1/48
Flashcards voor de inleidende cursus economie over samenwerking, schaarste, economische scholen, vraag en aanbod, elasticiteit en welvaartseconomie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Absoluut voordeel
De situatie waarin een producent een goed of dienst kan vervaardigen met minder middelen of tijd (een hogere productiviteit) dan een andere producent.
Comparatief voordeel
De situatie waarin een producent een goed kan produceren tegen een lagere opportuniteitskost dan een andere producent; vormt de basis voor wederzijds voordelige specialisatie en handel.
David Ricardo
Klassiek econoom die in zijn werk Principles of Political Economy and Taxation (1817) het principe van comparatief voordeel introduceerde als verklaring voor de baten van internationale handel.
Doughnut-economie
Economisch raamwerk ontwikkeld door Kate Raworth waarin economische activiteit moet plaatsvinden tussen een sociaal fundament van menselijke basisbehoeften en een ecologisch plafond van planetaire grenzen.

Schaarste
De toestand waarin de mogelijke aanwendingen en verlangens de beschikbaarheid van een middel overstijgen; schaarste is relatief en betekent niet hetzelfde als zeldzaamheid.
Opportuniteitskost
De niet-gerealiseerde opbrengst of waarde van het best mogelijke alternatief dat men opgeeft wanneer men een bepaalde keuze maakt.
Marginaal denken
Het afwegen van marginale opbrengsten tegen marginale kosten bij kleine, incrementele veranderingen aan een plan, waarbij kosten uit het verleden (bygones) buiten beschouwing worden gelaten.
Ceteris paribus
Een centrale aanname in economische analyses die inhoudt dat alle overige relevante factoren en omstandigheden onveranderd blijven.
Productiemogelijkhedengrens
Een curve die alle mogelijke maximale combinaties van output weergeeft die een economie kan realiseren bij gegeven productiefactoren en productietechnologie.
Pareto-efficiëntie
Een toestand op de productiemogelijkhedengrens waarbij het onmogelijk is om van één goed meer te produceren zonder de productie van een ander goed te verminderen.
Economische kringloop
Een visueel model dat toont hoe reële stromen van goederen, diensten en productiefactoren en de bijbehorende geldstromen circuleren tussen gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland via markten.
Onzichtbare hand
Het mechanisme van Adam Smith (The Wealth of Nations, 1776) waarbij individuen die op vrije markten hun eigenbelang nastreven, onbedoeld bijdragen aan het maatschappelijk welzijn en de welvaart.
Wet van Say
Het klassieke principe van Jean-Baptiste Say (1803) dat stelt dat elk aanbod zijn eigen vraag schept, waardoor algemene overproductiecrisissen volgens deze theorie niet van binnenuit ontstaan.
Homo economicus
De neoklassieke hypothese van een rationele actor met autonome preferenties die met perfecte informatie streeft naar nutsmaximalisatie (als consument) of winstmaximalisatie (als producent).
Asymmetrische informatie
Een marktsituatie waarin één partij bij een transactie over meer of betere informatie beschikt dan de tegenpartij, geanalyseerd door George Akerlof in The Market for Lemons (1970).
Averechtse selectie (adverse selection)
Het probleem vóór het afsluiten van een transactie waarbij asymmetrische informatie leidt tot het aantrekken van ongewenste marktpartijen of producten van lage kwaliteit.
Moreel wangedrag (moral hazard)
Een gedragsverandering na het sluiten van een overeenkomst waarbij een partij meer risico neemt ten koste van de tegenpartij, omdat de gevolgen van dat risico zijn afgewenteld.
Creatieve destructie
Het door Joseph Schumpeter geïntroduceerde concept dat de continue vernieuwing van het kapitalisme beschrijft, waarbij technologische innovaties bestaande technologieën en bedrijven overbodig maken.
Instituties
De formele regels (wetten, eigendomsrechten) en informele normen en gebruiken in een samenleving die het economische handelen structureren (volgens Douglass North).
Beperkte rationaliteit (bounded rationality)
Het concept van Herbert Simon dat stelt dat besluitvormers door cognitieve beperkingen, tijdgebrek en imperfecte informatie niet optimaliseren, maar heuristieken gebruiken om tot besluiten te komen die 'goed genoeg' zijn.
Systeem 1 en Systeem 2
Het denkmodel van Daniel Kahneman en Amos Tversky: Systeem 1 werkt snel, onbewust, automatisch en foutgevoelig; Systeem 2 functioneert traag, bewust, inspannend, analytisch en betrouwbaar.
Prospecttheorie
Gedragseconomische theorie (Kahneman & Tversky) die stelt dat mensen keuzes evalueren ten opzichte van een referentiepunt, waarbij verliezen zwaarder wegen dan even grote winsten (verliesaversie).

Nudging
Een gedragseconomische interventie van Richard Thaler waarbij de keuzearchitectuur zachtjes wordt gestuurd naar wenselijk gedrag zonder alternatieven uit te sluiten of financiële prikkels fundamenteel te veranderen.
Neoliberalisme
Stroming (geassocieerd met Milton Friedman) die streeft naar maximale economische vrijheid, privatisering van publieke diensten, deregulering, lage belastingen en een minimale overheid.
Wet van de vraag
Het economische principe dat stelt dat, ceteris paribus, de gevraagde hoeveelheid van een goed daalt wanneer de prijs van dat goed stijgt.
Substitutiegoederen
Goederen die in de behoeftebevrediging onderling verwisselbaar zijn; een prijsstijging van het ene goed leidt tot een toename van de vraag naar het andere goed (εAB>0).
Complementaire goederen
Goederen die samen worden geconsumeerd; een prijsstijging van het ene goed leidt tot een daling van de vraag naar het andere goed (εAB<0).
Normale goederen
Goederen waarvan de gevraagde hoeveelheid stijgt wanneer het inkomen van de consument toeneemt (εy>0).
Inferieure goederen
Goederen waarvan de gevraagde hoeveelheid daalt wanneer het inkomen van de consument toeneemt (εy<0).
Wet van het aanbod
Het economische principe dat stelt dat, ceteris paribus, de aangeboden hoeveelheid van een goed toeneemt naarmate de marktprijs stijgt.
Marktevenwicht
De toestand waarbij de marktprijs een niveau bereikt waarop de gevraagde hoeveelheid exact gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid (QV=QA).
Aanbodsurplus
De situatie waarin de actuele prijs boven de evenwichtsprijs ligt (P>Pe), wat leidt tot een overschot aan aangeboden goederen en een neerwaartse druk op de prijs.
Vraagoverschot
De situatie waarin de actuele prijs onder de evenwichtsprijs ligt (P<Pe), waardoor er een tekort ontstaat en kopers tegen elkaar opbieden, wat de prijs omhoog stuwt.
Wet van Davenant-King
Het economische verschijnsel dat bij goederen met een inelastische vraag en aanbod een grote oogst of toename van het aanbod leidt tot een sterke prijsdaling en een daling van de totale omzet.
Prijselasticiteit van de vraag (EPV)
De procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid als gevolg van een verandering van de prijs met één procent: EPV=%ΔP%ΔQ.
Middelpuntmethode (boogelasticiteit)
Methode om de elasticiteit tussen twee punten te berekenen door veranderingen te delen door het gemiddelde van begin- en eindwaarden: EPV=(P0+P1)/2P1−P0(Q0+Q1)/2Q1−Q0.
Inelastische vraag
Een vraag waarbij de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid kleiner is dan de relatieve prijsverandering (−1<EPV<0); een prijsstijging doet hier de totale omzet stijgen.
Elastische vraag
Een vraag waarbij de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid groter is dan de relatieve prijsverandering (EPV<−1); een prijsstijging doet hier de totale omzet dalen.
Veblen-effect
De uitzonderingssituatie op de wet van de vraag waarbij een prijsstijging leidt tot een hogere gevraagde hoeveelheid (EPV>0) wegens het statussymboolkarakter van het luxegoed.
Inkomenselasticiteit van de vraag (εy)
De procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid van een goed als reactie op een verandering van het inkomen met één procent: εy=%ΔY%ΔQ.
Wet van Engel
Het empirische gegeven dat bij een stijging van het inkomen het aandeel van de uitgaven aan voeding in het totale budget afneemt, ondanks mogelijke absolute stijgingen.
Kruisprijselasticiteit van de vraag (εAB)
De maatstaf voor de gevoeligheid van de vraag naar goed A bij een prijswijziging van goed B: εAB=%ΔPB%ΔQA.
Spinnenwebtheorema
Een economisch model dat cyclische prijsschommelingen verklaart doordat het marktaanbod op korte termijn inelastisch is en producenten hun aanbod afstemmen op prijzen uit het voorgaande seizoen.
Welvaartseconomie
De tak binnen de economische wetenschap die onderzoekt hoe de toewijzing van schaarse middelen de algehele maatschappelijke welvaart en het welzijn beïnvloedt.
Bereidheid tot betalen
Het maximale geldbedrag dat een koper wil opofferen voor een eenheid van een goed of dienst; weerspiegelt de subjectieve waardering van de koper.
Consumentensurplus
Het totale voordeel voor de koper, berekend als de bereidheid tot betalen min het werkelijk betaalde bedrag; grafisch het gebied onder de vraagcurve en boven de marktprijs.
Producentensurplus
Het totale voordeel voor de verkoper, berekend als de ontvangen marktprijs min de marginale productiekosten; grafisch het gebied boven de aanbodcurve en onder de marktprijs.
Totale surplus
De som van het consumentensurplus en het producentensurplus (Totale surplus=Waarde voor kopers−Kost voor verkopers); bereikt zijn maximum in een perfect werkend marktevenwicht.
Laissez-faire
Het beleidsmatige uitgangspunt dat de overheid de vrije marktwerking niet dient te verstoren omdat het evenwicht de totale welvaart maximaliseert, tenzij er sprake is van marktfalingen.