1/25
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Variabele
Eigenschap of kenmerk dat verschillende waarden of niveaus kan aannemen (bijv. reactietijd, sekse).
Waarde / Niveau (Level)
De specifieke opties of categorieën die een variabele kan hebben (bijv. man/vrouw of 0.0‰ / 0.5‰).
Constante
Eigenschap die in een specifiek onderzoek slechts één vaste waarde heeft voor iedereen (bijv. nationaliteit als iedereen Nederlander is).
Gemeten variabele
Variabele die wordt vastgesteld door observatie, vragenlijsten of apparatuur zonder dat de onderzoeker ingrijpt (bijv. IQ, hartslag).
Gemanipuleerde variabele
Variabele die de onderzoeker bewust controleert en aanpast/toewijst aan proefpersonen (bijv. dosis medicijn vs. placebo).
Construct (Conceptuele variabele)
Een niet rechtstreeks observeerbaar theoretisch begrip (bijv. intelligentie, stress, agressie).
Operationele definitie (Operationalisatie)
De specifieke meet of manipulatieprocedure waarmee een onzichtbaar construct meetbaar/observeerbaar wordt gemaakt.
Claim
Een bewering of argument dat een onderzoeker of journalist maakt op basis van data of theorie.
Frequentieclaim
Bewering over de frequentie, het percentage of het niveau van één enkele gemeten variabele (bijv. "13.2% rijdt onder invloed").
Associatieclaim
Bewering dat twee gemeten variabelen met elkaar samenhangen/correlereen, zonder te stellen dat de een de ander veroorzaakt (bijv. "koffie drinken hangt samen met minder depressie").
Causale claim
Bewering dat verandering in de ene variabele rechtstreeks de verandering in de andere variabele veroorzaakt (bijv. "alcohol vermindert de rijprestatie").
Correlatiecoëfficiënt (r)
Een getal tussen 1.0 en +1.0 van Pearson dat de richting en sterkte van een lineair verband tussen twee variabelen uitdrukt.
Scatterplot (Puntenwolk)
Een grafiek waarin elk puntje de scores van één proefpersoon op twee variabelen tegelijk weergeeft.
Positieve associatie
Verband waarbij hoge scores op X samengaan met hoge scores op Y, en lage scores met lage scores (r tussen 0 en +1).
Negatieve associatie (Omgekeerd verband)
Verband waarbij hoge scores op X samengaan met lage scores op Y, en andersom (r tussen _1 en 0).
Nulcorrelatie
Het afwezig zijn van een lineair verband tussen twee variabelen (r ≈ 0).
Covariantie (Criteria voor causaliteit 1)
De twee variabelen moeten aantoonbaar met elkaar samenhangen.
Temporele precedentie (Criteria voor causaliteit 2)
De oorzaak (variabele A) moet in de tijd aantoonbaar voorafgaan aan het gevolg (variabele B).
Uitsluiting van derde variabelen (Criteria voor causaliteit 3)
Er mogen geen alternatieve verklaringen (variabele C) zijn voor het verband tussen A en B.
Richtingsprobleem (Directionality problem)
Het onvermogen om bij een correlatie te bepalen welke variabele eerst kwam (veroorzaakt X nou Y, of Y nou X?).
Derde variabeleprobleem (Third variable problem)
Het gevaar dat een niet gemeten variabele (Z) de werkelijke oorzaak is van het verband tussen X en Y.
Spurieuze correlatie (Schijnverband)
Een statistische samenhang tussen twee variabelen die volledig wordt veroorzaakt door een externe derde variabele.
Onafhankelijke variabele (IV)
De gemanipuleerde variabele in een experiment (de veronderstelde oorzaak).
Afhankelijke variabele (DV)
De gemeten uitkomstvariabele in een experiment (het veronderstelde effect).
Storende variabele (Extraneous variable)
Elke variabele buiten de IV die invloed zou kunnen hebben op de afhankelijke variabele.
Confounding (Confounder)
Een storende variabele die ongewenst meevarieert met de onafhankelijke variabele, waardoor het experiment niet meer valide is