1/35
Woordenlijst-flitskaarten over GIS Hoofdstuk 3: Representing Geography, met begrippen rond ruimtelijke datamodellen (raster en vector), hoogtemodellen, schaal en cartografische generalisatietechnieken.
Representation (weergave)
De manier waarop we bepalen welke informatie uit de ingewikkelde echte wereld belangrijk is en hoe we die digitaal vereenvoudigd weergeven in een kaart of GIS-model.
Discrete objects (discrete objecten)
Losse verschijnselen met een herkenbare grens of plaats, behorend bij een benadering die de vraag stelt: "Welke objecten zijn er?"
Continuous field (continu veld)
Een eigenschap die op elke locatie een waarde heeft, ook tussen meetstations in, behorend bij een benadering die de vraag stelt: "Welke waarde heeft deze plek?"
Lakeness-schaal
Een schaal van 'altijd droog' tot 'altijd diep water' waarmee een moeilijk af te bakenen landschapselement (zoals een meer of moeras) als continu veld behandeld kan worden.
Granularity (detailniveau)
Hoe fijn of grof informatie ingedeeld wordt, waarbij een fijner niveau inhoudt dat er meer kleine details worden getoond.
Spatial resolution (ruimtelijke resolutie)
De afmeting van de kleinste te onderscheiden rastercel of de mate van detail die ruimtelijke gegevens kunnen tonen.
Raster
Een gegevensstructuur opgebouwd uit een rooster van cellen (pixels), waarbij iedere individuele cel een eigen waarde bevat.
Vector
Een gegevensstructuur opgebouwd uit geometrische elementen zoals punten, lijnen en vlakken (polygonen).
Point (punt)
Een geometrisch vectorelement dat één specifieke locatie representeert, zoals een winkel op een overzichtskaart.
Line / polyline (lijn)
Een geometrisch vectorelement dat bestaat uit een reeks verbonden punten die gezamenlijk een traject vormen.
Polygon (vlak)
Een geometrisch vectorelement bestaande uit een gesloten grens die een bepaald gebied omsluit.
Vertices
Hoek- of knooppunten in vectorgegevens die mede bepalen hoeveel detail een lijn of vlak bevat.
Largest-share rule
Een beslisregel in raster-GIS waarbij de categorie die het grootste oppervlak van de rastercel beslaat de uiteindelijke waarde van die cel bepaalt.
Central-point rule
Een beslisregel in raster-GIS waarbij de categorie die exact op het middelpunt van de rastercel ligt de waarde van de cel bepaalt.
DEM (Digital Elevation Model)
Een digitaal hoogtemodel van een terrein, veelal gerepresenteerd als een raster waarin elke cel één hoogtewaarde heeft.
2.5D (twee-en-een-halve dimensie)
Een weergavevorm waarin aan elke X- en Y-positie slechts één hoogte (Z) kan worden gekoppeld, waardoor objecten recht boven elkaar niet kunnen worden opgeslagen.
TIN (Triangulated Irregular Network)
Een digitaal hoogtemodel samengesteld uit onregelmatige driehoeken die gevormd worden tussen meetpunten met bekende hoogtes.
Contour lines / isolines (hoogtelijnen)
Lijnen op een kaart die punten met een identieke hoogte of waarde met elkaar verbinden.
Regularly spaced sample points
Een methode om een continu veld vast te leggen door middel van meetpunten die op gelijke afstanden van elkaar liggen.
Irregularly spaced sample points
Een methode om een continu veld vast te leggen door middel van meetpunten die op ongelijke afstanden van elkaar liggen (zoals weerstations).
Analog representation
Een fysieke weergave van de werkelijkheid op een tastbaar medium, zoals een gedrukte papieren topografische kaart.
Map scale (kaartschaal)
De wiskundige verhouding tussen een afstand gemeten op de kaart en de overeenkomstige afstand in de werkelijkheid (bijv. 1:24.000).
Generalization (generalisatie)
Het doelbewust vereenvoudigen van kaartkenmerken bij bijvoorbeeld uitzoomen om de kaart leesbaar en geschikt voor het doel te houden.
Selection (selectie)
Een vorm van generalisatie waarbij bewust wordt gekozen welke objecten wel en welke niet worden getoond op de kaart.
Simplification (vereenvoudiging)
Een vorm van generalisatie waarbij een object behouden blijft, maar met minder details of bochten wordt getekend.
Smoothing (gladmaken)
Een vorm van generalisatie waarbij hoekige of grillige contouren vloeiender en ronder worden getekend.
Collapse
Een generalisatietechniek waarbij een vlakobject (zoals een smal meer) op kleinere schaal wordt gereduceerd tot een lijn of punt.
Aggregation (groepering)
Een generalisatietechniek waarbij een groot aantal individuele objecten wordt vervangen door een kleiner aantal symbolen.
Amalgamation (samenvoegen van vlakken)
Een generalisatietechniek waarbij verschillende aan elkaar grenzende vlakken worden samengevoegd tot één groter vlak.
Merging (samenvoegen van lijnen)
Een generalisatietechniek waarbij meerdere dicht bij elkaar gelegen lijnen worden samengevoegd tot een kleiner aantal lijnen.
Refinement (uitdunnen)
Het vereenvoudigen van een complex patroon (zoals takken van een rivierennetwerk) met behoud van de herkenbare hoofdvorm.
Exaggeration (overdrijving)
Het opzettelijk groter intekenen van een object zodat dit ondanks de schaalverkleining herkenbaar en zichtbaar blijft.
Enhancement (versterking)
Het aanpassen van de vorm of de afmeting van een symbool zodat een belangrijk element extra opvalt op de kaart.
Displacement (verplaatsing)
Het minimaal verschuiven van naast elkaar gelegen objecten op de kaart om visuele overlap te vermijden.
Weeding
Het verminderen van het totale aantal coördinaten of punten waaruit een lijn of vlak is opgebouwd.
Douglas-Peucker algorithm
Een wiskundig algoritme dat binnen een bepaalde tolerantie minder relevante punten verwijdert om lijnen te vereenvoudigen met behoud van de hoofdvorm.