Wat zijn de drie thema's van sociologie? solidariteit, maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit en ongelijkheid?

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/111

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Solidariteit: hoe mensen met elkaar verbonden zijn. Maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit: je omgeving beïnvloedt hoe je denkt en leeft. Ongelijkheid: niet iedereen heeft dezelfde kansen en middelen.

112 Terms

1
New cards

Wat zijn de drie thema's van sociologie? solidariteit, maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit en ongelijkheid?

Solidariteit: hoe mensen met elkaar verbonden zijn.

Maatschappelijke omstandigheden & mentaliteit: je omgeving beïnvloedt hoe je denkt en leeft.

Ongelijkheid: niet iedereen heeft dezelfde kansen en middelen.

2
New cards

Armoede

Niet genoeg middelen hebben om goed in je basisbehoeften te voorzien en normaal mee te kunnen doen in de samenleving.

3
New cards

Sociale verbanden

De groepen en relaties waar je deel van uitmaakt, zoals familie, vrienden, school, werk en je buurt.

4
New cards

Sociologische verbeeldingskracht

Een persoonlijk probleem verbinden aan wat er in de samenleving speelt. Je kijkt dus niet alleen naar de persoon zelf, maar ook naar maatschappelijke oorzaken.

5
New cards

Gedrag

Wat mensen doen en hoe ze reageren. Sociologie kijkt vooral naar hoe dat gedrag wordt beïnvloed door andere mensen en de samenleving.

6
New cards

Sociale contacten

De contacten en relaties die je met andere mensen hebt.

7
New cards

Gedrag verklaren door patronen te herkennen

Kijken of bepaald gedrag of een probleem bij meerdere mensen voorkomt en onderzoeken welke maatschappelijke oorzaak daarachter kan zitten.

8
New cards

Sociale status: toegeschreven en verworven

Sociale status is je positie of aanzien in de samenleving.

Toegeschreven status krijg je zonder ervoor te kiezen, zoals leeftijd of afkomst.

Verworven status bereik je zelf, zoals student of sociaal werker worden.

9
New cards

Macht

De mogelijkheid om invloed te hebben op wat een ander doet of welke keuzes en mogelijkheden iemand heeft.

10
New cards

Preventie en vroegsignalering

Preventie is problemen proberen te voorkomen.

Vroegsignalering is problemen zo vroeg mogelijk herkennen voordat ze erger worden.

11
New cards

Diversiteit

De verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in leeftijd, afkomst, cultuur, gender, geloof, opleiding of beperking.

12
New cards

Positieve gezondheid

Gezondheid is meer dan alleen niet ziek zijn. Je kijkt ook naar bijvoorbeeld mentaal welzijn, meedoen, dagelijks functioneren en hoe iemand met problemen omgaat.

13
New cards

Sociale stabiliteit

Een samenleving waarin mensen redelijk veilig en verbonden met elkaar kunnen leven en waarin sociale problemen niet voortdurend tot grote onrust leiden.

14
New cards

Interactie

Mensen reageren op elkaar en beïnvloeden daardoor elkaars gedrag.

15
New cards

Rollen

Verwachtingen over hoe iemand zich hoort te gedragen vanuit een bepaalde positie, bijvoorbeeld als student, ouder of sociaal werker.

16
New cards

Attributen

Kenmerken waaraan een bepaalde sociale rol zichtbaar of herkenbaar kan zijn, zoals kleding of een uniform.

17
New cards

Rolovertreding

Je gedraagt je anders dan van jouw sociale rol verwacht wordt.

18
New cards

Rolconflict

Twee rollen die je tegelijk hebt botsen met elkaar, bijvoorbeeld student zijn en tegelijkertijd mantelzorger.

19
New cards

Rolpatronen

Vaste verwachtingen in de samenleving over hoe iemand met een bepaalde rol zich hoort te gedragen.

20
New cards

Stereotypen

Een simpel en algemeen beeld over een hele groep, terwijl niet iedereen uit die groep hetzelfde is.

21
New cards

Socialisatie: primair, secundair en tertiair

Socialisatie is leren hoe je je in de samenleving hoort te gedragen. Primair leer je vooral thuis, secundair via bijvoorbeeld school en vrienden en tertiair bij nieuwe levensfasen of rollen.

22
New cards

Rolsocialisatie

Het proces waarin je leert welk gedrag bij een bepaalde sociale rol hoort.

23
New cards

Waarden en normen

Waarden zijn dingen die je belangrijk vindt, zoals respect. Normen zijn gedragsregels die daaruit ontstaan, bijvoorbeeld iemand laten uitpraten.

24
New cards

Referentiekader

Alles wat je hebt geleerd en meegemaakt beïnvloedt hoe jij naar situaties kijkt en ze beoordeelt.

Die wordt gevormd door bijvoorbeeld je opvoeding, cultuur, ervaringen, waarden en normen.

25
New cards

Selectieve waarneming

Je merkt sommige dingen sneller op dan andere doordat je eigen ervaringen, verwachtingen en referentiekader beïnvloeden wat je ziet.

26
New cards

Cultuur

Gedeelde waarden, normen, gewoonten en ideeën van een groep die invloed hebben op wat mensen normaal of belangrijk vinden.

27
New cards

Sociale identiteit

Het deel van je identiteit dat ontstaat door de groepen waar je bij hoort, zoals je familie, cultuur, opleiding of vriendengroep.

28
New cards

Sociaal construct

Iets dat betekenis heeft gekregen doordat mensen in een samenleving samen hebben bepaald of geleerd dat het zo is.

29
New cards

Sociologische bril

Niet alleen naar één persoon kijken, maar ook naar de invloed van zijn omgeving, organisaties, regels en de samenleving.

30
New cards

Migratie

Voor langere tijd verhuizen van de ene plaats naar een andere plaats.

31
New cards

Push- en pullfactoren

Pushfactoren zijn redenen waardoor iemand ergens weg wil, zoals oorlog of armoede. Pullfactoren zijn redenen waardoor een andere plek aantrekkelijk is, zoals veiligheid of werk.

32
New cards

Gedwongen migratie

Migreren omdat omstandigheden het gevaarlijk of bijna onmogelijk maken om te blijven, bijvoorbeeld door oorlog of vervolging.

33
New cards

Vluchteling

Iemand die zijn land is ontvlucht vanwege gevaar of vervolging en bescherming heeft gekregen.

34
New cards

Arbeidsmigrant

Iemand die naar een ander land of gebied verhuist om daar te werken.

35
New cards

Binnenlandse migratie

Verhuizen naar een andere plaats binnen hetzelfde land.

36
New cards

Immigratie en emigratie

Immigratie betekent een land binnenkomen om er te wonen. Emigratie betekent uit een land vertrekken om ergens anders te wonen.

37
New cards

Asielzoeker

Iemand die in een ander land bescherming heeft aangevraagd en nog wacht op een beslissing.

38
New cards

Machtsmeerdere en machtsmindere

De machtsmeerdere heeft meer invloed of beslissingsmogelijkheden. De machtsmindere heeft minder invloed en is vaker afhankelijk.

39
New cards

Georganiseerde macht

Macht die vanuit een georganiseerde groep of instelling wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld door een gemeente, school of politie.

40
New cards

Machtsuitoefeningen: dwang, gezag, sancties en manipulatie

Dwang: iemand heeft weinig/geen keuze.

Gezag: mensen accepteren dat jij iets mag bepalen.

Sanctie: een gevolg op gedrag, zoals een straf of beloning.

Manipulatie: iemand beïnvloeden zonder daar helemaal open over te zijn.


41
New cards

Vijf machtsbronnen

Gelegitimeerd: macht door je functie.

Beloning: je kunt iets geven.

Bestraffing: je kunt straffen.

Expert: macht door kennis.

Referentie: macht omdat mensen je vertrouwen/bewonderen.


42
New cards

Verplichte hulpverlening en dwang bij hulpverlening

Hulp waarbij iemand niet volledig zelf kiest om mee te doen of waarbij iemand onder druk of verplichting hulp krijgt.

43
New cards

Macht volgens Max Weber

De mogelijkheid om je eigen wil door te zetten, ook als een ander dat niet wil.

44
New cards

Machtspositie en machtsmisbruik

Een machtspositie betekent dat je meer invloed hebt dan een ander. Machtsmisbruik betekent dat je die macht oneerlijk, schadelijk of onnodig gebruikt.

45
New cards

Collectiviteit

Mensen die samen optreden omdat ze hetzelfde belang, probleem of doel hebben.

46
New cards

Sociaal werker als mensenrechtenwerker

Een sociaal werker helpt mensen niet alleen met problemen, maar let ook op of mensen menswaardig worden behandeld en hun rechten kunnen gebruiken.

47
New cards

IVRK

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hierin staan speciale rechten voor kinderen, zoals bescherming, ontwikkeling, gehoord worden en het belang van het kind.

48
New cards

UVRM

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hierin staan basisrechten die voor ieder mens horen te gelden.

49
New cards

Intersectionaliteit

Verschillende kenmerken van een persoon werken tegelijk samen en kunnen samen bepalen hoeveel voordeel of nadeel iemand ervaart, bijvoorbeeld gender, afkomst en sociale klasse.

50
New cards

Intersekse conditie

Iemand wordt geboren met lichamelijke geslachtskenmerken die niet helemaal binnen de typische indeling mannelijk of vrouwelijk passen.

51
New cards

Wit privilege

Voordelen die witte mensen kunnen hebben doordat hun huidskleur in de samenleving minder vaak voor achterstelling of discriminatie zorgt.

52
New cards

Cisgender

Je genderidentiteit komt overeen met het geslacht dat bij je geboorte is geregistreerd.

53
New cards

Neurodivergentie, neurodiversiteit en neurotypisch

Neurodiversiteit betekent dat hersenen op verschillende manieren kunnen werken.

Neurodivergent betekent anders dan wat als

neurologisch typisch wordt gezien. Neurotypisch betekent dat het meer binnen het gebruikelijke patroon valt.

54
New cards

Femicide, misogynie en misogynoi

Femicide is het doden van vrouwen waarbij gender een rol speelt.

Misogynie is vrouwenhaat of sterke minachting voor vrouwen.

Misogynoir is een combinatie van vrouwenhaat en anti-zwart racisme tegen zwarte vrouwen.

55
New cards

Micro-agressie

Een kleine of subtiele opmerking of gedraging waardoor iemand vanwege zijn identiteit of achtergrond buitengesloten of minderwaardig kan worden behandeld.

56
New cards

Culturele toe-eigening

Iets uit een andere cultuur overnemen zonder genoeg respect of erkenning voor de betekenis en oorsprong ervan.

57
New cards

Dekolonisatie

Oude koloniale ideeën en machtsverschillen herkennen en proberen te veranderen.

58
New cards

Nature-nurture

Nature: wat je van nature meekrijgt door aanleg/biologie.


Nurture: wat je leert en ontwikkelt door opvoeding, omgeving en ervaringen.

59
New cards

Homogene en pluriforme samenleving

Homogeen: veel mensen lijken op elkaar qua cultuur en leefwijze.
Pluriform: er zijn juist veel verschillende groepen, culturen en leefwijzen.

60
New cards

Integratie en segregatie

Integratie: verschillende groepen leven samen en doen mee in dezelfde samenleving.


Segregatie: groepen leven juist grotendeels gescheiden van elkaar.

61
New cards

Discriminatie en racisme

Discriminatie is iemand ongelijk behandelen of uitsluiten vanwege een persoonskenmerk.

Racisme is discriminatie of ongelijkwaardigheid op basis van huidskleur, afkomst of vermeend ras.

62
New cards

Etnisch profileren

Iemand extra controleren of verdenken vanwege afkomst of huidskleur, zonder goede individuele reden.

63
New cards

Geïnstitutionaliseerde discriminatie

Discriminatie die in regels of werkwijzen van een organisatie zit, waardoor bepaalde groepen steeds worden benadeeld.

64
New cards

Vooroordelen

Een oordeel over iemand of een groep hebben voordat je genoeg informatie hebt.

65
New cards

Self-fulfilling prophecy

Een verwachting beïnvloedt hoe iemand wordt behandeld, waardoor die verwachting uiteindelijk echt lijkt uit te komen.

66
New cards

Diversiteitskenmerken

Kenmerken waarop mensen van elkaar kunnen verschillen, zoals leeftijd, gender, afkomst, geloof, beperking en sociale positie.

67
New cards

etniciteit

culturele/afkomstgroep waar je je mee verbonden voelt.

68
New cards

Beeldvorming

Het beeld dat mensen of de samenleving vormen over een persoon of groep.

69
New cards

Sekse en gender

Sekse gaat vooral over lichamelijke geslachtskenmerken. Gender gaat over identiteit en maatschappelijke ideeën en verwachtingen rond gender.

70
New cards

Masculiene en feminiene samenlevingen

In een masculiene samenleving ligt relatief veel nadruk op competitie, prestaties en succes. In een feminiene samenleving ligt meer nadruk op zorg, samenwerking en kwaliteit van leven.

71
New cards

Genderrollen

Verwachtingen vanuit de samenleving over hoe iemand zich vanwege zijn gender hoort te gedragen.

72
New cards

Feminisme en emancipatie

Feminisme: streven naar gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen.


Emancipatie: het proces waarbij een achtergestelde groep een gelijkwaardigere positie krijgt.

73
New cards

Genderdysforie

Sterke spanning of last die iemand kan ervaren doordat het geregistreerde geslacht of lichamelijke kenmerken niet passen bij de ervaren genderidentiteit.

74
New cards

Transgender

De genderidentiteit van iemand komt niet of niet volledig overeen met het geslacht dat bij geboorte is geregistreerd.

75
New cards

Non-binair

Iemand voelt zich niet uitsluitend man en ook niet uitsluitend vrouw.

76
New cards

Sociale stratificatie

De samenleving is verdeeld in verschillende maatschappelijke lagen die verschillen in bijvoorbeeld geld, status, macht en kansen.

77
New cards

Sociale positie

De plek die iemand in de samenleving inneemt, bijvoorbeeld op basis van opleiding, beroep, inkomen en maatschappelijke waardering.

78
New cards

Sociale ongelijkheid: economisch, inkomen en vermogen

Sociale ongelijkheid: kansen en middelen zijn niet gelijk verdeeld.
Economische ongelijkheid: verschillen in geld.
Inkomensongelijkheid: verschillen in wat mensen verdienen/ontvangen.
Vermogensongelijkheid: verschillen in wat mensen bezitten min schulden.

79
New cards

Sociale mobiliteit

Veranderen van maatschappelijke positie, bijvoorbeeld hoger of lager op de maatschappelijke ladder terechtkomen.

80
New cards

Sociaal en economisch kapitaal

Sociaal kapitaal is je netwerk en de kansen die daaruit komen. Economisch kapitaal is je geld en bezit.

81
New cards

Polarisatie

Groepen komen steeds sterker tegenover elkaar te staan waardoor het wij-zij-denken groter wordt.

82
New cards

Segregatie: sociaal, ruimtelijk en rassensegregatie

Segregatie → Groepen zijn van elkaar gescheiden.
Sociaal: groepen hebben weinig contact met elkaar.
Ruimtelijk: groepen wonen vooral apart van elkaar.
Rassensegregatie: groepen worden gescheiden op basis van huidskleur of afkomst.

83
New cards

Standen en sociale klasse

Bij standen werd je maatschappelijke positie vroeger sterk door geboorte bepaald.

Sociale klasse gaat om groepen met ongeveer dezelfde economische en maatschappelijke positie.

84
New cards

Maatschappelijke scheidslijnen

Diepe verschillen tussen groepen die mensen in de samenleving van elkaar kunnen scheiden, zoals arm-rijk of hoog-laagopgeleid.

85
New cards

Gentrificatie

Een goedkopere wijk wordt aantrekkelijk voor rijkere bewoners, waardoor prijzen stijgen en oorspronkelijke bewoners soms niet meer in de wijk kunnen blijven.

86
New cards

Sociale uitsluiting

Niet volledig mee kunnen doen aan het sociale, economische of culturele leven van de samenleving.

87
New cards

Sociale gelijkheid

Mensen hebben een gelijkwaardige positie en eerlijke toegang tot kansen, rechten en voorzieningen.

88
New cards

Materiële deprivatie

Noodzakelijke spullen of voorzieningen niet kunnen betalen door geldgebrek.

89
New cards

Armoedegrens

en inkomensgrens waarmee wordt bepaald of iemand financieel als arm wordt gezien.

90
New cards

Criteria om armoede vast te stellen: subjectief, absoluut, relatief en administratie

Subjectief: hoe iemand zelf zijn situatie ervaart.
Absoluut: basisbehoeften niet kunnen betalen.
Relatief: veel minder inkomen hebben dan de meeste mensen.
Administratief: gebruikmaken van hulp zoals bijstand, schuldhulp of voedselbank.

91
New cards

Kansenongelijkheid

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om bijvoorbeeld goed onderwijs, werk, zorg of huisvesting te krijgen.

92
New cards

Mattheuseffect

Mensen die al voordeel hebben, krijgen vaak nóg meer voordeel, terwijl mensen met minder middelen achterblijven.

93
New cards

Sociale wetgeving en sociale zekerheid

Sociale wetgeving: wetten die burgers sociaal en financieel beschermen.


Sociale zekerheid: regelingen en uitkeringen die als vangnet dienen bij bijvoorbeeld werkloosheid, ziekte of ouderdom.

94
New cards

Vier functies van de verzorgingsstaat

Verzorgend: zorg en voorzieningen bieden.
Verzekerend: beschermen bij risico’s zoals ziekte of werkloosheid.
Verdelend: inkomen herverdelen om verschillen kleiner te maken.
Verbindend: solidariteit en sociale samenhang bevorderen.

95
New cards

Solidariteit

Mensen voelen verantwoordelijkheid voor elkaar en zijn bereid hulp, lasten en risico's met elkaar te delen.

96
New cards

Bestaanszekerheid

Genoeg zekerheid hebben over basiszaken zoals inkomen, wonen, voeding, energie en zorg om menswaardig te kunnen leven.

97
New cards

Leefwereld en systeemwereld

De leefwereld is het dagelijkse leven zoals iemand het zelf ervaart. De systeemwereld bestaat uit regels, procedures, wetten en organisaties.

98
New cards

Participatiesamenleving

Een samenleving waarin burgers meer zelf en met hun eigen netwerk moeten oplossen en waarin de overheid minder automatisch alles overneemt.

99
New cards

Kinderwetje van Van Houten

Wet uit 1874 die fabrieksarbeid voor kinderen onder de 12 verbood.

100
New cards

Sociale voorzieningen

Regelingen en hulp van de overheid die mensen ondersteunen wanneer zij onvoldoende zelf kunnen rondkomen of meedoen.