1/21
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bladgroen
Pigment dat energie uit licht kan opnemen en omzetten
Bladgroenkorrels
Bevatten bladgroen en enzymen waardoor fotosynthese kan plaatsvinden
Koolhydraten
Moleculen die zijn opgebouwd uit koolstof, waterstof en zuurstof en in de cel vooral een functie als bouwstof, brandstof en reservestof hebben
Sachariden
Moleculen die zijn opgebouwd uit koolstof, waterstof en zuurstof en in de cel vooral een functie als bouwstof, brandstof en reservestof hebben
Reservestof
Stof die kan dienen als brandstof, warmte-isolator en bouwstof
Monosachariden
Enkelvoudige suikers, bevatten vijf of zes C-atomen, bijvoorbeeld glucose, galactose en fructose
Disacharide
Verbinding van twee monosachariden, bijvoorbeeld maltose, lactose (melksuiker) en sacharose (riet- of bietsuiker)
Polysachariden
Verbindingen van vele monosachariden, bijvoorbeeld zetmeel, glycogeen en cellulose
Zetmeel
Polysacharide die in de bladgroenkorrels en zetmeelkorrels van plantaardige cellen wordt opgebouwd uit ongeveer zesduizend glucosemoleculen; reservestof
Glycogeen
Polysacharide die bij dieren in de lever en in spieren wordt gevormd; bestaat uit meer dan twintigduizend glucosemoleculen en is sterk vertakt; reservestof
Cellulose
Polysacharide die het hoofdbestanddeel is van de celwanden van planten; door de binding tussen de glucosemoleculen vormen enkele tientallen cellulosemoleculen samen een stevige structuur
Eiwitten
Ketens van enkele tientallen tot meer dan duizend aminozuren
Aminozuur
Centraal C-atoom met daaraan gebonden een aminogroep (NH2), een carboxygroep (COOH), een H-atoom en een restgroep (R) die typerend is voor het aminozuur
Primaire structuur
Niveau van ruimtelijke bouw van een eiwitmolecuul dat wordt bepaald door de typen aminozuren die erin voorkomen en de volgorde waarin deze aminozuren voorkomen
Secundaire structuur
De spiraalvorm (helix) van een eiwit die ontstaat doordat de meeste aminozuren bij hun binding een bepaalde hoek ten opzichte van elkaar maken
Tertiaire structuur
De specifieke vorm van een eiwit die ontstaat doordat de spiraalstructuur op een bepaalde manier wordt ‘opgevouwen’ door de vorming van waterstofbruggen en zwavelverbindingen
Quaternaire structuur
De manier waarop meerdere polypeptideketens samen één eiwit vormen; de uiteindelijke vorm is bepalend voor de functie van een eiwit
Vetten
Verbindingen met de elementen C, O en H; veel vetten zijn triglyceriden, die worden gevormd doordat drie vetzuurmoleculen zich binden aan een glycerolmolecuul
Glycerol
Verbinding van drie C-atomen waaraan drie OH-groepen zijn gebonden
Vetzuren
Bestaan uit lange ketens van CH2-groepen met aan het eind daarvan een carboxygroep (COOH)
Fosfolipiden
Bij fosfolipiden is één vetzuur van het triglyceride vervangen door een fosfaatgroep