09 Chemie (F&N I, F&N II, F&UV I) · oefentoets

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/29

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

30 Terms

1
New cards
Calcium (Ca) heeft atoomnummer 20. Hoeveel protonen, neutronen en elektronen heeft een atoom Ca-42? A) 20 protonen, 22 neutronen, 20 elektronen B) 20 protonen, 42 neutronen, 20 elektronen C) 22 protonen, 20 neutronen, 22 elektronen D) 20 protonen, 22 neutronen, 22 elektronen
Antwoord: A · Het atoomnummer geeft 20 protonen en in een neutraal atoom dus ook 20 elektronen. Neutronen = massagetal − protonen = 42 − 20 = 22.
2
New cards
Thallium (Tl) heeft atoomnummer 81. Waarin verschilt een Tl+ ion van een Tl3+ ion? A) Een Tl+ ion heeft twee protonen minder dan een Tl3+ ion B) Een Tl+ ion heeft twee elektronen minder dan een Tl3+ ion C) Een Tl+ ion heeft twee elektronen meer dan een Tl3+ ion D) Een Tl+ ion heeft twee neutronen meer dan een Tl3+ ion
Antwoord: C · Beide ionen hebben 81 protonen; Tl+ heeft 80 elektronen en Tl3+ heeft 78. Bij ionvorming verandert alleen het aantal elektronen.
3
New cards
Glucose en fructose hebben allebei de molecuulformule C6H12O6. Welke uitspraak is juist? A) Het zijn isotopen; glucose heeft een ketogroep en fructose een aldehydegroep B) Het zijn isomeren; glucose heeft een aldehydegroep en fructose een ketogroep C) Het zijn isomeren; beide hebben een carboxylgroep maar op een andere plaats D) Het is dezelfde stof met twee triviale namen
Antwoord: B · Dezelfde molecuulformule met een andere structuurformule heet isomerie. Glucose heeft een C=O aan een primair C (aldehyde), fructose een C=O aan een secundair C (keto).
4
New cards
Wat is de systematische naam van CH3–CH(CH3)–CH2–CH3? A) 1,1-dimethylpropaan B) 2-ethylpropaan C) 3-methylbutaan D) 2-methylbutaan
Antwoord: D · De langste keten telt 4 C-atomen (butaan), met één methylgroep. Zo laag mogelijk nummeren geeft positie 2: 2-methylbutaan.
5
New cards
Welke binding blijft bestaan bij de faseovergang O2(l) → O2(g)? A) De atoombinding B) De VanderWaalsbinding C) De waterstofbrug D) De ionbinding
Antwoord: A · Bij verdampen gaan de moleculen los van elkaar, dus breekt de VanderWaalsbinding tussen de moleculen. De atoombinding binnen het O2-molecuul blijft intact.
6
New cards
Methaan (CH4) en water (H2O) hebben allebei 10 elektronen en een vergelijkbare molmassa. Toch kookt methaan bij −162 °C en water bij 100 °C. Wat is de verklaring? A) Water heeft een veel grotere molecuulmassa B) Tussen watermoleculen zitten waterstofbruggen, tussen methaanmoleculen alleen een zwakke VanderWaalsbinding C) Water bestaat uit ionen die een ionbinding vormen D) Methaan heeft polaire atoombindingen en water niet
Antwoord: B · De O–H-binding is polair, waardoor watermoleculen sterke waterstofbruggen vormen. Die kosten veel energie om te verbreken, dus kookt water bij een hoge temperatuur.
7
New cards
Pentaan en 2,2-dimethylpropaan hebben beide de formule C5H12. Welke stof heeft het hoogste kookpunt en waarom? A) 2,2-dimethylpropaan, omdat het meer methylgroepen heeft B) Ze hebben hetzelfde kookpunt, omdat ze even zwaar zijn C) Pentaan, omdat het langwerpige molecuul meer contactoppervlak en dus een grotere VanderWaalskracht heeft D) Pentaan, omdat het waterstofbruggen kan vormen
Antwoord: C · Beide zijn even zwaar, maar het bolvormige dimethylpropaan heeft minder contactmogelijkheden. Pentaan heeft daardoor een sterkere VdW-binding en een hoger kookpunt.
8
New cards
Sacharose ontstaat uit één glucose- en één fructosemolecuul (beide C6H12O6) via een condensatiereactie. Wat is de molecuulformule van sacharose? A) C12H24O12 B) C12H20O10 C) C12H22O11 D) C11H22O11
Antwoord: C · 2 × C6H12O6 = C12H24O12. Bij de condensatie gaat er één H2O af, dus blijft C12H22O11 over.
9
New cards
Raffinose is een trisacharide van galactose, glucose en fructose (alle drie C6H12O6). Wat is de molecuulformule van raffinose? A) C18H36O18 B) C18H34O17 C) C18H30O15 D) C18H32O16
Antwoord: D · Drie monosachariden geven C18H36O18. Voor twee glycosidische bindingen gaan er twee H2O af: C18H32O16.
10
New cards
Ethanol reageert met butaanzuur (geur van ananas). Welke ester ontstaat er? A) Ethylbutanoaat B) Butylethanoaat C) Ethylethanoaat D) Butylbutanoaat
Antwoord: A · Alcohol + carbonzuur → ester + water. Het alcoholdeel geeft het eerste deel van de naam (ethyl-), het zuurdeel krijgt -oaat (butanoaat); vergelijk ethylethanoaat uit ethanol + ethaanzuur.
11
New cards
Hoe ontstaat een dipeptide uit twee aminozuren? A) De twee aminogroepen koppelen onder opname van water B) De carboxylgroep van het ene aminozuur reageert met de aminogroep van het andere, waarbij water wordt afgesplitst C) De twee zijgroepen vormen een ester door hydrolyse D) De carboxylgroepen van beide aminozuren vormen samen een glycosidische binding
Antwoord: B · Een peptidebinding ontstaat via een condensatiereactie tussen –COOH en –NH2, waarbij één H2O vrijkomt. Zo ontstaan ook tri- en polypeptiden.
12
New cards
Welk vetzuur hoort bij de notatie 18:3 n-3? A) Oliezuur B) Linolzuur C) Linoleenzuur D) Stearinezuur
Antwoord: C · 18 C-atomen, 3 dubbele bindingen, eerste dubbele binding op C3 vanaf de CH3-kant: linoleenzuur (omega-3). Linolzuur is 18:2 n-6, oliezuur 18:1 n-9 en stearinezuur 18:0.
13
New cards
Een fabrikant hydrogeneert plantaardige olie gedeeltelijk voor de productie van margarine. Wat is een gevolg hiervan? A) Het smeltpunt daalt en er ontstaan meer cis-bindingen B) Het smeltpunt stijgt, maar er kunnen transvetzuren ontstaan C) Het aantal dubbele bindingen neemt toe D) Er ontstaan geconjugeerde vetzuren zonder dubbele bindingen
Antwoord: B · Door H2 toe te voegen verdwijnen dubbele bindingen en wordt het vet vaster (hoger smeltpunt). Bij partieel hydrogeneren kunnen cis-bindingen omklappen naar trans; volledig hydrogeneren geeft geen transvet.
14
New cards
Een verstijfselde zetmeeloplossing wordt langzaam afgekoeld en er ontstaan witte klonters met uitgestoten water. Welk proces is dit en welke zetmeelcomponent speelt de hoofdrol? A) Gelering, door amylopectine B) Verstijfseling, door amylose C) Retrogradatie, door amylopectine D) Retrogradatie, door amylose
Antwoord: D · Bij langzaam afkoelen gaan de onvertakte amylosemoleculen naast elkaar liggen en vormen ze veel H-bruggen: retrogradatie, vrijwel onomkeerbaar. Snel afkoelen geeft een (omkeerbare) gel.
15
New cards
Welke combinatie bevat uitsluitend zwakke zuren? A) Zoutzuur, azijnzuur, citroenzuur B) Azijnzuur, citroenzuur, appelzuur C) Zwavelzuur, salpeterzuur, zoutzuur D) Appelzuur, zwavelzuur, oxaalzuur
Antwoord: B · Zwakke zuren zijn maar gedeeltelijk geïoniseerd in water, zoals azijnzuur, citroenzuur, appelzuur, oxaalzuur en fosforzuur. Zoutzuur, zwavelzuur en salpeterzuur zijn sterke zuren.
16
New cards
Welke stap van de autoxidatie van vet wordt weergegeven door ROO• + RH → ROOH + R•? A) Initiatie B) Propagatie C) Terminatie D) Hydrolyse
Antwoord: B · Een peroxyradicaal neemt een H weg bij een nieuw vetzuur. Daarbij ontstaan een hydroperoxide en een nieuw radicaal, dus de kettingreactie gaat door (propagatie).
17
New cards
Welk vetzuur is het gevoeligst voor oxidatie door luchtzuurstof? A) Stearinezuur (18:0) B) Oliezuur (18:1) C) Linolzuur (18:2) D) Linoleenzuur (18:3)
Antwoord: D · Hoe meer dubbele bindingen, hoe meer CH2-groepen tussen twee dubbele bindingen, waar het radicaal het makkelijkst ontstaat.
18
New cards
Een producent voegt EDTA toe aan een saus met plantaardige olie. Hoe remt EDTA de vetoxidatie? A) Als radicalenvanger die een H-atoom afstaat B) Als zuurstofvanger die O2 wegvangt C) Als complexvormer die metaalionen zoals Fe en Cu bindt D) Door het enzym lipase te remmen
Antwoord: C · EDTA (net als citroenzuur) bindt metaalionen, die de initiatie en de afbraak van hydroperoxiden versnellen. BHT en tocoferol zijn radicalenvangers; ascorbinezuur is een zuurstofvanger.
19
New cards
Welke stoffen veroorzaken de typische geur bij vetbederf door schimmels (ketonranzigheid), zoals in blauwe kaas? A) Aldehyden B) Methylketonen C) Glycerol en vrije vetzuren D) Transvetzuren
Antwoord: B · Schimmels vormen sterk geurende methylketonen. Aldehyden horen bij oxidatie door luchtzuurstof, en vrije vetzuren met glycerol bij hydrolyse.
20
New cards
Alanine heeft een IEP van 6,0. Hoe ziet alanine eruit bij pH = 2,0? A) Alleen de aminogroep is omgezet in NH3+ (de carboxylgroep blijft COOH) B) Alleen de carboxylgroep is omgezet in COO− C) De aminogroep is NH3+ én de carboxylgroep is COO− D) Geen van beide groepen is geladen
Antwoord: A · Ruim onder het IEP is er veel H+: de aminogroep neemt een proton op (NH3+) en de carboxylgroep blijft ongeladen (COOH), zodat het molecuul netto positief is. Beide groepen geladen (NH3+ en COO−) is de vorm rond het IEP. (aanvulling)
21
New cards
Wat is een belangrijk nadeel van het (gedeeltelijk) hydrogeneren van plantaardige olie? A) Het vet wordt juist gevoeliger voor ranzigheid B) Er ontstaan meer meervoudig onverzadigde vetzuren C) Er ontstaan transvetzuren die LDL verhogen en HDL verlagen D) Het vet wordt vloeibaarder en minder goed smeerbaar
Antwoord: C · Onder de extreme procesomstandigheden gaat cis over in trans. Transvetzuren zijn voor hart en vaten nog ongunstiger dan verzadigd vet. Minder ranzigheid en een stevigere consistentie zijn juist voordelen.
22
New cards
2,3-dichloorbutaan heeft twee asymmetrische C-atomen. Hoeveel stereo-isomeren heeft deze stof? A) 2 B) 3 C) 4 D) 8
Antwoord: B · Volgens 2^n zouden het er 4 zijn, maar één vorm heeft een inwendig spiegelvlak (de mesovorm), waardoor twee vormen gelijk zijn. Er zijn er dus 3.
23
New cards
Je meet een onbekende vloeistof in de polarimeter en ziet geen optische activiteit. Wat kan de verklaring zijn? A) De vloeistof is een racemisch mengsel B) De moleculen hebben geen asymmetrisch koolstofatoom C) De moleculen zijn de mesovorm met een inwendig spiegelvlak D) Alle bovengenoemde verklaringen zijn mogelijk
Antwoord: D · Geen draaiing kan komen door 50/50 links- en rechtsdraaiend (racemisch), door het ontbreken van een C*, of door een mesovorm.
24
New cards
Welk C-atoom bepaalt of glucose de D- of L-configuratie heeft? A) C1 B) C2 C) C4 D) C5
Antwoord: D · Je kijkt naar de C* met het hoogste nummer. Bij glucose is dat C5: OH naar rechts is D, naar links is L.
25
New cards
D-galactose verschilt van D-glucose alleen in de positie van de OH-groep op één C-atoom. Hoe heet D-galactose daarom? A) De C2-epimeer van D-glucose B) De C3-epimeer van D-glucose C) De C4-epimeer van D-glucose D) Het spiegelbeeld (L-vorm) van D-glucose
Antwoord: C · Galactose heeft de OH op C4 naar links. D-mannose is de C2-epimeer. Het spiegelbeeld (L-glucose) verschilt op alle C*'s.
26
New cards
Hoe ontstaat de ringstructuur van glucose (van aldoglucose naar cycloglucose)? A) De aldehyde op C1 reageert met de OH op C4, zodat een 5-ring ontstaat B) De aldehyde op C1 reageert met de OH op C5, zodat een 6-ring ontstaat C) De ketogroep op C2 reageert met de OH op C5, zodat een 5-ring ontstaat D) De ketogroep op C2 reageert met de OH op C6, zodat een 6-ring ontstaat
Antwoord: B · Bij glucose sluit C1 met de OH op C5 tot een 6-ring. Bij fructose reageert de keto-C2 met de OH op C5 tot een 5-ring.
27
New cards
Welke van deze suikers geeft géén Maillardreactie? A) Maltose B) Lactose C) Sacharose D) Cellobiose
Antwoord: C · In sacharose zijn C1 van glucose en C2 van fructose aan elkaar gebonden, zodat geen ring open kan. Sacharose is dus niet reducerend. Bij de andere drie kan de rechter ring openen bij C1.
28
New cards
Een fabrikant vergelijkt twee glucosestropen uit zetmeel: siroop P heeft DE 40 en siroop Q heeft DE 20. Welke uitspraak is juist? A) Siroop P is verder gehydrolyseerd en bevat meer reducerende suikers dan Q B) Siroop Q is verder gehydrolyseerd dan P C) Beide siropen bevatten evenveel reducerende suikers D) Siroop P bevat meer onafgebroken zetmeel dan Q
Antwoord: A · De DE geeft het percentage reducerende suikers aan (zetmeel 0, glucose 100). Hoe verder zetmeel is afgebroken, hoe hoger de DE.
29
New cards
Welk aminozuur is het gevoeligst voor de Maillardreactie, met een lagere eiwitkwaliteit van verhitte melkproducten als gevolg? A) Lysine B) Arginine C) Tryptofaan D) Histidine
Antwoord: A · Lysine is het meest reactief vanwege de vrije aminogroep in de zijketen. Sterilisatie of indampen kan tot 25% van het lysine onbeschikbaar maken.
30
New cards
Gegeven het vetzuur CH3–CH2–CH=CH–CH2–CH2–CH2–COOH. Wat zijn de ω- en de Δ-notatie? A) 8:1 ω3 en 8:1 Δ5 B) 8:1 ω5 en 8:1 Δ3 C) 8:1 ω3 en 8:1 Δ4 D) 8:2 ω3 en 8:2 Δ5
Antwoord: A · Vanaf de CH3-kant begint de dubbele binding bij C3 (ω3). Vanaf de COOH-kant (C1) begint die bij C5 (Δ5). Er is één dubbele binding op 8 C-atomen.