1/24
Woordenschat-flashcards over de anatomie van het menselijk oog, lichtbreking, de pupilreflex en de accommodatie van de ooglens.
Prikkel-reactieketen
De keten van informatieverwerking in het lichaam: prikkel → receptor → conductor → effector → reactie.
Traanvocht
Vocht afgescheiden door de traanklier dat het oog beschermt tegen uitdroging en vuil, en door knipperen gelijkmatig over het oogoppervlak verspreid wordt.
Ooglidopheffer
Een spier die het bovenooglid omhoog beweegt en die nadrukkelijk géén oogspier is die de stand van de oogbol bestuurt.
Oogspieren
De zes spieren rond de oogbol (vier rechte oogspieren en twee schuine oogspieren) die zorgen voor de gecoördineerde bewegingen van het oog.

Harde oogvlies
Het stevige, witte buitenste beschermvlies van het oog dat de oogbol beschermt en zijn vorm behoudt.
Hoornvlies
Het doorzichtige voorste deel van de buitenste oogrok waar het licht het oog binnenkomt en waar de sterkste lichtbreking plaatsvindt.
Vaatvlies
De middelste laag van de oogwand die rijk is aan bloedvaten en zorgt voor de voeding en zuurstofvoorziening van het oog.
Netvlies
De binnenste laag van de oogwand waarin de zintuigcellen (fotoreceptoren) liggen die lichtprikkels registreren en omzetten in signalen naar de hersenen.
Gele vlek
De centrale plaats op het netvlies die recht tegenover de pupil ligt en waarmee je het allerscherpst ziet.
Blinde vlek
De plek op het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat; hier bevinden zich geen zintuigcellen waardoor hier geen beeld waargenomen wordt.
Glasachtig lichaam
De doorzichtige, geleiachtige vloeistof die het grootste deel van de oogbol vult en druk uitoefent om het oog bolvormig en stevig te houden.
Iris (regenboogvlies)
Het gekleurde vlies aan de voorkant van het oog dat het binnenvallende licht reguleert door de grootte van de pupil aan te passen.
Pupilreflex
Een onbewuste reactie waarbij de pupil verkleint bij veel licht en vergroot bij weinig licht om de lichtinval in het oog te regelen.
Iriskringspieren
Kringvormig lopende spieren in de iris die samentrekken bij fel licht, waardoor de pupil kleiner wordt en er minder licht binnenkomt.
Irisstraalspieren
Straalsgewijs lopende spieren in de iris die samentrekken bij minder licht, waardoor de pupil vergroot wordt om meer licht binnen te laten.

Lichtbreking
Het verschijnsel waarbij een lichtstraal van richting verandert op de overgang tussen twee verschillende doorzichtige middenstoffen.
Bolle lens
Een positieve lens die naar buiten toe gewelfd is, dikker is in het midden dan aan de randen en evenwijdige lichtstralen bundelt in een brandpunt.
Holle lens
Een negatieve lens die in het midden dunner is dan aan de randen en evenwijdige lichtstralen laat divergeren (uit elkaar doet lopen).

Brandpunt (F)
Het punt op de hoofdas waar evenwijdige lichtstralen samenkomen nadat ze door een bolle lens zijn gebroken.
Beeld op het netvlies
Het reële beeld dat door de lichtbrekende delen van het oog op het netvlies geprojecteerd wordt: het is altijd verkleind en omgekeerd.
Lichtbrekende delen van het oog
De vier doorzichtige onderdelen van het oog die zorgen voor de breking van lichtstralen: het hoornvlies, de voorste oogkamer, de ooglens en het glasachtig lichaam.
Accommodatie
Het vermogen van het oog om de kromming van de ooglens aan te passen via de accommodatiespier en lensbandjes om beelden op verschillende afstanden scherp te stellen.

Accommodatie voor veraf
Toestand waarbij de accommodatiespier ontspannen is, de lensbandjes strak staan aangespannen en de ooglens afgeplat is.
Accommodatie voor dichtbij
Toestand waarbij de accommodatiespier samentrekt (in actie is), de lensbandjes ontspannen/doorhangen en de ooglens door haar eigen elasticiteit boller wordt.
Nabijheidspunt
De minimale afstand tot het oog waarop een voorwerp nog net scherp kan worden waargenomen (waarbij de ooglens maximaal bol is); ligt bij jongeren op ongeveer 10cm.