1/48
Looks like no tags are added yet.
Vrij leven
zelfstandig kunnen leven, zonder rechtstreeks afhankelijk te zijn van andere levende wezens
saprofyten
organismen die leven van dood organisch materiaal, ze zijn cruciaal voor de afbraak van alle afgestorven organismen
symbiose
samen leven van een organisme op of in het lichaam van een organisme van een andere soort
mutualisme
Een symbiose waarbij beide soorten voordeel hebben (+/+).
Voorbeeld: bij en bloem. De bij krijgt nectar, de bloem wordt bestoven. Ook korstmossen (schimmel + alg) en mycorrhiza (schimmel + plantenwortel).
commensalisme
Een symbiose waarbij één soort voordeel heeft en de andere geen voordeel én geen nadeel (+/0).
Voorbeeld: epifyten (zoals orchideeën) die op een boom groeien, of de zuigvis (remora) die meelift op een haai en meeëet met de resten.
bacteriele flora
De verzameling bacteriën die van nature op of in een gastheer leven (bv. darm, huid, mond), meestal in een symbiose met de gastheer.
oppertunische infectie
infecties veroorzaakt door micro organismen die geen ziekte veroorzaken bij gezonde personen, maar dat wel doen indien het immuunsysteen verzwakt is.
Parasitisme
Een symbiose waarbij één soort voordeel heeft (de parasiet) en de andere schade ondervindt (de gastheer) (+/−). In tegenstelling tot een roofdier doodt een parasiet zijn gastheer meestal niet snel, want hij leeft ervan.
pathogeen
micro-organismen dat ziektens kunnen veroorzaken
obligate pathogenen
ze zullen indien aanwezig in het lichaam ziektes veroorzaken
oppertunistische pathogenen
veroorzaken geen ziektens in normale gezonden mensen maar well in algemene of lokale verzwakking van de patient
besmetting
micro organismen die zijn binnen gedrongen in een andere levende wezens
infectie
het vermenigvuldiging van micro organismen in een levend organisme
infectieziekte
een shadelijke infectie
bron
de oorsprong of bron van de infectie
zoonose
een infectie bron (veroorzaakt ziekten) als men in contact komt met dieren
Transmissie/besmetting
de overdracht van een micro-organisme (vanuit de bron) op een nieuwe gastheer. er zijn verschillende transmissie-routes gekend
Primaire infectie
vermenigvuldiging op de plaats waar het micro-organisme binnenkomt
uitzaaiing
verspreiding in het lichaam vanuit de oorspronkelijk plaats van infectie
secundaire infectie
sommige micro organismen gaan, nadat ze zich door het lichaam verspeid hebben bij voorkeur bepaalde organan gaan infecteren.
immuniteit
na een zekere tijd treedt het immuunsysteem in werking dat, in het gunstige geval, het micro organismen zal verdrijven,
acute
Een infectie die snel begint, kort duurt (dagen tot weken) en daarna meestal volledig verdwijnt (genezing of overlijden). De symptomen zijn vaak duidelijk.
Voorbeeld: griep, verkoudheid, keelontsteking.
chronische
Een infectie die langdurig aanhoudt (maanden tot jaren). Het pathogeen blijft continu aanwezig in het lichaam en kan voortdurend of met tussenpozen symptomen geven.
Voorbeeld: hepatitis B, hiv, tuberculose.
latente
Het pathogeen blijft “slapend” in het lichaam zonder symptomen en zonder actief te vermenigvuldigen. Het kan later heractiveren, bijvoorbeeld bij stress of een verzwakte afweer.
Voorbeeld: herpes simplex (koortslip), waterpokken-virus (varicella zoster), dat later gordelroos kan veroorzaken.
besmetelijkheid
geeft aan hoe gemakelijk een pathogeen zich kan verspreiden en een infectie kan veroorzaken bij een nieuwe gastheer
transmitie route
de transmissie van een micro organismen van de bron naar een nieuwe gastheer kan op verschillende wijzen gebeuren man spreekt over transmissie routes
(faeco) oraal
overgedracht door met faeces besmet voedsel of drinkwater
respiratoir (druppel infectie)
door te housten verspreiden de micro organismen zich via druppeltjes; ze kunnen het lichaam binnendringen via mond, neus of luchtwegen
huid
via intacte huid of wonden
parenteraal
via bloed
seksueel
SOA’s ook venerische ziektes genoemd, worden overgedragen door geslachtsverkeer
dieren: zoonose
is een infectieziekte veroorzaakt door contact met dieren
verticaal
van moeder op kind. a pernataal: via de placenta b pernataal: tijdens de geboorte c postnataal: via moedersmelk
preventie van transmissie
Zeer invoudigen manieren om infectie tegen te gaan. Bv handen wassen, labojas dragen, condoomgebruik
incubatieperiode
de tijd tussen de eerste besmetting en eerste symptoom
virulentie
hoe shadelijk de micro organismen is voor de gastheer
toxines
giftige stoffen die micro organismen maken die ons ziek maken
exotoxines
actief geproduceerde en uitgescheiden door levende organismen, meestal gram positieve bacterien. het zijn eiwitten met een zeer sterke en specifieke toxische activiteit doordat ze bij de gastheer een specifieke functie blokeren
endotexines
(gramnegatieve) ze komen vrij bij de vernieteging van de bacteriecell. het zijn lipopolysachariden die deeluitmaken van de celwand van gram negatieve bacterien
MID
het minimum aantal organismen die een gastheer moeten infecteren om ziekte te veroorzaken
MTD
minimum hoeveelheid toxines die ziekte veroorzaakt
LD50
het aantal dosis dat 50 percent van de proefdieren zou doden
ID50
het dosis pathogenen dat 50 percent van de proefdieren zou infecteren
fysische immuniteit
de fysice barrieren die besmetting tegenhoed, de huid de slijmlaag in de luchtwegen, de zure ph in de maag en de flora op de huid spelen allemaal een rol in de barrier
fagocytose
witte bloedcellen die de bacterie opneemt en inwendig verteerd, deel van de aangeboren immuniteit, ze fuseren de bacterien met een fagosoom en gebruiken lytissche stoffen om de bacterien te verteren en vernitigen
aangeboren immuniteit
de immuniteit de je krijgt met de geboorte en is voor ieder lichaams vreemde stof iddentiek
verworven immuniteit
de immuniteit die specifiek is voor ieder pathogeen, het wordt opgebouwd tijdens het leven en bestaat voornamelijk uit b en t lymfocyten
antigen
een lichaamsvreemde stof die een reactie van het lichaam uitlookt
antistoffen
(anitlichamen, immunoglobulins) e antistof neutraliseert pathogenen of toxines, markeert ze voor opname door fagocyten (opsonisatie) en activeert het complementsysteem