1/145
Looks like no tags are added yet.
effectuer des démarches (la démarche)
stappen ondernemen
dénoncer une situation (la dénonciation)
een situatie aanklagen
porter plainte (la plainte, le plaignant)
een klacht indienen, neerleggen
contester (la contestation)
betwisten
demander l'autorisation (la demande)
de toestemming aanvragen
déposer un dossier (le dépôt)
een dossier indienen
déclarer (la déclaration)
verklaren
démontrer (la démonstration)
aantonen
prouver, la preuve, la charge de la preuve
bewijzen, de bewijslast
justifier (la justification, le justificatif)
rechtvaardigen
introduire une demande
een aanvraag indienen
compléter, remplir un formulaire
een formulier invullen
le formulaire dument rempli
het naar behoren ingevulde formulier
fournir, présenter, produire un document
een document voorleggen
remplir certaines conditions
aan bepaalde voorwaarden voldoen
retirer un document
een document afhalen
accéder à un dossier (l'accès)
toegang hebben tot een dossier
donner procuration à qn
volmacht geven aan iemand
introduire, formuler, déposer un recours
een beroep instellen
en annulation
tot vernietiging
en suspension
tot schorsing
intenter une action en justice
een rechtsvordering instellen
saisir le tribunal d'une affaire (la saisine)
naar de rechtbank stappen, een zaak voor de rechtbank brengen, een vordering instellen bij de rechtbank
invoquer, soulever un moyen
een middel inroepen
prétendre (les prétentions)
beweren, vorderen
alléguer des faits (l'allégation)
feiten aanvoeren
se défendre (la défense)
zich verdedigen
prêter serment (la prestation)
de eed afleggen
consentir (le consentement)
instemmen
la procédure téméraire et vexatoire
de roekeloze en tergende procedure
accuser réception d'un dossier
de ontvangst van een dossier bevestigen
prendre des mesures
maatregelen nemen
convoquer qn
iemand oproepen
vérifier la légalité, la validité
de wettigheid, de geldigheid nagaan
déclarer un acte valable
een akte geldig verklaren
désigner un expert
een deskundige aanstellen
dresser, établir un acte
een akte opstellen
attester un fait (l'attestation)
een feit attesteren
certifier un document (la certification)
een document certificeren, voor eensluidend verklaren
la copie certifiée conforme
het eensluidend verklaard afschrift
délivrer un acte
een akte afleveren, uitreiken
déclarer une demande recevable
een verzoek ontvankelijk verklaren
irrecevable
onontvankelijk
déclarer une demande fondée
een verzoek gegrond verklaren
non fondée
ongegrond
le bien-fondé d'une demande
de gegrondheid van een verzoek
rejeter une demande
een verzoek verwerpen
dispenser qn de qc/INF (la dispense)
iemand vrijstellen van iets
indemniser qn
iemand vergoeden
l'indemnisation
de vergoeding (de handeling)
l'indemnité
de vergoeding (het bedrag)
rembourser (le remboursement)
terugbetalen
restituer (la restitution)
terugbetalen, teruggeven
autoriser qn à INF (l'autorisation)
iemand toestaan te INF
permettre à qn de INF (la permission)
iemand toelaten te INF, iemand in staat stellen te INF
le permis
de vergunning
le permis de conduire
het rijbewijs
le permis d'urbanisme
de stedenbouwkundige vergunning
le permis d'environnement
de omgevingsvergunning
signifier (la signification)
betekenen
notifier (la notification)
ter kennis geven
falloir
moeten
il faut + INF, il faut que + SUBJ, Il fout + SUBST
nodig zijn, nodig hebben
devoir
moeten
être dû
verschuldigd zijn, toekomen aan
indu
onverschuldigd
dument
zoals het hoort, naar behoren
obliger qn à faire qc
iemand verplichten om iets te doen
être obligé
verplicht zijn (onderwerp = persoon)
être obligatoire
verplicht zijn (onderwerp= iets)
qn est obligé de faire qc
iemand is verplicht iets te doen
qc est obligatoire
iets is verplicht
il est obligatoire de faire qc
het is verplicht om iets te doen
contraindre qn à faire qc
iemand dwingen om iets te doen
une règle contraignante
een bindende regel
être tenu de + INF
gehouden zijn te +INF
être tenu à + SUBST
gehouden zijn tot + subst
avoir à + INF
moeten, hoeven
incomber à
De verantwoordelijkheid, de taak zijn van, ten laste vallen van
il y a lieu de + INF
het is aangewezen om te + INF, er is aanleiding om te + INF
il convient de + INF
het is aangewezen om te, men dient te + INF
il appartient à qn de + INF
het is aan iemand om te + INF, iemand moet + INF
Le délai
de termijn
l'expiration du délai, l'écoulement du délai
het verstrijken van de termijn
l'échéance (une)
de vervaldag, het verstrijken
le terme
de vervaldag, het einde van de overeenkomst
à (court, moyen, long) terme
op korte, middellange, lange termijn
il y a trois jours
drie dagen geleden
depuis trois jours
sinds drie dagen
en trois jours
op drie dagen
dans trois jours
over drie dagen
dans les trois jours
binnen drie dagen
avant le 6 juin
voor 6 juni
au plus tard le 6 juin
uiterlijk op 6 juni
jusqu'au 6 juin
tot 6 juni
à partir, à compter du 6 juin
vanaf 6 juni
notre entretien du 6 juin
ons gesprek van 6 juni
dorénavant, désormais
voortaan
le jour calendrier
de kalenderdag
le jour ouvrable
de werkdag (de werkbare dag)