1/111
Solidariteit: hoe mensen met elkaar verbonden zijn. Maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit: je omgeving beïnvloedt hoe je denkt en leeft. Ongelijkheid: niet iedereen heeft dezelfde kansen en middelen.
Wat zijn de drie thema's van sociologie? solidariteit, maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit en ongelijkheid?
Solidariteit: hoe mensen met elkaar verbonden zijn.
Maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit: je omgeving beïnvloedt hoe je denkt en leeft.
Ongelijkheid: niet iedereen heeft dezelfde kansen en middelen.
Armoede
Niet genoeg middelen hebben om goed in je basisbehoeften te voorzien en normaal mee te kunnen doen in de samenleving.
Sociale verbanden
De groepen en relaties waar je deel van uitmaakt, zoals familie, vrienden, school, werk en je buurt.
Sociologische verbeeldingskracht
Een persoonlijk probleem verbinden aan wat er in de samenleving speelt. Je kijkt dus niet alleen naar de persoon zelf, maar ook naar maatschappelijke oorzaken.
Gedrag
Wat mensen doen en hoe ze reageren. Sociologie kijkt vooral naar hoe dat gedrag wordt beïnvloed door andere mensen en de samenleving.
Sociale contacten
De contacten en relaties die je met andere mensen hebt.
Gedrag verklaren door patronen te herkennen
Kijken of bepaald gedrag of een probleem bij meerdere mensen voorkomt en onderzoeken welke maatschappelijke oorzaak daarachter kan zitten.
Sociale status: toegeschreven en verworven
Sociale status is je positie of aanzien in de samenleving.
Toegeschreven status krijg je zonder ervoor te kiezen, zoals leeftijd of afkomst.
Verworven status bereik je zelf, zoals student of sociaal werker worden.
Macht
De mogelijkheid om invloed te hebben op wat een ander doet of welke keuzes en mogelijkheden iemand heeft.
Preventie en vroegsignalering
Preventie is problemen proberen te voorkomen.
Vroegsignalering is problemen zo vroeg mogelijk herkennen voordat ze erger worden.
Diversiteit
De verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in leeftijd, afkomst, cultuur, gender, geloof, opleiding of beperking.
Positieve gezondheid
Gezondheid is meer dan alleen niet ziek zijn. Je kijkt ook naar bijvoorbeeld mentaal welzijn, meedoen, dagelijks functioneren en hoe iemand met problemen omgaat.
Sociale stabiliteit
Een samenleving waarin mensen redelijk veilig en verbonden met elkaar kunnen leven en waarin sociale problemen niet voortdurend tot grote onrust leiden.
Interactie
Mensen reageren op elkaar en beïnvloeden daardoor elkaars gedrag.
Rollen
Verwachtingen over hoe iemand zich hoort te gedragen vanuit een bepaalde positie, bijvoorbeeld als student, ouder of sociaal werker.
Attributen
Kenmerken waaraan een bepaalde sociale rol zichtbaar of herkenbaar kan zijn, zoals kleding of een uniform.
Rolovertreding
Je gedraagt je anders dan van jouw sociale rol verwacht wordt.
Rolconflict
Twee rollen die je tegelijk hebt botsen met elkaar, bijvoorbeeld student zijn en tegelijkertijd mantelzorger.
Rolpatronen
Vaste verwachtingen in de samenleving over hoe iemand met een bepaalde rol zich hoort te gedragen.
Stereotypen
Een simpel en algemeen beeld over een hele groep, terwijl niet iedereen uit die groep hetzelfde is.
Socialisatie: primair, secundair en tertiair
Socialisatie is leren hoe je je in de samenleving hoort te gedragen. Primair leer je vooral thuis, secundair via bijvoorbeeld school en vrienden en tertiair bij nieuwe levensfasen of rollen.
Rolsocialisatie
Het proces waarin je leert welk gedrag bij een bepaalde sociale rol hoort.
Waarden en normen
Waarden zijn dingen die je belangrijk vindt, zoals respect. Normen zijn gedragsregels die daaruit ontstaan, bijvoorbeeld iemand laten uitpraten.
Referentiekader
Alles wat je hebt geleerd en meegemaakt beïnvloedt hoe jij naar situaties kijkt en ze beoordeelt.
Die wordt gevormd door bijvoorbeeld je opvoeding, cultuur, ervaringen, waarden en normen.
Selectieve waarneming
Je merkt sommige dingen sneller op dan andere doordat je eigen ervaringen, verwachtingen en referentiekader beïnvloeden wat je ziet.
Cultuur
Gedeelde waarden, normen, gewoonten en ideeën van een groep die invloed hebben op wat mensen normaal of belangrijk vinden.
Sociale identiteit
Het deel van je identiteit dat ontstaat door de groepen waar je bij hoort, zoals je familie, cultuur, opleiding of vriendengroep.
Sociaal construct
Iets dat betekenis heeft gekregen doordat mensen in een samenleving samen hebben bepaald of geleerd dat het zo is.
Sociologische bril
Niet alleen naar één persoon kijken, maar ook naar de invloed van zijn omgeving, organisaties, regels en de samenleving.
Migratie
Voor langere tijd verhuizen van de ene plaats naar een andere plaats.
Push- en pullfactoren
Pushfactoren zijn redenen waardoor iemand ergens weg wil, zoals oorlog of armoede. Pullfactoren zijn redenen waardoor een andere plek aantrekkelijk is, zoals veiligheid of werk.
Gedwongen migratie
Migreren omdat omstandigheden het gevaarlijk of bijna onmogelijk maken om te blijven, bijvoorbeeld door oorlog of vervolging.
Vluchteling
Iemand die zijn land is ontvlucht vanwege gevaar of vervolging en bescherming heeft gekregen.
Arbeidsmigrant
Iemand die naar een ander land of gebied verhuist om daar te werken.
Binnenlandse migratie
Verhuizen naar een andere plaats binnen hetzelfde land.
Immigratie en emigratie
Immigratie betekent een land binnenkomen om er te wonen. Emigratie betekent uit een land vertrekken om ergens anders te wonen.
Asielzoeker
Iemand die in een ander land bescherming heeft aangevraagd en nog wacht op een beslissing.
Machtsmeerdere en machtsmindere
De machtsmeerdere heeft meer invloed of beslissingsmogelijkheden. De machtsmindere heeft minder invloed en is vaker afhankelijk.
Georganiseerde macht
Macht die vanuit een georganiseerde groep of instelling wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld door een gemeente, school of politie.
Machtsuitoefeningen: dwang, gezag, sancties en manipulatie
Dwang: iemand heeft weinig/geen keuze.
Gezag: mensen accepteren dat jij iets mag bepalen.
Sanctie: een gevolg op gedrag, zoals een straf of beloning.
Manipulatie: iemand beïnvloeden zonder daar helemaal open over te zijn.
Vijf machtsbronnen
Gelegitimeerd: macht door je functie.
Beloning: je kunt iets geven.
Bestraffing: je kunt straffen.
Expert: macht door kennis.
Referentie: macht omdat mensen je vertrouwen/bewonderen.
Verplichte hulpverlening en dwang bij hulpverlening
Hulp waarbij iemand niet volledig zelf kiest om mee te doen of waarbij iemand onder druk of verplichting hulp krijgt.
Macht volgens Max Weber
De mogelijkheid om je eigen wil door te zetten, ook als een ander dat niet wil.
Machtspositie en machtsmisbruik
Een machtspositie betekent dat je meer invloed hebt dan een ander. Machtsmisbruik betekent dat je die macht oneerlijk, schadelijk of onnodig gebruikt.
Collectiviteit
Mensen die samen optreden omdat ze hetzelfde belang, probleem of doel hebben.
Sociaal werker als mensenrechtenwerker
Een sociaal werker helpt mensen niet alleen met problemen, maar let ook op of mensen menswaardig worden behandeld en hun rechten kunnen gebruiken.
IVRK
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hierin staan speciale rechten voor kinderen, zoals bescherming, ontwikkeling, gehoord worden en het belang van het kind.
UVRM
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hierin staan basisrechten die voor ieder mens horen te gelden.
Intersectionaliteit
Verschillende kenmerken van een persoon werken tegelijk samen en kunnen samen bepalen hoeveel voordeel of nadeel iemand ervaart, bijvoorbeeld gender, afkomst en sociale klasse.
Intersekse conditie
Iemand wordt geboren met lichamelijke geslachtskenmerken die niet helemaal binnen de typische indeling mannelijk of vrouwelijk passen.
Wit privilege
Voordelen die witte mensen kunnen hebben doordat hun huidskleur in de samenleving minder vaak voor achterstelling of discriminatie zorgt.
Cisgender
Je genderidentiteit komt overeen met het geslacht dat bij je geboorte is geregistreerd.
Neurodivergentie, neurodiversiteit en neurotypisch
Neurodiversiteit betekent dat hersenen op verschillende manieren kunnen werken.
Neurodivergent betekent anders dan wat als
neurologisch typisch wordt gezien. Neurotypisch betekent dat het meer binnen het gebruikelijke patroon valt.
Femicide, misogynie en misogynoi
Femicide is het doden van vrouwen waarbij gender een rol speelt.
Misogynie is vrouwenhaat of sterke minachting voor vrouwen.
Misogynoir is een combinatie van vrouwenhaat en anti-zwart racisme tegen zwarte vrouwen.
Micro-agressie
Een kleine of subtiele opmerking of gedraging waardoor iemand vanwege zijn identiteit of achtergrond buitengesloten of minderwaardig kan worden behandeld.
Culturele toe-eigening
Iets uit een andere cultuur overnemen zonder genoeg respect of erkenning voor de betekenis en oorsprong ervan.
Dekolonisatie
Oude koloniale ideeën en machtsverschillen herkennen en proberen te veranderen.
Nature-nurture
Nature: wat je van nature meekrijgt door aanleg/biologie.
Nurture: wat je leert en ontwikkelt door opvoeding, omgeving en ervaringen.
Homogene en pluriforme samenleving
Homogeen: veel mensen lijken op elkaar qua cultuur en leefwijze.
Pluriform: er zijn juist veel verschillende groepen, culturen en leefwijzen.
Integratie en segregatie
Integratie: verschillende groepen leven samen en doen mee in dezelfde samenleving.
Segregatie: groepen leven juist grotendeels gescheiden van elkaar.
Discriminatie en racisme
Discriminatie is iemand ongelijk behandelen of uitsluiten vanwege een persoonskenmerk.
Racisme is discriminatie of ongelijkwaardigheid op basis van huidskleur, afkomst of vermeend ras.
Etnisch profileren
Iemand extra controleren of verdenken vanwege afkomst of huidskleur, zonder goede individuele reden.
Geïnstitutionaliseerde discriminatie
Discriminatie die in regels of werkwijzen van een organisatie zit, waardoor bepaalde groepen steeds worden benadeeld.
Vooroordelen
Een oordeel over iemand of een groep hebben voordat je genoeg informatie hebt.
Self-fulfilling prophecy
Een verwachting beïnvloedt hoe iemand wordt behandeld, waardoor die verwachting uiteindelijk echt lijkt uit te komen.
Diversiteitskenmerken
Kenmerken waarop mensen van elkaar kunnen verschillen, zoals leeftijd, gender, afkomst, geloof, beperking en sociale positie.
etniciteit
culturele/afkomstgroep waar je je mee verbonden voelt.
Beeldvorming
Het beeld dat mensen of de samenleving vormen over een persoon of groep.
Sekse en gender
Sekse gaat vooral over lichamelijke geslachtskenmerken. Gender gaat over identiteit en maatschappelijke ideeën en verwachtingen rond gender.
Masculiene en feminiene samenlevingen
In een masculiene samenleving ligt relatief veel nadruk op competitie, prestaties en succes. In een feminiene samenleving ligt meer nadruk op zorg, samenwerking en kwaliteit van leven.
Genderrollen
Verwachtingen vanuit de samenleving over hoe iemand zich vanwege zijn gender hoort te gedragen.
Feminisme en emancipatie
Feminisme: streven naar gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen.
Emancipatie: het proces waarbij een achtergestelde groep een gelijkwaardigere positie krijgt.
Genderdysforie
Sterke spanning of last die iemand kan ervaren doordat het geregistreerde geslacht of lichamelijke kenmerken niet passen bij de ervaren genderidentiteit.
Transgender
De genderidentiteit van iemand komt niet of niet volledig overeen met het geslacht dat bij geboorte is geregistreerd.
Non-binair
Iemand voelt zich niet uitsluitend man en ook niet uitsluitend vrouw.
Sociale stratificatie
De samenleving is verdeeld in verschillende maatschappelijke lagen die verschillen in bijvoorbeeld geld, status, macht en kansen.
Sociale positie
De plek die iemand in de samenleving inneemt, bijvoorbeeld op basis van opleiding, beroep, inkomen en maatschappelijke waardering.
Sociale ongelijkheid: economisch, inkomen en vermogen
Sociale ongelijkheid: kansen en middelen zijn niet gelijk verdeeld.
Economische ongelijkheid: verschillen in geld.
Inkomensongelijkheid: verschillen in wat mensen verdienen/ontvangen.
Vermogensongelijkheid: verschillen in wat mensen bezitten min schulden.
Sociale mobiliteit
Veranderen van maatschappelijke positie, bijvoorbeeld hoger of lager op de maatschappelijke ladder terechtkomen.
Sociaal en economisch kapitaal
Sociaal kapitaal is je netwerk en de kansen die daaruit komen. Economisch kapitaal is je geld en bezit.
Polarisatie
Groepen komen steeds sterker tegenover elkaar te staan waardoor het wij-zij-denken groter wordt.
Segregatie: sociaal, ruimtelijk en rassensegregatie
Segregatie → Groepen zijn van elkaar gescheiden.
Sociaal: groepen hebben weinig contact met elkaar.
Ruimtelijk: groepen wonen vooral apart van elkaar.
Rassensegregatie: groepen worden gescheiden op basis van huidskleur of afkomst.
Standen en sociale klasse
Bij standen werd je maatschappelijke positie vroeger sterk door geboorte bepaald.
Sociale klasse gaat om groepen met ongeveer dezelfde economische en maatschappelijke positie.
Maatschappelijke scheidslijnen
Diepe verschillen tussen groepen die mensen in de samenleving van elkaar kunnen scheiden, zoals arm-rijk of hoog-laagopgeleid.
Gentrificatie
Een goedkopere wijk wordt aantrekkelijk voor rijkere bewoners, waardoor prijzen stijgen en oorspronkelijke bewoners soms niet meer in de wijk kunnen blijven.
Sociale uitsluiting
Niet volledig mee kunnen doen aan het sociale, economische of culturele leven van de samenleving.
Sociale gelijkheid
Mensen hebben een gelijkwaardige positie en eerlijke toegang tot kansen, rechten en voorzieningen.
Materiële deprivatie
Noodzakelijke spullen of voorzieningen niet kunnen betalen door geldgebrek.
Armoedegrens
en inkomensgrens waarmee wordt bepaald of iemand financieel als arm wordt gezien.
Criteria om armoede vast te stellen: subjectief, absoluut, relatief en administratie
Subjectief: hoe iemand zelf zijn situatie ervaart.
Absoluut: basisbehoeften niet kunnen betalen.
Relatief: veel minder inkomen hebben dan de meeste mensen.
Administratief: gebruikmaken van hulp zoals bijstand, schuldhulp of voedselbank.
Kansenongelijkheid
Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om bijvoorbeeld goed onderwijs, werk, zorg of huisvesting te krijgen.
Mattheuseffect
Mensen die al voordeel hebben, krijgen vaak nóg meer voordeel, terwijl mensen met minder middelen achterblijven.
Sociale wetgeving en sociale zekerheid
Sociale wetgeving: wetten die burgers sociaal en financieel beschermen.
Sociale zekerheid: regelingen en uitkeringen die als vangnet dienen bij bijvoorbeeld werkloosheid, ziekte of ouderdom.
Vier functies van de verzorgingsstaat
Verzorgend: zorg en voorzieningen bieden.
Verzekerend: beschermen bij risico’s zoals ziekte of werkloosheid.
Verdelend: inkomen herverdelen om verschillen kleiner te maken.
Verbindend: solidariteit en sociale samenhang bevorderen.
Solidariteit
Mensen voelen verantwoordelijkheid voor elkaar en zijn bereid hulp, lasten en risico's met elkaar te delen.
Bestaanszekerheid
Genoeg zekerheid hebben over basiszaken zoals inkomen, wonen, voeding, energie en zorg om menswaardig te kunnen leven.
Leefwereld en systeemwereld
De leefwereld is het dagelijkse leven zoals iemand het zelf ervaart. De systeemwereld bestaat uit regels, procedures, wetten en organisaties.
Participatiesamenleving
Een samenleving waarin burgers meer zelf en met hun eigen netwerk moeten oplossen en waarin de overheid minder automatisch alles overneemt.
Kinderwetje van Van Houten
Wet uit 1874 die fabrieksarbeid voor kinderen onder de 12 verbood.
Sociale voorzieningen
Regelingen en hulp van de overheid die mensen ondersteunen wanneer zij onvoldoende zelf kunnen rondkomen of meedoen.