Financiële analyse

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/137

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

138 Terms

1
New cards
Wat is financiële analyse?
Een studie (analyse) van het eindproduct van de boekhouding: de jaarrekening (balans en resultatenrekening).
2
New cards
Welke voorkennis heb je nodig voor financiële analyse?
Boekhouden: de jaarrekening is het eindproduct van de boekhouding.
3
New cards
Waaruit bestaat de jaarrekening?
Balans, resultatenrekening en toelichting.
4
New cards
Wat is de gepubliceerde (externe) jaarrekening?
De jaarrekening die (bv. door een BV of NV) neergelegd wordt bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België. Iedereen kan ze raadplegen.
5
New cards
Waar kan je de jaarrekening van een BV of NV raadplegen?
Bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België (vrij raadpleegbaar).
6
New cards
Wat is de interne jaarrekening?
De eigen, gedetailleerde balans en resultatenrekening van de onderneming, eventueel tussentijds opgemaakt.
7
New cards
Verschil tussen interne en externe jaarrekening?
Extern (gepubliceerd): cijfers gegroepeerd, voor iedereen raadpleegbaar. Intern: veel gedetailleerder, enkel voor de onderneming zelf.
8
New cards
Waarom gebruik je soms tussentijdse cijfers?
Omdat de laatst gepubliceerde jaarrekening al meer dan een jaar oud kan zijn; bv. de bank vraagt dan recentere cijfers.
9
New cards
Hoe vaak kan een onderneming tussentijdse cijfers maken?
Afhankelijk van grootte en behoefte: per half jaar, per kwartaal of zelfs per maand.
10
New cards
Binnen welke termijn moet de algemene vergadering plaatsvinden?
Binnen 6 maanden na de afsluitdatum van het boekjaar (bij kalenderjaar: uiterlijk 30 juni).
11
New cards
Waar staat de datum van de algemene vergadering?
In de statuten (vaste datum of bv. 'de derde vrijdag van juni').
12
New cards
Binnen welke termijn moet de jaarrekening neergelegd worden?
Binnen 1 maand na de goedkeuring door de algemene vergadering.
13
New cards
Hoe lang mag een verlengd boekjaar maximaal zijn?
Maximaal 24 maanden. Een gewoon boekjaar is 12 maanden; een verkort boekjaar is korter.
14
New cards
Wat betekent het als een onderneming al 2 jaar geen jaarrekening heeft neergelegd?
Het is een teken aan de wand: de wet wordt niet nageleefd en er zijn mogelijk problemen.
15
New cards
Waarom doe je een financiële analyse?
Doorlichting van de financiële situatie, beleidsinstrument om bij te sturen, prognoses maken, voorbereiding op een bankaanvraag, klanten en concurrenten beoordelen, meepraten met de boekhouder.
16
New cards
Waarom is financiële analyse een beleidsinstrument?
Je weet hoe de onderneming ervoor staat en kan tijdig bijsturen, zodat je niet hard werkt voor een teleurstellend resultaat.
17
New cards
Waarom analyseer je je cijfers vóór je naar de bank gaat?
De bank doet zelf ook een financiële analyse; zo weet je vooraf of een krediet haalbaar is en kan je tijdig cijfers laten opmaken.
18
New cards
Waarom kan het nuttig zijn de cijfers van een nieuwe klant te bekijken?
Een grote opdracht die snel aanvaard wordt kan van een slechte betaler komen (bv. die geen andere vervoerder meer vindt). Je riskeert je geld niet te krijgen.
19
New cards
Waarom zijn cijfers van concurrenten moeilijk te interpreteren?
Je hebt enkel de externe (gegroepeerde) jaarrekening en kent hun interne situatie niet.
20
New cards
Waarom moet je als aandeelhouder de cijfers bekijken voor je inbrengt?
Je inbreng houdt risico in: bij faillissement ben je ze kwijt. Laat je niet verblinden door beloftes; vraag de (interne) jaarrekening.
21
New cards
Wie is geïnteresseerd in de cijfers van een onderneming?
Leveranciers, banken/leasingmaatschappijen, aandeelhouders, werknemers, vakbonden, fiscus, rechtbank, de bedrijfsleider zelf.
22
New cards
Wat is het ezelsbruggetje voor wie geïnteresseerd is in de cijfers?
"Lelijke Beren Achtervolgen Wilde Varkens, Terwijl Flamingo's Rustig Bellen": Leveranciers, Banken, Aandeelhouders, Werknemers, Vakbonden, Fiscus, Rechtbank, Bedrijfsleider.
23
New cards
Waarin zijn leveranciers geïnteresseerd?
In de liquiditeit: zal de onderneming de facturen op korte termijn (tijdig) betalen?
24
New cards
Wat doet een leverancier bij een klant met slechte liquiditeit?
Hij eist bv. contante betaling i.p.v. uitstel (leverancierskrediet).
25
New cards
Waarin zijn banken en leasingmaatschappijen geïnteresseerd?
In de solvabiliteit: kan de onderneming leningen/leasing op lange termijn terugbetalen?
26
New cards
Op welke termijn zijn leveranciers en banken schuldeisers?
Leveranciers: korte termijn (→ liquiditeit). Banken en leasingmaatschappijen: lange termijn (→ solvabiliteit).
27
New cards
Waarin zijn aandeelhouders geïnteresseerd?
In de rendabiliteit: ze nemen risico met hun inbreng en willen een dividend (winstuitkering).
28
New cards
Wat is een dividend?
Een winstuitkering aan de aandeelhouders.
29
New cards
Waarin zijn werknemers geïnteresseerd?
In de liquiditeit: krijgen ze hun nettoloon op tijd?
30
New cards
Waarin zijn vakbonden geïnteresseerd?
In de rendabiliteit, vooral bij loononderhandelingen (een deel van de winst voor wie ze realiseert).
31
New cards
Waarin is de fiscus geïnteresseerd?
De cijfers zijn de basis voor de vennootschapsbelasting.
32
New cards
Wanneer gebruikt de rechtbank de jaarrekening?
Bij geschillen, bv. als er niet betaald wordt.
33
New cards
Waarom is de bedrijfsleider zelf geïnteresseerd in de cijfers?
Om de financiële situatie van de eigen onderneming te kennen en goede beslissingen te nemen.
34
New cards
Wat is liquiditeit? (definitie)
Liquiditeit geeft aan of een onderneming op korte termijn (ten hoogste 1 jaar) aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.
35
New cards
Wat is solvabiliteit? (definitie)
Solvabiliteit geeft aan of een onderneming op lange termijn (meer dan 1 jaar) aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.
36
New cards
Wat is rendabiliteit? (definitie)
Rendabiliteit geeft weer hoeveel winst een onderneming per geïnvesteerde euro maakt (winstverhouding t.o.v. het geïnvesteerd vermogen).
37
New cards
Verschil tussen liquiditeit en solvabiliteit?
Liquiditeit: betalingsverplichtingen op korte termijn. Solvabiliteit: betalingsverplichtingen op lange termijn.
38
New cards
Wat is korte en lange termijn?
Korte termijn: ten hoogste 1 jaar. Lange termijn: meer dan 1 jaar.
39
New cards
Kan een rendabele onderneming toch failliet gaan?
Ja, bv. als ze te weinig winstgevend is om de vele schulden (leningen voor te snelle groei) terug te betalen. Er is een verband tussen rendabiliteit, liquiditeit en solvabiliteit.
40
New cards
Beoordeel je de ratio's op het examen samen of één voor één?
Eén voor één; de verbanden tussen de ratio's worden niet gevraagd.
41
New cards
Wat is het verschil tussen de balans en de resultatenrekening qua tijd?
De balans is een momentopname; de resultatenrekening is een film over het hele boekjaar.
42
New cards
Wat staat op de actiefzijde van de balans?
De activa: bezittingen en vorderingen.
43
New cards
Wat staat op de passiefzijde van de balans?
De passiva: de schulden (eigen en vreemd vermogen).
44
New cards
Wat is het verschil tussen vaste en vlottende activa?
Vaste activa: moeilijk omzetbaar in geld (investeringen, meerdere jaren nut). Vlottende activa: vlot omzetbaar in geld.
45
New cards
Noem de onderdelen van de vaste activa met een voorbeeld.
Immateriële vaste activa (bv. goodwill), materiële vaste activa (bv. gebouwen, rollend materieel), financiële vaste activa (bv. aandelen).
46
New cards
Wat is goodwill (goedwil)?
De meerprijs bij een overname boven de waarde van de onderneming, voor bv. klantenportefeuille, merknaam, imago en gekwalificeerd personeel. Een immateriële vaste activa.
47
New cards
Noem de onderdelen van de vlottende activa.
Vorderingen op meer dan 1 jaar, voorraden, vorderingen op ten hoogste 1 jaar (bv. klanten), geldbeleggingen (bv. termijnrekening), liquide middelen (bv. zichtrekening, kas), overlopende rekeningen.
48
New cards
Wat is het verschil tussen geldbeleggingen en liquide middelen?
Geldbeleggingen: bv. geld op een termijnrekening. Liquide middelen: geld op de zichtrekening en in kas, waar je meteen over kan beschikken.
49
New cards
Hoe zijn de activa op de balans gerangschikt?
Van boven naar onder in volgorde van toenemende liquiditeit (onderaan kas/bank = meest liquide).
50
New cards
Hoe zijn de passiva op de balans gerangschikt?
Van lange termijn (eigen vermogen, schulden > 1 jaar) naar korte termijn (schulden ≤ 1 jaar).
51
New cards
Welke rubrieknummers horen bij de actiefzijde van de balans?
Oprichtingskosten 20; immateriële vaste activa 21; materiële vaste activa 22–27; financiële vaste activa 28; vorderingen > 1 jaar 29; voorraden 3; vorderingen ≤ 1 jaar 40–41; geldbeleggingen 50–53; liquide middelen 54–58; overlopende rekeningen 490–491.
52
New cards
Welke rubrieknummers horen bij de passiefzijde van de balans?
Eigen vermogen 10–15; voorzieningen 16; schulden > 1 jaar 17; schulden ≤ 1 jaar 42–48; overlopende rekeningen 492–493.
53
New cards
Waarom staan 'oprichtingskosten' op de actiefzijde van de balans?
Het is een uitzondering: ondanks het woord 'kosten' staan ze op de balans (klasse 2).
54
New cards
Wat staat op het examen NIET als tussentitel op de actiefzijde?
Enkel 'vaste activa' en 'vlottende activa' staan er; tussentitels zoals geldbeleggingen en liquide middelen niet.
55
New cards
Wat staat op het examen NIET als tussentitel op de passiefzijde?
De tussentitel 'overlopende rekeningen' (die bedragen staan bij de schulden op ten hoogste 1 jaar). Eigen vermogen en schulden > 1 jaar / ≤ 1 jaar staan er wel.
56
New cards
Welke regel geldt altijd voor de balans?
Evenwicht: totaal activa = totaal passiva.
57
New cards
Wat staat links en rechts op de resultatenrekening?
Links de kosten (bedrijfskosten, financiële kosten, belastingen) en eventueel de winst; rechts de opbrengsten (bedrijfsopbrengsten, financiële opbrengsten) en eventueel het verlies.
58
New cards
Welke rubrieknummers horen bij de resultatenrekening?
Kosten: bedrijfskosten 60–64 (+ 66A niet-recurrent), financiële kosten 65, belastingen 67, winst 69. Opbrengsten: bedrijfsopbrengsten 70–74 (+ 76A niet-recurrent), financiële opbrengsten 75, regularisatie belastingen 77, verlies 79.
59
New cards
Wat betekent 'niet-recurrent' in de resultatenrekening?
Uitzonderlijk (vroeger 'uitzonderlijke kosten/opbrengsten').
60
New cards
Geef een voorbeeld van een financiële kost en een financiële opbrengst.
Kost: interest op een lening. Opbrengst: interest op een termijnrekening (of een klein betalingsverschil in je voordeel).
61
New cards
Waar staat de winst in de resultatenrekening?
Links (kostenzijde), bij de resultaatverwerking (rubriek 69).
62
New cards
Waar staat het verlies in de resultatenrekening?
Rechts (opbrengstenzijde), bij de resultaatverwerking (rubriek 79).
63
New cards
Waarom staat de winst links in de resultatenrekening?
Om de resultatenrekening in evenwicht te brengen: debettotaal = credittotaal.
64
New cards
Wat is het eigen vermogen (EV)?
De schuld van de onderneming tegenover de aandeelhouders: inbreng (BV) of kapitaal (NV), reserves... (rubrieken 10-15).
65
New cards
Wat is de inbreng?
Het geld/goederen die aandeelhouders in een BV inbrengen (bij een NV spreekt men van kapitaal). Het behoort tot het eigen vermogen.
66
New cards
Wat is vreemd vermogen (VV)?
De schulden tegenover vreemden/derden (bank, leasingmaatschappij, leveranciers...) = VVLT + VVKT.
67
New cards
Wat is vreemd vermogen op lange termijn (VVLT)?
Voorzieningen + schulden op meer dan 1 jaar (bv. leningen bij de bank).
68
New cards
Wat is vreemd vermogen op korte termijn (VVKT)?
Schulden op ten hoogste 1 jaar + overlopende passiefrekeningen (bv. leveranciers, nettoloon, btw).
69
New cards
Wat is het totaal vermogen (TV)?
EV + VV = EV + VVLT + VVKT = totaal passiva (alle schulden van de onderneming).
70
New cards
Waaruit bestaan alle schulden van een onderneming?
Uit het totaal vermogen: eigen vermogen + vreemd vermogen op lange termijn + vreemd vermogen op korte termijn.
71
New cards
Wat is het permanent vermogen (PV)?
Het langdurige vermogen: eigen vermogen + vreemd vermogen op lange termijn.
72
New cards
Waarom behoort het eigen vermogen tot het permanent vermogen?
De inbreng/het kapitaal blijft in principe langdurig in de onderneming.
73
New cards
Waarom is het eigen vermogen belangrijk?
Het is de fundering of buffer van de onderneming om tegenslagen (bv. corona) op te vangen; wie te afhankelijk is van vreemd vermogen komt bij de minste storm in de problemen.
74
New cards
Waar vind je het eigen vermogen?
Op de balans rechts (passiefzijde), letterlijk vermeld.
75
New cards
Waar vind je de vlottende activa?
Op de balans links, onder de vaste activa.
76
New cards
Waar vind je het VVLT en het VVKT?
Op de balans rechts. VVLT = schulden op meer dan 1 jaar (+ voorzieningen). VVKT = schulden op ten hoogste 1 jaar (de overlopende rekeningen staan daar op het examen gewoon onder).
77
New cards
Welke formule gebruik je best bij de ratio's: de gewone of de schematische?
De schematische: die begrippen vind je makkelijker terug in de opgave.
78
New cards
Wat betekent een bedrag tussen haakjes in de balans of resultatenrekening?
Een min (bv. afschrijvingen): aftrekken, niet optellen.
79
New cards
Strikvraag: hoe neem je een verlies op in de ratio rendabiliteit van het eigen vermogen?
Het verlies staat niet tussen haakjes, dus je moet zelf een min voor het bedrag zetten.
80
New cards
Welke eenheid heeft de uitkomst van een ratio met 'x 100'?
Een percentage (%).
81
New cards
Welke eenheid heeft het netto bedrijfskapitaal?
Euro.
82
New cards
Welke eenheid heeft de current ratio?
'... maal' (geen % en geen euro).
83
New cards
Wat zijn de 3 categorieën van ratio's?
Rendabiliteitsratio's, liquiditeitsratio's en solvabiliteitsratio's.
84
New cards
Welke ratio uit het overzicht moet je niet kennen?
De rotatie van de bedrijfsactiva (los niet goed te interpreteren).
85
New cards
Formule netto verkoopmarge (schematisch)?
(Bedrijfsopbrengsten - bedrijfskosten) / bedrijfsopbrengsten x 100.
86
New cards
Waar vind je de bedrijfsopbrengsten en bedrijfskosten?
In de resultatenrekening: bedrijfsopbrengsten rechts (tot 'financiële opbrengsten'), bedrijfskosten links (tot 'financiële kosten').
87
New cards
Bereken: bedrijfsopbrengsten 56.720, bedrijfskosten 49.498,87. Netto verkoopmarge?
(56.720 - 49.498,87) / 56.720 x 100 = 12,73 %.
88
New cards
Verklaring van een netto verkoopmarge van 12,73 %?
Per 100 euro uitgaande facturatie heeft de onderneming een verkoopmarge van 12,73 euro: na aftrek van alle bedrijfskosten realiseert de bedrijfsactiviteit een bedrijfswinst van 12,73 %.
89
New cards
Strikvraag: spreek je bij de netto verkoopmarge van 'winst' of 'bedrijfswinst'?
Van bedrijfswinst: het financieel resultaat telt niet mee, dus het eindresultaat kan nog anders zijn.
90
New cards
Wat vertelt de netto verkoopmarge je over je wagenpark?
Of de huidige activiteit met het huidige wagenpark winstgevend is. Zo niet, heeft een extra voertuig geen zin.
91
New cards
Formule netto rendabiliteit van de bedrijfsactiva (schematisch)?
(Bedrijfsopbrengsten - bedrijfskosten) / (totale activa - geldbeleggingen - liquide middelen) x 100.
92
New cards
Wat zijn bedrijfsactiva?
De bezittingen die de onderneming toelaten haar bedrijfsactiviteit te realiseren (bv. rollend materieel, gebouwen) = totale activa - geldbeleggingen - liquide middelen.
93
New cards
Hoe vind je op het examen de geldbeleggingen en liquide middelen?
Het zijn alle rekeningen van klasse 5: de rekeningnummers die met 5 beginnen (de tussentitels staan er niet).
94
New cards
Waar vind je de totale activa?
Onderaan de actiefzijde (links) van de balans.
95
New cards
Verklaring van een netto rendabiliteit van de bedrijfsactiva van 4,34 %?
Het in de bedrijfsactiva geïnvesteerde kapitaal brengt 4,34 % op.
96
New cards
Waarvoor is de netto rendabiliteit van de bedrijfsactiva nuttig?
Om te beoordelen of een extra investering (bv. een extra wagen) zinvol is.
97
New cards
Hoe kan je de netto rendabiliteit van de bedrijfsactiva verhogen?
Op 3 manieren: 1) bedrijfsopbrengsten verhogen (moeilijk door de marktprijs); 2) bedrijfskosten rationeel verlagen; 3) bedrijfsactiva verminderen (bv. geen extra wagen kopen als het niet goed gaat).
98
New cards
Waarom is het verhogen van de bedrijfsopbrengsten in de praktijk moeilijk?
Je kan de vrachtprijs niet zomaar verhogen door de marktprijs; anders kiest de klant een concurrent.
99
New cards
Formule netto rendabiliteit van het eigen vermogen?
Winst (of verlies) na belastingen / eigen vermogen x 100.
100
New cards
Waar vind je de winst of het verlies na belastingen?
In de resultatenrekening bij de resultaatverwerking: winst links (rubriek 69), verlies rechts (rubriek 79).