naar nieuwe locaties met vorming van secundaire tumoren.

75
New cards

Wie formuleerde de seed-and-soilhypothese?

Stephen Paget (1889).

76
New cards

Wat stelt de seed-and-soilhypothese?

Tumorcellen gedijen alleen in organen met een gunstige micro-omgeving.

77
New cards

Wat betekent seed in de seed-and-soilhypothese?

Verspreide tumorcel.

78
New cards

Wat betekent soil in de seed-and-soilhypothese?

Geschikt doelorgaan/micro-omgeving.

79
New cards

Wie wordt geassocieerd met de mechanische metastasetheorie?

James Ewing.

80
New cards

Wat stelt de mechanische theorie?

Circulatiepatronen en mechanische factoren bepalen mede welke organen metastasen krijgen.

81
New cards

Hoe verhouden seed-and-soil en mechanische theorie zich?

Beide dragen bij aan orgaanspecificiteit van metastasen.

82
New cards

Welke metastasevoorkeur kan prostaatkanker vertonen?

Vooral het skelet/botten.

83
New cards

Waarom ondersteunt orgaanvoorkeur de seed-and-soilhypothese?

Niet alle circulerende tumorcellen groeien in elk orgaan even goed.

84
New cards

Wie ontwikkelde een klassiek model voor het metastaseproces?

Isaiah Fidler.

85
New cards

Wat is de eerste stap in het Fidler-metastasemodel?

Progressieve groei van de primaire tumor.

86
New cards

Welke stap volgt op progressieve groei voor bloedvoorziening?

Vascularisatie/angiogenese.

87
New cards

Welke twee stappen gaan vaak vooraf aan binnendringen in vaten?

Invasie en loslating van tumorcellen.

88
New cards

Wat is intravasatie?

Binnendringen van tumorcellen in bloed- of lymfevaten.

89
New cards

Wat betekent embolisatie in metastasering?

Tumorcellen verplaatsen zich, soms in clusters, door de circulatie.

90
New cards

Waarom moeten tumorcellen in de bloedbaan weerstand bieden?

Ze ondervinden schuifkrachten en immuunafweer.

91
New cards

Wat betekent arrestatie van tumorcellen?

Vastlopen of aanhechten in vaten van een doelorgaan.

92
New cards

Wat is extravasatie?

Uittreden van tumorcellen uit een bloedvat naar omliggend weefsel.

93
New cards

Wat volgt na extravasatie voor een succesvolle metastase?

Ontsnappen aan afweer, koloniseren en doorgroeien.

94
New cards

Waarom is metastasering inefficiënt?

Slechts een zeer klein deel van de vrijgekomen tumorcellen vormt metastasen.

95
New cards

Kunnen verschillende klonen verschillende metastasestappen uitvoeren?

Ja; hun verschillende eigenschappen bepalen welke stappen ze kunnen doorlopen.

96
New cards

Waarom is kolonisatie van een nieuw orgaan lastig?

Tumorcellen moeten overleven in een andere micro-omgeving en opnieuw groeien.

97
New cards

Waardoor kunnen primaire tumor en metastasen genetisch verschillen?

Selectie en verdere mutaties in uiteenlopende tumorcelklonen.

98
New cards

Wat is tumorheterogeniteit?

Verschillen in genetische kenmerken, eiwitexpressie, uiterlijk of gedrag van tumorcellen.

99
New cards

Wat is intratumorale heterogeniteit?

Verschillen tussen cellen of klonen binnen één tumor.

100
New cards

Wat is intertumorale heterogeniteit?

Verschillen tussen afzonderlijke tumoren.