Kijken met andere ogen

0.0(0)
Studied by 2 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/158

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

159 Terms

1
New cards

Wetenschapsfilosofie

Behandelt de ontwikkeling van de wetenschap en de uiteenlopende denkbeelden die over haar taak, aard en methoden zijn geformuleerd.

2
New cards

Wat is goede wetenschap?

  • Gebaseerd op waarneembare feiten en gegevens uit de praktijk, niet op aannames of wensdenken.

  • Fouten of achterhaalde theorieën worden bijgesteld zodra er nieuw en beter bewijs beschrikbaar komt.

  • De theorieën bevatten wetten die relaties tussen meetbare grootheden specifiëren en dus in wiskundige vorm zijn geformuleerd.

  • Kunnen met behulp van wetenschappelijke theorie voorspellingen doen over nieuwe feiten.


3
New cards

Normatieve wetenschap

Hoe de werkelijk zou moeten zijn > waarom vragen

4
New cards

Descriptieve wetenschap

Hoe iets daadwerkelijk is > wat, waar, wanneer en hoe vragen

5
New cards

Bayesiaanse aanpak

Een methode waarbij je bestaande voorkennis (prior) combineert met nieuwe data en bewijs om tot een bijgestelde waarschijnlijkheid (postprior) te komen.

6
New cards

Aristotelisaanse wetenschapsbeeld

Alles in de natuur heeft een doel of eindbestemming, processen gebeuren niet toevallig maar om een bepaalde perfectie of eindtoestand te bereiken.

Bijvoorbeeld: een eikel groeit met als specifiek doel om een eikenboom te worden.

7
New cards

Wat zijn de drie soorten wetenschap (Aristoteles)

  • Theorie / episteme = eerste oorzaken en eeuwige dingen.

  • Praktijk / praxis = moreel handelen.

  • Productie / poesis = maken van specifieke en vergankelijke artefacten (ambachten).


8
New cards

Vier verklaringen (Aristoteles)

  • Materiële oorzaak = waarvan is het gemaakt.

  • Vormoorzaak = de vorm of het idee.

  • Bewerkingsoorzaak = wie is de maker.

  • Doeloorzaak = wat is het doel.


9
New cards

Vrije kunsten / artes liberale > praktisch

  • Grammatica = taalkunde

  • Dialectiva / logica = logisch rederneren.

  • Retorica = welsprekendheid

  • Aritmetica = rekenkunde

  • Geometrica = meetkunde

  • Musica = harmonieleer

  • astromonia = kosmologie


10
New cards

Mechanische kunsten / artes mechanica > ambachtelijke

  • Lanificium = wolbewerking en weven.

  •   Armatura = architectuur en bouwkunst > met als substroming schilderkunst.

  • Navigatio = scheepvaart, handel en transport.

  • Agricultura = landbouw, veeteelt en voedselproductie.

  • Venatio = jacht, visserij en voedselverwering uit de natuur.

  • Medicina = geneeskunde, farmacie en lichamelijke verzorging.

  • Theatrica = toneel, entertainment, sport en publieke spelen.


11
New cards

Vijf schone kunsten (renaissance)

  • Schilderkunst

  • Beeldhouwkunst

  • Architectuur

  • Muziek

  • Poëzie


12
New cards

Wat zijn de oorzaken van het systeem van de renaissance?

  • De erkenning van de kunstenaar als genie en denker.

  • Humanisme

  • Kunstacademies


13
New cards

Disegno

Het ontwerpen van een kunstwerk in je hoofd maar ook daadwerkelijk fysiek uitvoeren op papier.

14
New cards

Wat verandert er bij de wetenschappelijke revolutie?

Het Aristoteliaanse wetenschapsbeeld wordt afgewezen en er ontstaat een standaardwetenschapsbeeld waar eigen observaties belangrijker worden. Experimenten geven antwoorden en informatie wordt niet kwakeloos aangenomen.

15
New cards

Wat was de kerngedachte van het verlichtingsdenken van Immanuel Kant?

Mensen moesten durven te denken > denken zonder ervaring is leeg, maar ervaring zonder denken is blind.

16
New cards

Epistemolgie

Kennisleer

17
New cards

Wat is er nodig om tot kennis te komen?

  • Historisch = onderzoeker in lab, studeerkamer, natuurlijke objecten, boeken, instrumenten, etc.

  • Epistemologisch = wegdenken wat niet essentieel is om tot kennis te komen.


18
New cards

Wat blijft er tot kennis komen over?

  • Subject = de menselijke geest.

  • Object = de natuur / de gekende.

  • Voorbeeld = het object (de wereld buiten jou) heeft pas vorm voor jou zodra het door jou bakvorm (je hersenen) is gegaan. Je kunt de cake nooit als vierkant zien omdat je hersenen alleen de jouw gekozen bakvorm kan bakken.


19
New cards

Copericaanse revolutie

  • Vóór Kant = men dacht dat de wereld bepaalt wat het menselijk verstand ziet > de mens is passief.

  • Ná Kant = het menselijk verstand bepaalt hoe we de wereld zien > het mens is actief.


20
New cards

Esthetica

De filosofie van de kunst of de filosofie van het schone of van de zintuigelijke ervaring.

21
New cards

Internalistisch

Factoren die aan de discipline zelf intern blijven.

22
New cards

Externalistisch

Factoren die extern de kunstgeschiedenis die niet of slechts deels gerelateerd zijn aan de discipline.

23
New cards

Determinisme

Het filosofische idee dat alle gebeurtenissen in het universum oorzakelijk vastliggen en dat niets door toeval gebeurt.

24
New cards

Transcendentalisme

De filosofische stroming waarin men gelooft dat de diepste waarheid en zingeving wordt bereikt via intuïtie, zelfreflectie en een directe verbinding met de natuur, voorbij strenge regels van rede of georganiseerde.

25
New cards

Hegeliaans

De menselijke geest en zelfbewustzijn staat centraal.

26
New cards

Wat is het idee van de absolute geest?

De menselijke geest ontwikkelt zich tot een stadium van vrijheid. Het eindstadium van de menselijke ontwikkeling waarin de geest zichzelf en de hele werkelijkheid volledig begrijpt.

27
New cards

Subjectieve geest


De geest op het niveau van het individueel menselijk bewustzijn = je eigen gedachten, emoties en psyche (je ziel).

28
New cards

Objectieve geest

De geest die vorm krijgt in de buitenwereld en menselijke relaties = rechtssystemen, morele regels, gezinnen en de staat.

29
New cards

Absolute geest

De geest die boven het alledaagse uitstijgt en reflecteert op het grotere geheel = we begrijpen onze plek in de kosmos en geschiedenis

  • Kunst = zintuigelijk

  • Religie = voorstellende vorm

  • Filosofie = pure gedachte en hoogste stadium.


30
New cards

These

Reactie

31
New cards

Antithese

Tegenreactie

32
New cards

Synthese

De oplossing

33
New cards

Wat was de kritiek op de absolute geest

  • Te specultatief

  • Te abstract

  • Te autonoom

  • Eurocentrisch


34
New cards

Hegels kunstvormen: Symbolische kunst

  • Oosten en oude Egypte

  • De vorm overweldigd de inhoud, het idee is nog te duister en zoekt tevergeefs naar de juiste uitdrukking.

  • Hoogtepunt in de architectuur.


35
New cards

Hegels kunstvormen: Antieke kunst

  • Griekenland.

  • perfect evenwicht tussen inhoud en vorm.

  • Griekse godenbeelden tonen de geest in een ideale menselijke gedaante waarin vorm en idee samenvallen.

  • Hoogtepunt in beeldhouwkunst


36
New cards

Hegels kunstvormen: Romantische kunst

  • Christelijke moderne wereld

  • Inhoud overweldigd de vorm > innerlijke geest (het diepe gevoelsleven dat zintuigelijk er te kort voor schiet).

  • Hoogtepunt in schilderkunst, muziek en dichtkunst.


37
New cards

Wat heeft Hegel overgenomen van Winckelmann?

  • Goddelijke waardigheid = het goddelijke in een kunstwerk kunnen zien. Je kan het zien als een vorm van esthiek. Kunst is een uitdrukking van iets hogers.

  • Historisch collectivisme = belangen van de gemeenschap of de staat weegt zwaarder dan het individu (of de kunstenaar). Het werk is niet een reflectie van een kunstenaar, maar dat het volk of tijd.

  • Historisch determinisme = het filosofische idee dat het verloop van de menselijke geschiedenis vastligt en een voorspelbare koers volgt. Het doel van de absolute geest wil ontwikkeling voor zichzelf. Er zit een interne logica in de ontwikkeling die te begrijpen is in de kunstgeschiedenis.

    • Hegel keek niet naar het verleden maar enkel naar de toekomst > als een stroming niet goed genoeg was voor de absolute geest moest de stroming afgesloten worden.


38
New cards

Hermeneutiek

De filosofische leer en wetenschap van het interpreteren en begrijpen van teksten, kunst en menselijke cultuur (gedrag).

  • Begrijpen en betekenis zoeken.


39
New cards

Hermeneutische cirkel

Het begrijpen van kennis gaat niet van startpunt naar eindpunt, het is een constant proces.

40
New cards

Hermeneutisch probleem

De vraag hoe je een tekst, kunstwerk of cultuuruiting goed kunt begrijpen en uitleggen. Dit doe je terwijl je zelf altijd naar die tekst, kunstwerk of object kijkt vanuit je eigen cultuur en persoonlijke achtergrond.

41
New cards

Wat is het hermeneutische probleem binnen de kunstgeschiedenis?

Kunst is fundamenteel en tijdsgebonden en wordt onder bepaalde omstandigheden gemaakt. De kunsthistorici leeft in een andere tijd en moet kunst in een andere context of conditie interpreteren.

42
New cards

Manier

De individuele manier waarop een kunstenaar de vorm behandeld.

43
New cards

Stijl

Wijze van uitdrukken in bouw en (schilder)techniek, geheel van vormen die kenmerkend zijn voor een bepaalde school, kunstenaar of tijdperk.

44
New cards

Waarom is connaisseurschap en formalisme tegen Hegel?

  • Waren niet geïnteresseerd in het verbinden van kunst met cultuur waarin het is geproduceerd, ook niet in het verklaren van veranderingen in de kunstgeschiedenis.

  • Waren niet geïnteresseerd in de absolute geest omdat ze het individu als iets bijzonders zagen en het een belangrijke rol in de kunstgeschiedenis had.


45
New cards

Connaisseurschap

De gave om kunstwerken waar te nemen, te ordenen en te beoordelen, ook vervalsingen van de authentieke werken. Ze zoeken geen context achter de werken.

46
New cards

Wat doen connaisseurs?

Toeschrijven = attributie / toeschrijving van een oeuvre aan een kunstenaar, werkplaats of meester.

Opbrengst = waardebepaling en catalogue raisonné (catalogus van een geheel oeuvre).

47
New cards

Morelliaanse methode

Kijken naar onbelangrijke details, zoals handen, oren, neuzen, om een meester te achterhalen. Dit is bedacht door de Italiaanse intellectueel en politicus Giovanni Morelli.

<p>Kijken naar onbelangrijke details, zoals handen, oren, neuzen, om een meester te achterhalen. Dit is bedacht door de Italiaanse intellectueel en politicus Giovanni Morelli.</p>
48
New cards

Bernard Berenson

  • Streefde hoge maten van systematiek na, ordening op basis van formele gronden en los van historische bronnen.

  • Had toeschrijving als hoogst doel > deed wel aan fraude.


49
New cards

Karl Friederich van Rhumohr

Wilde dat manier en stijl van elkaar gescheiden bleven:

  • Manier = de individuele manier waarop een kunstenaar de vorm behandeld.

  • Stijl = de realisatie van de kunstenaar hun unieke visuele intuïtie.


50
New cards

Wat was de kritiek op connaisseurschap?


  • Oppervlakkig formalistisch onderzoek gebaseerd op smaakt en individueel onderwerp zonder dat er wetenschappelijk bewijs is dat het werk tot iets behoorden.

  • Te grote nadruk op individualiteit.


51
New cards

Formalisme

Stijl en technische kant staat centraal, de visuele eigenschappen (vorm) is belangrijker dan de inhoud, betekenis of doel.

52
New cards

Wat is er Hegeliaans aan formalisme?

Net als bij Hegel kunnen we de tijdsgebondenheid en veranderlijkheid van kunst verklaren.

53
New cards

Waarom gaat formalisme voorbij Hegel en connaisseurschap?

Formalisme is meer geïnteresseerd in de stilistische eigenschappen van kunst en in stijl, niet in individualisme.

54
New cards

Heinrich Wöfflin

Kunst moet beschreven en begrepen worden op basis van de visuele vorm (lijn, compositie en licht). Iedere stilistische periode had zijn eigen waarde, er waren andere doelen met een stijl dus je kan niet negatief spreken over een hele stroming.

55
New cards

Wat is stijl voor Wöfllin?

  • Naast individuele stijl bestaat er ook een stijl van een school, natie, volk of tijdperk.

  • Stijl is de uitdrukking van iets anders:

    • Temperament = de manier van zijn.

    • Melancholisch = de emotionele huishouding die iemand heeft.


56
New cards

Stijl van de rennaissance (Wöfflin)

  • Lineair

  • Vlak

  • Gesloten > inkadering

  • Diversiteit / veelheid

  • Helderheid / absolute > optische effecten


57
New cards

Stijl van de barok (Wöfflin)

  • Losse lijnen

  • Diepte

  • Open > inkadering

  • Uniformiteit / eenheid

  • Relatieve helderheid / diffuus > tonen van kleur


58
New cards

Alois Riegl

  • Kunsthistorische ontwikkeling als verandering in manieren van vormgeven.

  • Gaf aandacht voor ornament, oppervlak, ruimte en perceptie > de toeschouwer had een belangrijke rol want die neemt je mee.


59
New cards

Kunstwollen (wille van kunst)

De innerlijke artistieke ‘wil’ of drang van een specifieke cultuur of tijdperk die bepaalt hoe hun kunst eruit ziet.

Voorbeeld: Kunstenaars waren niet hun technische vaardigheid kwijtgeraakt maar de kunstwollen was veranderd en zo ook hun tijdsgeest > het is actief.


60
New cards

Haptisch (Riegl)

Gericht op het tastbare en platte. Objecten worden strikt op zichzelf bekeken met duidelijke contouren en vlakken.

61
New cards

Optisch (Riegl)

Gericht op het oog, diepte, sfeer en de ruimte tussen objecten. De menselijke waarneming in de kunstgeschiedenis veranderd.

62
New cards

Ondergeschriktheid / subordination

Bepaalde mensen zijn belangrijker dan andere die zijn afgebeeld.

63
New cards

Interne eenheid / internal unity

De voorstelling en afgebeelde figuren vormen een eenheid in een portret.

64
New cards

Externe eenheid / external unity

Er is een eenheid tussen de afgebeelde en de toeschouwer (Iemand kijkt je aan).

65
New cards

Wat was de kritiek op het formalisme?

  • Materiaal is maar een hulpmiddel = een schilder schildert omdat hij een idee in zijn hoofd heeft, niet omdat hij verf heeft.

  • De mens bepaald de kunst, niet de vorm.

  • Kunst veranderd omdat de menselijke cultuur, de ziel en de smaak veranderd (kunstwollen).

  • Formalisme vergeet de menselijke creativiteit en de vrije wil.


66
New cards

Iconografie / iconologie

Betekenissen in de kunst om een diepere betekenis aan het werk te geven.

67
New cards

Pre-iconografische beschrijving

  • Op te delen in feitelijke of expressieve betekenissen.

  • Het identificeren van primaire vormen en de representatie van natuurlijke objecten zoals mensen, dieren, etc.

  • Soms hulp nodig van een expert of boek.


68
New cards

Iconografische beschrijving / analyse

  • Verbintenis van artistieke motieven en combinaties van pre-iconografische beschrijven met thema’s en concepten.

  • Kennis van voorstellingen, onderwerpen en literaire bronnen is nodig.

  • Niet alle voorwerpen zijn hetzelfde voor iedereen.


69
New cards

Iconologische beschrijving

  • Vastellen van de diepere betekenis die abstracter en dieper kan liggen dan bij een iconografische betekenis.

  • Verdiepende fase voor een diepere historische culturele betekenis > kijken naar de bredere betekenis van het kunstwerk in de context van zijn tijd.

  • Iconografische weergave is niet altijd correct > beeldtradities veranderen door de jaren heen.


70
New cards

Drie betekenisniveaus van Panofsky

  • Natuurlijk kennis = dingen die we al weten.

  • Conventionele kennis = welke conventies is een specifieke cultuur en wordt uitgedrukt door specifieke vormen, lijnen en wat betekent het voor de natuur.

  • Intrinsieke betekenis = wat zegt het over iemands aard of essentie als iemand op een bepaalde manier is afgebeeld. Dingen die er normaal uitzien kunnen een diepere betekeni hebben dan wat op het eerste oog lijkt.


71
New cards

Neokantianisme

Teruggrijpen op het verlichtingsdenken van Kant. Panofsky neemt over dat lineair perspectief bepaalt hoe wij de wereld zijn en deel is van de vorm.

72
New cards

Waarin grijpt iconografie terug op Hegel?

  • Het idee dat kunst een vorm van kennis is en daarom moet worden verbonden met andere intellectuele activiteiten.

  • Centraal staat de relatie tussen geest (subject) en wereld (object).

  • Gelooft niet in de absolute geest > wel hoe de menselijke geest de wereld heeft voorgesteld op verschillende manieren.


73
New cards

Wat deed Eddy de Jongh?

  • Toepassen van iconografie op Nederlandse genrekunst uit de zeventiende eeuw.

  • Legde het verband tussen de Nederlandse genrekunst en embleemboeken.

  • Probeerde te achterhalen of er een diepere betekenis verbonden was aan de genrekunst dan eerst werd gedacht.


74
New cards

Embleem

  • Motto

  • Afbeelding / kleine voorstelling

  • Korte uitleg eronder.


<ul><li><p>Motto</p></li><li><p>Afbeelding / kleine voorstelling</p></li><li><p>Korte uitleg eronder.</p></li></ul><p></p>
75
New cards

Marxisme

Kunst vanuit de economische en sociale verhoudingen van de samenleving in plaats van abstracte ideeën.

76
New cards

Waar had Karl Marx invloed op?

  • Communisme

  • Arbeidersbeweging

  • Sociologie

  • Geesteswetenschappen

  • Kunstgeschiedenis


77
New cards

Meester-slaaf dialectiek

Twee onafhankelijke geesten zien elkaar als rivalen en als beperkingen tot hun macht over al het andere > er ontstaat een strijd.

78
New cards

A. Meester

  • Onderwerpt de andere > slaaf.

  • Krijgt hiermee het bewustzijn want de slaaf rekent hem als bewustzijn > these (reactie).


79
New cards

B. Slaaf

  • Werkt en verandert daarmee de natuurlijke wereld en realiseert zichzelf.

  • Zelfbewustzijn en meester wordt afhankelijk van de slaaf > antithese (tegenreactie)


80
New cards

C. Uitkomst

  • Bevrijding van de slaaf en oplossing van initiële conflict > synthese (oplossing)


81
New cards

Materialisme

Niet het bewustzijn of ideeën bepalen de materiële wereld, maar de economische en materiële omstandigheden.

82
New cards

Dialectiek

De geschiedenis beweegt zich voort door interen tegenstellingen > bijvoorbeeld klassenstrijd.

83
New cards

Historisch materialisme

De toepassing van dit op menselijke geschiedenis en waarbij economische productiewijzen de motor zijn van maatschappelijke veranderingen.

84
New cards

Dialectisch idealisme

De wereld en geschiedenis zijn de uitkomst van een onderliggend idee of redelijkheid, materialisme is er een weerspiegeling van.

85
New cards

Homo faber

De mens als maker / arbeider.

86
New cards

Productieverhoudingen

De mens produceert zijn eigen middelen om te overleven in het produceren van middelen, deze gaan zich niet verhouden met elkaar.

87
New cards

Wat is de essentie van de dialectiek van Marx?

De geschiedenis van de mensheid is beschreven in concrete, historische termen van materiële stadia van productieverhoudingen.

De bovenbouw (Hegels geest) volgt de onderbouw (productievermogen).

88
New cards

Onderbouw (structure)

  • Zijn economische verhoudingen > de economie.

  • Productiekrachten = grondstoffen, arbeiderskrachten en technische hulpmiddelen.

  • Productieverhoudingen = eigendomsverhoudingen en arbeidsindeling.


89
New cards

Bovenbouw (superstructure)

  • Juridische instituties = moraliteit, kunst, religie, filosofie en ideologie (de geest bij Hegel).

  • Komt voort uit de onderbouw en gaat kijken naar hoe dingen tot stand zijn gekomen.

  • Bovenbouw is de cultuur en ideeën en kan enkel en alleen bestaan dóór de onderbouw omdat deze hen fundeert.


90
New cards

Economisch determinisme

De economie bepaalt de ideeën in plaats van ideeën bepalen de economie.

91
New cards

Feodalisme

Ander woord voor leenstelsel > was kapitalistisch en het einddoel was communisme.

92
New cards

Vervreemding (kapitalisme)

Door arbeidersindeling en het verkopen van het vermogen van arbeiders om te produceren als product, wordt de arbeider zelf een product.

93
New cards

Vier aspecten van vervreemding in het kapitalisme

  • Het product = de arbeider is niet de eigenaar van het product wat hun maken.

  • Het zelf = als onderdeel van de grote fabriek realiseert de arbeider zichzelf niet in het werk wat hun doen.

  • De menselijke natuur = hun zijn vervreemd van de natuur en gaat over zelfrealisatie door arbeid > dit kan niet in de kapitalistische samenleving.

  • De medemens = de andere productiearbeiders zijn concurrenten die eigenlijk naast hem dezelfde doelen moeten hebben.


94
New cards

Marxisme toepassen in de kunstgeschiedenis

Houdt in dat de kunst niet wordt gezien als een opzichzelfstaand esthetisch object, maar als een direct product van de sociaaleconomische omstandigheden waarin het is gemaakt.

Voorbeeld: het wordt meer de vraag, wie kon dit bepalen en waarom hangt het hier, in plaats van wat het werk betekent.

95
New cards

Sociale kunstgeschiedenis

In plaats van alleen te kijken naar de stijl of het genie van de kunstenaar wordt er onderzocht wat de rol van de maker, opdrachtgever, markt en ontvanger was.

96
New cards

Proces (Montias)

Een proces wat vernieuwend is voor de huidige productie.

97
New cards

Product (Montias)

Een product wat vernieuwend is voor de huidige markt.

Voorbeeld: hoe verhoudingen in ateliers of nieuwe stijlen zijn veranderd door de jaren heen.

98
New cards

Wat was de mening van Montias?

Kunstwerken van innoverende kunstenaars zouden in inventarissen meer te zien moeten zijn dan hun maniëristische voorgangers.

99
New cards

Semiotiek

Een methode die een andere positie aanneemt in de vraag naar betekenis en hoe is het dat als we naar een werk kijken wij er een betekenis aan kunnen koppelen.

100
New cards

Tekens / signe

De context van de betekenis is opgebouwd uit tekens en hoe deze een systeem vormen.