1/59
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Atomen van een legeringselement verstoren het kristalrooster van het basismateriaal. — [Zie: Toetsfoto Vraag 1]
Oplosharding (Solid solution strengthening). De lokale elastische spanningsvelden rondom de vreemde atomen blokkeren het afglijden van dislocaties.
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Door plastische deformatie neemt de dichtheid van dislocaties in het materiaal toe. — [Zie: Toetsfoto Vraag 2 / MC Vraag 2]
Koudversteviging (Werkverharding / Strain hardening). Door de toename van de dislocatiedichtheid lopen dislocaties op elkaar vast.
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Diffusieloze roostertransformatie door snelle afkoeling waardoor koolstof gevangen raakt in het rooster. — [Zie: Toetsfoto Vraag 3]
Afschrikharden (Martensietharden). Het austeniet klapt diffusieloos om naar een oververzadigd, tetragonaal vervormd TRG-rooster.
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Uitscheiding van zeer fijne deeltjes uit een oververzadigde vaste oplossing. — [Zie: Toetsfoto Vraag 4]
Precipitatieharding (Verouderen / Uitharden). Nanoscopische uitscheidingen vormen fysieke barrières waar dislocaties omheen moeten buigen of doorheen moeten snijden.
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Verkleining van de gemiddelde korrelgrootte waardoor er meer korrelgrenzen ontstaan. — [Zie: Toetsfoto Vraag 5]
Korrelverfijning (Hall-Petch versteviging). Meer korrelgrenzen per volume-eenheid belemmeren het doorglijden van dislocaties naar buurkorrels.
In welke situatie treedt dit mechanisme op? Omschrijving: Inbrengen van harde, niet-oplosbare keramische of oxide deeltjes in de matrix. — [Zie: Toetsfoto Vraag 6]
Dispersieversteviging. Onoplosbare deeltjes blokkeren dislocaties en behouden hun werking ook bij hoge temperaturen.
Hoe verandert de dislocatiedichtheid tijdens koudversteviging en hoe kan dit effect thermisch worden hersteld? — [Zie: Presentatie Deel 1, Dia 20]
De dislocatiedichtheid stijgt enorm van ca. 10^6 naar 10^11 cm/cm^2; via rekristallisatiegloeien kan de spanning worden opgeheven en de taaiheid hersteld.
Geef de Hall-Petch formule en verklaar waarom korrelverfijning als enig mechanisme zowel sterkte als taaiheid verhoogt. — [Zie: Presentatie Deel 1, Dia 22]
sigma_y = sigma_0 + k_y * d^(-1/2). Fijnere korrels verdelen de dislocatie-opstapelingen over meer korrelgrenzen, waardoor spanningspieken dalen en brosse scheurgroei wordt geremd.
Wat is Bake Hardening staal (BH-staal) en welk verstevigingsmechanisme treedt op tijdens het lakbakken van carrosserieën? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 32]
BH-staal bevat vrije interstitiële koolstof die tijdens het moffelen (170 °C) diffundeert naar dislocaties en Cottrell-wolken vormt (interstitiële veroudering), wat de deukbestendigheid verhoogt.
Waarom bevat gehard hoogkoolstofstaal vaak Restausteniet en hoe kan dit alsnog worden omgezet? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 28]
Koolstof verlaagt Ms en Mf; bij >0,6% C daalt Mf tot onder kamertemperatuur. Het restausteniet kan worden omgezet via diepkoelen in vloeibare stikstof (-80 tot -196 °C).
Welke 3 processtappen en parameters (temperatuur, koeling, tijd) zijn vereist om een Al-Cu legering (AA2024) te harden? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 18-24]
1) Oplosgloeien bij 500-540 °C; 2) Razendsnel afschrikken in koud water (oververzadigde SSSS); 3) Verouderen (T4 op kamertemperatuur of T6 bij 130-190 °C) voor fijne Al2Cu-precipitaten.
Welk dominant verstevigingsmechanisme treedt op in een Al-Mg kneedlegering (5000-serie, zoals AlMg3 of AlMg4,5Mn)? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 14]
Oplosharding (Solid solution strengthening). Magnesiumatomen lossen substitutioneel op in de aluminiummatrix en hinderen dislocaties; niet-warmtebehandelbaar.
Welk dominant verstevigingsmechanisme treedt op in een Al-Mg-Si kneedlegering (6000-serie, zoals AA6060 of AA6082)? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 15]
Precipitatieharding (T6-behandeling). Magnesium en silicium vormen samen fijne coherente Mg2Si-uitscheidingen die dislocaties effectief blokkeren.
Wat is het dominante verstevigingsmechanisme wanneer een fijn keramisch poeder (zoals TiB2) wordt toegevoegd aan een Al-Si smelt? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 26]
Korrelverfijning. Het keramische poeder fungeert als heterogene kiemplaatsen tijdens het stollen, wat leidt tot een zeer fijnkorrelige structuur met veel korrelgrenzen (Hall-Petch).
Al-Si legering: Toevoegen van 0,1% Natrium verschuift het eutecticum van 11,7% naar 14% Si. Welk verstevigingsmechanisme veroorzaakt dit? — [Zie: Toetsfoto Vraag 7 (Al-Si diagram)]
Korrelverfijning (veredeling). Grove, brosse siliciumnaalden veranderen in zeer fijne, afgeronde vezels en bolletjes, wat de taaiheid en sterkte sterk verhoogt.
Waarom worden Al-Si legeringen met circa 25% Si gebruikt voor gegoten motorzuigers? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 25]
Aluminium krimpt bij stollen en silicium zet uit; bij ca. 25% Si heffen deze effecten elkaar op, waardoor de gietlegering nagenoeg 0% slink vertoont en maatvast blijft.
Wat is het verschil tussen de toestandscoderingen T4 en T6 bij aluminium kneedlegeringen? — [Zie: Presentatie Deel 3 - Aluminium, Dia 20-22]
T4 is oplosgegloeid, afgeschrikt en natuurlijk verouderd bij kamertemperatuur; T6 is kunstmatig verouderd bij verhoogde temperatuur (130-190 °C) voor pieksterkte.
Waarom daalt de hardheid en sterkte bij 'oververoudering' (overageing) in de verouderingskromme? — [Zie: Presentatie Deel 3, Dia 22 (Verouderingskromme)]
Bij te lang of te heet verouderen vergroven de precipitaten (Ostwald-rijping) en verliezen ze hun coherentie; dislocaties kunnen er dan makkelijk omheen buigen via Orowan-lussen.
Welk verstevigingsmechanisme domineert in Mg-Zr legeringen en hoe werkt dit? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Mg, Dia 24]
Korrelverfijning. Zirkonium lost niet op in magnesium maar vormt extreem effectieve kiemplaatsen tijdens het stollen, wat leidt tot zeer fijne korrels.
Waarom behoudt Snelstaal (HSS) zijn hardheid tot 600 °C (roodhardheid) terwijl gewoon koolstofstaal zacht wordt? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 30]
HSS bevat sterke carbidevormers (W, Mo, V, Cr) die uiterst stabiele carbiden vormen via dispersieversteviging, die ook bij hoge temperaturen dislocaties blijven blokkeren.
Geef aan de hand van het Continu TTT-diagram van 22MnB5 de namen en betekenissen voor de afkortingen F, P, B en M. — [Zie: Toetsfoto Vraag 8 (Continu TTT 22MnB5)]
F = Ferriet (alfa-ijzer, KRG); P = Perliet (lamellair ferriet+cementiet); B = Bainiet (fijne naaldvormige fase); M = Martensiet (tetragonaal TRG-rooster gevormd onder Ms).
Profiel 11 in 22MnB5 is 200 HV (+25 HV per sneller profiel). Stel een warmtebehandeling voor om de sterkte te verdubbelen: geef temperatuur en curve. — [Zie: Toetsfoto Vraag 9]
Verwarmen tot 880-900 °C (boven Ac3 voor 100% KVG-austeniet) en afschrikken volgens profiel 3 (200 * 2 = 400 HV vereist 8 stappen: 11 - 8 = 3; afkoelsnelheid 40 °C/s).
Welke fase en welk kristalrooster ontstaat bij 22MnB5 op de hardingstemperatuur (> 850 °C) en na volledig afschrikken? — [Zie: Toetsfoto Vraag 10]
Op hardingstemperatuur: Austeniet (gamma-Fe) met een KVG-rooster (FCC). Na afschrikken: Martensiet met een tetragonaal TRG-rooster (BCT).
Omschrijf wat er in de microstructuur verandert tijdens het verhitten tot boven de Ac3-temperatuur (> 850 °C). — [Zie: Toetsfoto Vraag 11]
Het KRG-ferriet transformeert naar KVG-austeniet, cementiet lost volledig op en koolstof diffundeert homogeen door de tussenruimtes van het rooster.
Wat gebeurt er tijdens afschrikken vanaf Ac3 vergeleken met normaalgloeien en waarom is het hardheidsverschil zo groot? — [Zie: Toetsfoto Vraag 12]
Bij afschrikken ontbreekt diffusietijd, waardoor koolstof opgesloten raakt in keihard TRG-martensiet. Bij rustig normaalgloeien diffundeert koolstof wel, wat zacht ferriet en perliet oplevert.
Wat is volgens het 22MnB5 diagram de exacte betekenis en waarde van de Mf-temperatuur? — [Zie: Toetsfoto Vraag 8 & Voorbeeld MC-toets Vraag 1]
Mf is de Martensite Finish temperatuur bij exact 230 °C; hier is 100% van het austeniet diffusieloos omgezet in martensiet.
Wat zijn de exacte afkoelsnelheden van respectievelijk profiel 2 en profiel 11 in het 22MnB5 diagram? — [Zie: Voorbeeld MC-toets Tabel 'Cooling rate' / Toetsfoto Vraag 9]
Profiel 2 koelt af met 60 °C/s (snel afschrikken in water/olie), terwijl profiel 11 afkoelt met slechts 0,4 °C/s (rustig normaalgloeien in lucht).
Welke microstructuur ontstaat bij afkoelprofiel 6 van 22MnB5 lagerstaal en verklaar het ontstaan? — [Zie: Continu TTT-diagram 22MnB5, Toetsfoto Vraag 8]
Bainiet + Martensiet + (spoor) Ferriet. Curve 6 schampt bovenin rond 650 °C net de ferrietneus, vormt vervolgens overwegend bainiet en het restant austeniet klapt onder Ms om naar martensiet.
Welke microstructuur ontstaat bij afkoelprofiel 7 van 22MnB5 lagerstaal en verklaar dit fysisch? — [Zie: Continu TTT-diagram 22MnB5, Toetsfoto Vraag 8]
Ferriet + Bainiet. Curve 7 snijdt duidelijk door het ferrietgebied rond 650 °C (vorming primair ferriet) en transformeert daarna in het bainietgebied.
Waarom ontstaat bij afkoelprofiel 11 (0,4 °C/s) van 22MnB5 GEEN bainiet of martensiet, hoewel de lijn onder Ms daalt? — [Zie: Continu TTT-diagram 22MnB5]
Omdat het 'austeniet-budget' op is. Al het austeniet is boven 550 °C door trage koeling al 100% omgezet in ferriet en perliet, waardoor er onderin niets meer kan omklappen.
In het 22MnB5 diagram is profiel 11 = 200 HV (+25 HV per sneller profiel). Welk profiel levert een hardheid van 350 HV op? — [Zie: Continu TTT-diagram 22MnB5]
Afkoelprofiel 5. De vereiste toename is 350 - 200 = 150 HV, wat overeenkomt met 150 / 25 = 6 stappen sneller naar links (11 - 6 = 5; koelsnelheid 15 °C/s).
In een CCT-diagram van staal 42CrMo4 is profiel 8 = 220 HV (+35 HV per sneller profiel). Welk profiel levert 395 HV op? — [Zie: CCT-diagram Gelegeerd Constructiestaal]
Afkoelprofiel 3. De benodigde toename is 395 - 220 = 175 HV; dat zijn 175 / 35 = 5 stappen sneller naar links, dus profiel 8 - 5 = 3.
Wat is het fundamentele verschil tussen een isotherm TTT-diagram en een continu CCT-diagram qua afkoeltraject? — [Zie: Dictaat TTT en CCT Diagrammen, Paragraaf 2]
TTT beschrijft transformatie bij constante temperatuur na schoksgewijze afkoeling (horizontale lijnen); CCT beschrijft continue afkoeling langs schuine curven.
Waarom liggen de transformatieneuzen in een CCT-diagram lager in temperatuur en verder naar rechts in tijd dan in een TTT-diagram? — [Zie: Dictaat TTT en CCT]
Omdat bij continue afkoeling de temperatuur voortdurend daalt, waardoor diffusie en kiemvorming vertraging oplopen door onderkoeling.
Wat is het doel en de werkwijze van Martempering (Lijn 3 op Slide 23)? — [Zie: Presentatie Deel 2, Slide 23 (Warmtebehandelingen in TTT)]
Snel afkoelen tot net boven Ms, isotherm egaliseren om temperatuurverschillen op te heffen, en rustig doorkoelen; levert 100% martensiet op zonder scheuren of kromtrekken.
Wat is het doel en het resultaat van Austempering (Lijn 5 op Slide 23)? — [Zie: Presentatie Deel 2, Slide 23 (Warmtebehandelingen in TTT)]
Snel afkoelen tot ca. 350 °C en isotherm vasthouden in een zoutbad tot volledige transformatie; levert 100% taai bainiet op zonder dat ontlaten nodig is.
Wat is Patenteren (Lijn 6 op Slide 23) en voor welk industrieel product wordt dit toegepast? — [Zie: Presentatie Deel 2, Slide 23: Lijn 6]
Isotherm transformeren in een loodbad rond 550 °C bij de perlietneus; levert zeer fijn perliet (troostiet/sorbiet) op voor het koudtrekken van sterke kabel- en pianodraad.
Welke invloed hebben legeringselementen zoals Cr, Mo, Mn en Ni op de neuzen van het TTT-diagram? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 26]
Zij vertragen de diffusie van koolstof en verschuiven de neuzen naar rechts (langere tijden), wat leidt tot een lagere kritische afkoelsnelheid en betere doorharding.
Welk specifiek legeringselement vormt een uitzondering en verschuift de TTT-neus juist naar LINKS? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 26]
Kobalt (Co). Kobalt versnelt de diffusie van koolstof en de nucleatie van perliet, waardoor de neus naar links verschuift en afschrikken sneller moet gebeuren.
Waarom heeft fijn perliet (gevormd bij lagere temperatuur) een hogere treksterkte dan grof perliet? — [Zie: Presentatie Deel 2, Dia 14 & College-aantekeningen]
Fijn perliet heeft veel dunnere lamellen en dus veel meer fasegrensvlakken tussen ferriet en cementiet per volume-eenheid, die dislocaties sterker hinderen.
Wat is het percentage perliet in de normaalstructuur van 22MnB5 lagerstaal (0,22% C)? Pas de hefboomregel toe. — [Zie: Fe-C Fasediagram, Presentatie Deel 2, Dia 10 / Figuur 5.1]
Circa 28,6% perliet volgens de docentformule (0,22 / 0,77) of exact 26,5% via de hefboomregel: (0,22 - 0,022) / (0,77 - 0,022) * 100%.
Welke 5 verplichte kerngetallen (koolstofpercentages en temperaturen) moet je paraat kennen van het Fe-C diagram? — [Zie: Fe-C Fasediagram, Presentatie Deel 2, Dia 10]
0,022% C (max in ferriet), 0,77% C (eutectoïde), 2,11% C (max in austeniet / grens staal-gietijzer), 727 °C (A1-temperatuur) en de Ac3-temperatuur.
Bereken met de hefboomregel het percentage perliet in de normaalstructuur van constructiestaal C45 (0,45% C). — [Zie: Fe-C Fasediagram, Presentatie Deel 2, Dia 10]
Circa 58,4% perliet volgens de vereenvoudigde formule (0,45 / 0,77) of exact 57,2% via de hefboomregel: (0,45 - 0,022) / (0,77 - 0,022) * 100%.
Bereken met de hefboomregel het percentage perliet in de normaalstructuur van veredelingsstaal C60 (0,60% C). — [Zie: Fe-C Fasediagram, Presentatie Deel 2, Dia 10]
Circa 77,9% perliet volgens de vereenvoudigde formule (0,60 / 0,77) of exact 77,3% via de hefboomregel: (0,60 - 0,022) / (0,77 - 0,022) * 100%.
Bereken met de hefboomregel het percentage pro-eutectoïd ferriet in normaalgegloeid staal met 0,35% C. — [Zie: Fe-C Fasediagram, Presentatie Deel 2, Dia 10]
Circa 56,1% pro-eutectoïd ferriet via de hefboomregel: (0,77 - 0,35) / (0,77 - 0,022) * 100% = 56,1% (de rest, 43,9%, is perliet).
Waarom nemen de dichtheid en roosterconstante van zuiver ijzer sprongsgewijs toe bij 912 °C? — [Zie: Presentatie Deel 1, Dia 18 & Deel 2, Dia 6]
Bij 912 °C treedt de allotrope faseovergang op van KRG-ferriet (68% pakking) naar het dichter bolgestapelde KVG-austeniet (74% pakking).
Wat is de fysische betekenis van respectievelijk de A1, A2 en A3 overgangen bij staal? — [Zie: Fe-C Diagram, Presentatie Deel 2, Dia 10]
A1 (727 °C) is de eutectoïde perlietlijn; A2 (770 °C) is het Curie-punt (ferromagnetisch verlies); A3 is de scheidingslijn tussen tweefasig ferriet+austeniet en 100% austeniet.
Wat is het fundamentele verschil tussen een Eutecticum en een Eutectoïde reactie? — [Zie: Presentatie Deel 1, Dia 24 & Deel 2, Dia 10]
Een eutecticum stolt vanuit één vloeibare fase naar twee vaste fasen (L -> alfa + beta); een eutectoïde transformeert vanuit één vaste fase naar twee vaste fasen (gamma -> alfa + Fe3C).
Nodulair gietijzer (GJS): Welke vaste fasen kun je in dit materiaal aantreffen? — [Zie: Presentatie Deel 5 - Gietijzer, Dia 8-12]
Vrije grafiet (stabiele zuivere koolstof) en de matrixfasen ferriet (alfa-Fe, KRG) en cementiet (Fe3C in perliet).
Nodulair gietijzer (GJS): Welke combinaties van fasen kun je aantreffen in de microstructuur? — [Zie: Presentatie Deel 5 - Gietijzer, Dia 10-12]
Grafietbolletjes in een ferritische matrix (taai/ductiel), in een perlitische matrix (sterk/slijtvast), of in een gemengde ferritisch-perlitische matrix.
Wat is het fundamentele verschil tussen Wit gietijzer en Grijs gietijzer qua koolstofverschijningsvorm? — [Zie: Presentatie Deel 5 - Gietijzer, Dia 4-6]
In wit gietijzer is alle koolstof chemisch gebonden als hard metastabiel Cementiet (Fe3C); in grijs gietijzer is de koolstof aanwezig als stabiele vrije Grafiet.
Waarom heeft Lamellair gietijzer (GJL) een lage treksterkte en brosse breuk, maar een uitstekende demping? — [Zie: Presentatie Deel 5 - Gietijzer, Dia 7]
De scherpe grafietlamellen veroorzaken interne kerfwerking waardoor scheuren makkelijk ontstaan, maar deze lamellen absorberen trillingen uitstekend.
Welk mechanisme treedt op bij Messing (Cu-Zn) en wat is het verschil tussen alfa- en beta-messing? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Cu, Dia 8-12]
Oplosharding. Alfa-messing (<38% Zn) heeft een KVG-rooster en is uitstekend koud vervormbaar; beta-messing (>38% Zn) heeft een hard KRG-rooster dat alleen warm vervormd kan worden.
Waarom is Tin (Sn) in Brons veel effectiever in oplosharding dan Zink (Zn) in Messing? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Cu, Dia 14]
Het atoomstraalverschil tussen koper en tin is veel groter dan tussen koper en zink, wat leidt tot een veel sterker lokaal elastisch spanningsveld in het kristalrooster.
Welk dominant verstevigingsmechanisme treedt op bij Berylliumkoper (Cu-Be) en wat levert dit op? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Cu, Dia 16]
Precipitatieharding (uitscheiding van coherente CuBe2 deeltjes). Dit levert een extreem hoge treksterkte op tot 1400 MPa, vonkvrijheid en uitstekende veereigenschappen.
Wat is 'waterstofziekte' bij koper en hoe ontstaat dit fenomeen? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Cu, Dia 6]
Zuurstofhoudend koper (met Cu2O) verhit in H2-gas: waterstof diffundeert naar binnen en reageert tot waterdamp onder extreem hoge druk op de korrelgrenzen, wat leidt tot scheuren en verbrossing.
Waarom is zuiver magnesium bij kamertemperatuur zeer slecht koud te vervormen? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Mg, Dia 22]
Magnesium heeft een HDP-kristalrooster (HCP) met bij kamertemperatuur slechts 3 actieve glijvlakken, wat onvoldoende is voor plastische deformatie zonder scheurvorming.
Welke twee allotrope fasen kent zuiver Titanium en bij welke temperatuur treedt de overgang op? — [Zie: Presentatie Deel 4 - Ti, Dia 30]
Onder 882 °C: alfa-Titanium met een HDP-rooster; boven 882 °C: beta-Titanium met een KRG-rooster.
Waarom kan een tandwiel van staal C60 (0,60% C) direct vlam- of inductiegehard worden, terwijl staal C15 (0,15% C) gecarboneerd moet worden? — [Zie: Presentatie Deel 6, Dia 6-10]
Staal C60 bevat van zichzelf al voldoende koolstof (0,60% C) om na afschrikken hard martensiet te vormen; staal C15 heeft te weinig koolstof en moet eerst worden opgekoold.
Wat is het grote voordeel van Nitreren ten opzichte van Carboneren voor precisie-onderdelen? — [Zie: Presentatie Deel 6 - Selectief Harden, Dia 14-16]
Nitreren gebeurt bij lage temperatuur (500-550 °C) in het ferrietgebied zonder roostertransformatie of drastisch afschrikken, waardoor maatafwijking en kromtrekken nihil zijn.