Micro biology # 3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/48

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

49 Terms

1
New cards

Vrij leven

zelfstandig kunnen leven, zonder rechtstreeks afhankelijk te zijn van andere levende wezens

2
New cards

saprofyten

organismen die leven van dood organisch materiaal, ze zijn cruciaal voor de afbraak van alle afgestorven organismen

3
New cards

symbiose

samen leven van een organisme op of in het lichaam van een organisme van een andere soort

4
New cards

mutualisme

Een symbiose waarbij beide soorten voordeel hebben (+/+).
Voorbeeld: bij en bloem. De bij krijgt nectar, de bloem wordt bestoven. Ook korstmossen (schimmel + alg) en mycorrhiza (schimmel + plantenwortel).

5
New cards

commensalisme

Een symbiose waarbij één soort voordeel heeft en de andere geen voordeel én geen nadeel (+/0).
Voorbeeld: epifyten (zoals orchideeën) die op een boom groeien, of de zuigvis (remora) die meelift op een haai en meeëet met de resten.

6
New cards

bacteriele flora

De verzameling bacteriën die van nature op of in een gastheer leven (bv. darm, huid, mond), meestal in een symbiose met de gastheer.

7
New cards

oppertunische infectie

infecties veroorzaakt door micro organismen die geen ziekte veroorzaken bij gezonde personen, maar dat wel doen indien het immuunsysteen verzwakt is.

8
New cards

Parasitisme

Een symbiose waarbij één soort voordeel heeft (de parasiet) en de andere schade ondervindt (de gastheer) (+/−). In tegenstelling tot een roofdier doodt een parasiet zijn gastheer meestal niet snel, want hij leeft ervan.

9
New cards

pathogeen

micro-organismen dat ziektens kunnen veroorzaken

10
New cards

obligate pathogenen

ze zullen indien aanwezig in het lichaam ziektes veroorzaken

11
New cards

oppertunistische pathogenen

veroorzaken geen ziektens in normale gezonden mensen maar well in algemene of lokale verzwakking van de patient

12
New cards

besmetting

micro organismen die zijn binnen gedrongen in een andere levende wezens

13
New cards

infectie

het vermenigvuldiging van micro organismen in een levend organisme

14
New cards

infectieziekte

een shadelijke infectie

15
New cards

bron

de oorsprong of bron van de infectie

16
New cards

zoonose

een infectie bron (veroorzaakt ziekten) als men in contact komt met dieren

17
New cards

Transmissie/besmetting

de overdracht van een micro-organisme (vanuit de bron) op een nieuwe gastheer. er zijn verschillende transmissie-routes gekend

18
New cards

Primaire infectie

vermenigvuldiging op de plaats waar het micro-organisme binnenkomt

19
New cards

uitzaaiing

verspreiding in het lichaam vanuit de oorspronkelijk plaats van infectie

20
New cards

secundaire infectie

sommige micro organismen gaan, nadat ze zich door het lichaam verspeid hebben bij voorkeur bepaalde organan gaan infecteren.

21
New cards

immuniteit

na een zekere tijd treedt het immuunsysteem in werking dat, in het gunstige geval, het micro organismen zal verdrijven,

22
New cards

acute

Een infectie die snel begint, kort duurt (dagen tot weken) en daarna meestal volledig verdwijnt (genezing of overlijden). De symptomen zijn vaak duidelijk.
Voorbeeld: griep, verkoudheid, keelontsteking.

23
New cards

chronische

Een infectie die langdurig aanhoudt (maanden tot jaren). Het pathogeen blijft continu aanwezig in het lichaam en kan voortdurend of met tussenpozen symptomen geven.
Voorbeeld: hepatitis B, hiv, tuberculose.

24
New cards

latente

Het pathogeen blijft “slapend” in het lichaam zonder symptomen en zonder actief te vermenigvuldigen. Het kan later heractiveren, bijvoorbeeld bij stress of een verzwakte afweer.
Voorbeeld: herpes simplex (koortslip), waterpokken-virus (varicella zoster), dat later gordelroos kan veroorzaken.

25
New cards

besmetelijkheid

geeft aan hoe gemakelijk een pathogeen zich kan verspreiden en een infectie kan veroorzaken bij een nieuwe gastheer

26
New cards

transmitie route

de transmissie van een micro organismen van de bron naar een nieuwe gastheer kan op verschillende wijzen gebeuren man spreekt over transmissie routes

27
New cards

(faeco) oraal

overgedracht door met faeces besmet voedsel of drinkwater

28
New cards

respiratoir (druppel infectie)

door te housten verspreiden de micro organismen zich via druppeltjes; ze kunnen het lichaam binnendringen via mond, neus of luchtwegen

29
New cards

huid

via intacte huid of wonden

30
New cards

parenteraal

via bloed

31
New cards

seksueel

SOA’s ook venerische ziektes genoemd, worden overgedragen door geslachtsverkeer

32
New cards

dieren: zoonose

is een infectieziekte veroorzaakt door contact met dieren

33
New cards

verticaal

van moeder op kind. a pernataal: via de placenta b pernataal: tijdens de geboorte c postnataal: via moedersmelk

34
New cards

preventie van transmissie

Zeer invoudigen manieren om infectie tegen te gaan. Bv handen wassen, labojas dragen, condoomgebruik

35
New cards

incubatieperiode

de tijd tussen de eerste besmetting en eerste symptoom

36
New cards

virulentie

hoe shadelijk de micro organismen is voor de gastheer

37
New cards

toxines

giftige stoffen die micro organismen maken die ons ziek maken

38
New cards

exotoxines

actief geproduceerde en uitgescheiden door levende organismen, meestal gram positieve bacterien. het zijn eiwitten met een zeer sterke en specifieke toxische activiteit doordat ze bij de gastheer een specifieke functie blokeren

39
New cards

endotexines

(gramnegatieve) ze komen vrij bij de vernieteging van de bacteriecell. het zijn lipopolysachariden die deeluitmaken van de celwand van gram negatieve bacterien

40
New cards

MID

het minimum aantal organismen die een gastheer moeten infecteren om ziekte te veroorzaken

41
New cards

MTD

minimum hoeveelheid toxines die ziekte veroorzaakt

42
New cards

LD50

het aantal dosis dat 50 percent van de proefdieren zou doden

43
New cards

ID50

het dosis pathogenen dat 50 percent van de proefdieren zou infecteren

44
New cards

fysische immuniteit

de fysice barrieren die besmetting tegenhoed, de huid de slijmlaag in de luchtwegen, de zure ph in de maag en de flora op de huid spelen allemaal een rol in de barrier

45
New cards

fagocytose

witte bloedcellen die de bacterie opneemt en inwendig verteerd, deel van de aangeboren immuniteit, ze fuseren de bacterien met een fagosoom en gebruiken lytissche stoffen om de bacterien te verteren en vernitigen

46
New cards

aangeboren immuniteit

de immuniteit de je krijgt met de geboorte en is voor ieder lichaams vreemde stof iddentiek

47
New cards

verworven immuniteit

de immuniteit die specifiek is voor ieder pathogeen, het wordt opgebouwd tijdens het leven en bestaat voornamelijk uit b en t lymfocyten

48
New cards

antigen

een lichaamsvreemde stof die een reactie van het lichaam uitlookt

49
New cards

antistoffen

(anitlichamen, immunoglobulins) e antistof neutraliseert pathogenen of toxines, markeert ze voor opname door fagocyten (opsonisatie) en activeert het complementsysteem