1/884
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bonjour
goedendag
Salut
hallo
Comment ça va ?
hoe gaat het?
Ça va bien
het gaat goed
Merci
dank je
Et toi ?
en jij?
Ça va aussi bien
het gaat ook goed
Bon après-midi
goedemiddag
Tout va bien ?
alles goed?
Oui
tout va bien
Merci beaucoup
dank je wel
Ça va très bien
het gaat prima
Bonsoir
goedenavond
Ça ne va pas bien
het gaat niet goed
Faire connaissance
kennismaken
Se présenter
zich voorstellen
Comment t’appelles-tu ?
hoe heet je?
Quel âge as-tu ?
hoe oud ben je?
OĂą habites-tu ?
waar woon je?
D’où viens-tu ?
waar kom je vandaan?
Quand es-tu né(e) ?
wanneer ben je geboren?
Où es-tu né(e) ?
waar ben je geboren?
Quels sont tes loisirs ?
wat zijn je hobby's?
Le prénom
de voornaam
Quel est ton prénom ?
wat is je voornaam?
Le nom de famille
de achternaam
Quel est ton nom de famille ?
wat is je achternaam?
Quel est ton métier ?
wat is jouw beroep?
Mon métier
mijn beroep
Pour quelle entreprise travailles-tu ?
voor welk bedrijf werk je?
Es-tu marié(e) ?
ben je getrouwd?
As-tu des enfants ?
heb je kinderen?
Quelles langues parles-tu ?
welke talen spreek je?
Quelle est ta nationalité ?
wat is je nationaliteit?
Quel est ton numéro de téléphone ?
wat is je telefoonnummer?
ĂŠtre
zijn
Avoir
hebben
Être né(e)
geboren zijn
Fatigué
moe
Malade
ziek
Marié
getrouwd
Grand
groot
En retard
te laat
Sportif
sportief
Frère
broer
Voiture
auto
Appartement
appartement
Avoir faim
honger hebben
Directeur
directeur
Directrice
directrice
Amie
vriendin
Chien
hond
Voisin
buurman
Piscine
zwembad
Toit
dak
Cours de néerlandais
Nederlandse les
Télévision
televisie
Avoir du plaisir
plezier hebben
Enfant
kind
Courir
lopen
Vite
snel
Le médicament
het medicijn
Le vélo
de fiets
La gare
het station
Les employés
de werknemers
Le présent
de onvoltooid tegenwoordige tijd
Régulier
regelmatig
Irrégulier
onregelmatig
Travailler
werken
Venir
komen
L’infinitif
de infinitief
Le radical
de stam
La première personne du singulier
de eerste persoon enkelvoud
La deuxième personne du singulier
de tweede persoon enkelvoud
La troisième personne du singulier
de derde persoon enkelvoud
Le pluriel
het meervoud
Boire
drinken
Se garer
parkeren
Rester
blijven
Lire
lezen
Les activités quotidiennes
de dagelijkse activiteiten
Prendre une douche
een douche nemen
Faire du café
koffie zetten
Faire la lessive
de was doen
Préparer le repas
het eten klaarmaken
Travailler sur l’ordinateur
op de computer werken
Faire la vaisselle
de vaat doen
Téléphoner
telefoneren
Prendre un bain
een bad nemen
Essuyer la vaisselle
de vaat afdrogen
Se brosser les dents
tanden poetsen
Boire une tasse de café
een kopje koffie drinken
Boire une tasse de thé
een kopje thee drinken
Lire un livre
een boek lezen
Regarder la télévision
televisie kijken
Étudier
studeren
Se lever
opstaan
Prendre le petit-déjeuner
ontbijten
Jouer
spelen
Dormir
slapen