Beginselen van de Economie: Overzicht Hoofdstukken 0 tot 6

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/48

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards voor de inleidende cursus economie over samenwerking, schaarste, economische scholen, vraag en aanbod, elasticiteit en welvaartseconomie.

Last updated 10:43 PM on 10/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

49 Terms

1
New cards

Absoluut voordeel

De situatie waarin een producent een goed of dienst kan vervaardigen met minder middelen of tijd (een hogere productiviteit) dan een andere producent.

2
New cards

Comparatief voordeel

De situatie waarin een producent een goed kan produceren tegen een lagere opportuniteitskost dan een andere producent; vormt de basis voor wederzijds voordelige specialisatie en handel.

3
New cards

David Ricardo

Klassiek econoom die in zijn werk Principles of Political Economy and Taxation (1817) het principe van comparatief voordeel introduceerde als verklaring voor de baten van internationale handel.

4
New cards

Doughnut-economie

Economisch raamwerk ontwikkeld door Kate Raworth waarin economische activiteit moet plaatsvinden tussen een sociaal fundament van menselijke basisbehoeften en een ecologisch plafond van planetaire grenzen.

<p>Economisch raamwerk ontwikkeld door Kate Raworth waarin economische activiteit moet plaatsvinden tussen een sociaal fundament van menselijke basisbehoeften en een ecologisch plafond van planetaire grenzen.</p>
5
New cards

Schaarste

De toestand waarin de mogelijke aanwendingen en verlangens de beschikbaarheid van een middel overstijgen; schaarste is relatief en betekent niet hetzelfde als zeldzaamheid.

6
New cards

Opportuniteitskost

De niet-gerealiseerde opbrengst of waarde van het best mogelijke alternatief dat men opgeeft wanneer men een bepaalde keuze maakt.

7
New cards

Marginaal denken

Het afwegen van marginale opbrengsten tegen marginale kosten bij kleine, incrementele veranderingen aan een plan, waarbij kosten uit het verleden (bygones) buiten beschouwing worden gelaten.

8
New cards

Ceteris paribus

Een centrale aanname in economische analyses die inhoudt dat alle overige relevante factoren en omstandigheden onveranderd blijven.

9
New cards

Productiemogelijkhedengrens

Een curve die alle mogelijke maximale combinaties van output weergeeft die een economie kan realiseren bij gegeven productiefactoren en productietechnologie.

10
New cards

Pareto-efficiëntie

Een toestand op de productiemogelijkhedengrens waarbij het onmogelijk is om van één goed meer te produceren zonder de productie van een ander goed te verminderen.

11
New cards

Economische kringloop

Een visueel model dat toont hoe reële stromen van goederen, diensten en productiefactoren en de bijbehorende geldstromen circuleren tussen gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland via markten.

12
New cards

Onzichtbare hand

Het mechanisme van Adam Smith (The Wealth of Nations, 1776) waarbij individuen die op vrije markten hun eigenbelang nastreven, onbedoeld bijdragen aan het maatschappelijk welzijn en de welvaart.

13
New cards

Wet van Say

Het klassieke principe van Jean-Baptiste Say (1803) dat stelt dat elk aanbod zijn eigen vraag schept, waardoor algemene overproductiecrisissen volgens deze theorie niet van binnenuit ontstaan.

14
New cards

Homo economicus

De neoklassieke hypothese van een rationele actor met autonome preferenties die met perfecte informatie streeft naar nutsmaximalisatie (als consument) of winstmaximalisatie (als producent).

15
New cards

Asymmetrische informatie

Een marktsituatie waarin één partij bij een transactie over meer of betere informatie beschikt dan de tegenpartij, geanalyseerd door George Akerlof in The Market for Lemons (1970).

16
New cards

Averechtse selectie (adverse selection)

Het probleem vóór het afsluiten van een transactie waarbij asymmetrische informatie leidt tot het aantrekken van ongewenste marktpartijen of producten van lage kwaliteit.

17
New cards

Moreel wangedrag (moral hazard)

Een gedragsverandering na het sluiten van een overeenkomst waarbij een partij meer risico neemt ten koste van de tegenpartij, omdat de gevolgen van dat risico zijn afgewenteld.

18
New cards

Creatieve destructie

Het door Joseph Schumpeter geïntroduceerde concept dat de continue vernieuwing van het kapitalisme beschrijft, waarbij technologische innovaties bestaande technologieën en bedrijven overbodig maken.

19
New cards

Instituties

De formele regels (wetten, eigendomsrechten) en informele normen en gebruiken in een samenleving die het economische handelen structureren (volgens Douglass North).

20
New cards

Beperkte rationaliteit (bounded rationality)

Het concept van Herbert Simon dat stelt dat besluitvormers door cognitieve beperkingen, tijdgebrek en imperfecte informatie niet optimaliseren, maar heuristieken gebruiken om tot besluiten te komen die 'goed genoeg' zijn.

21
New cards

Systeem 1 en Systeem 2

Het denkmodel van Daniel Kahneman en Amos Tversky: Systeem 1 werkt snel, onbewust, automatisch en foutgevoelig; Systeem 2 functioneert traag, bewust, inspannend, analytisch en betrouwbaar.

22
New cards

Prospecttheorie

Gedragseconomische theorie (Kahneman & Tversky) die stelt dat mensen keuzes evalueren ten opzichte van een referentiepunt, waarbij verliezen zwaarder wegen dan even grote winsten (verliesaversie).

<p>Gedragseconomische theorie (Kahneman &amp; Tversky) die stelt dat mensen keuzes evalueren ten opzichte van een referentiepunt, waarbij verliezen zwaarder wegen dan even grote winsten (verliesaversie).</p>
23
New cards

Nudging

Een gedragseconomische interventie van Richard Thaler waarbij de keuzearchitectuur zachtjes wordt gestuurd naar wenselijk gedrag zonder alternatieven uit te sluiten of financiële prikkels fundamenteel te veranderen.

24
New cards

Neoliberalisme

Stroming (geassocieerd met Milton Friedman) die streeft naar maximale economische vrijheid, privatisering van publieke diensten, deregulering, lage belastingen en een minimale overheid.

25
New cards

Wet van de vraag

Het economische principe dat stelt dat, ceteris paribus, de gevraagde hoeveelheid van een goed daalt wanneer de prijs van dat goed stijgt.

26
New cards

Substitutiegoederen

Goederen die in de behoeftebevrediging onderling verwisselbaar zijn; een prijsstijging van het ene goed leidt tot een toename van de vraag naar het andere goed (εAB>0\varepsilon_{AB} > 0).

27
New cards

Complementaire goederen

Goederen die samen worden geconsumeerd; een prijsstijging van het ene goed leidt tot een daling van de vraag naar het andere goed (εAB<0\varepsilon_{AB} < 0).

28
New cards

Normale goederen

Goederen waarvan de gevraagde hoeveelheid stijgt wanneer het inkomen van de consument toeneemt (εy>0\varepsilon_y > 0).

29
New cards

Inferieure goederen

Goederen waarvan de gevraagde hoeveelheid daalt wanneer het inkomen van de consument toeneemt (εy<0\varepsilon_y < 0).

30
New cards

Wet van het aanbod

Het economische principe dat stelt dat, ceteris paribus, de aangeboden hoeveelheid van een goed toeneemt naarmate de marktprijs stijgt.

31
New cards

Marktevenwicht

De toestand waarbij de marktprijs een niveau bereikt waarop de gevraagde hoeveelheid exact gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid (QV=QAQ_V = Q_A).

32
New cards

Aanbodsurplus

De situatie waarin de actuele prijs boven de evenwichtsprijs ligt (P>PeP > P_e), wat leidt tot een overschot aan aangeboden goederen en een neerwaartse druk op de prijs.

33
New cards

Vraagoverschot

De situatie waarin de actuele prijs onder de evenwichtsprijs ligt (P<PeP < P_e), waardoor er een tekort ontstaat en kopers tegen elkaar opbieden, wat de prijs omhoog stuwt.

34
New cards

Wet van Davenant-King

Het economische verschijnsel dat bij goederen met een inelastische vraag en aanbod een grote oogst of toename van het aanbod leidt tot een sterke prijsdaling en een daling van de totale omzet.

35
New cards

Prijselasticiteit van de vraag (EPVE_P^V)

De procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid als gevolg van een verandering van de prijs met één procent: EPV=%ΔQ%ΔPE_P^V = \frac{\%\Delta Q}{\%\Delta P}.

36
New cards

Middelpuntmethode (boogelasticiteit)

Methode om de elasticiteit tussen twee punten te berekenen door veranderingen te delen door het gemiddelde van begin- en eindwaarden: EPV=Q1−Q0(Q0+Q1)/2P1−P0(P0+P1)/2E_P^V = \frac{\frac{Q_1 - Q_0}{(Q_0 + Q_1)/2}}{\frac{P_1 - P_0}{(P_0 + P_1)/2}}.

37
New cards

Inelastische vraag

Een vraag waarbij de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid kleiner is dan de relatieve prijsverandering (−1<EPV<0-1 < E_P^V < 0); een prijsstijging doet hier de totale omzet stijgen.

38
New cards

Elastische vraag

Een vraag waarbij de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid groter is dan de relatieve prijsverandering (EPV<−1E_P^V < -1); een prijsstijging doet hier de totale omzet dalen.

39
New cards

Veblen-effect

De uitzonderingssituatie op de wet van de vraag waarbij een prijsstijging leidt tot een hogere gevraagde hoeveelheid (EPV>0E_P^V > 0) wegens het statussymboolkarakter van het luxegoed.

40
New cards

Inkomenselasticiteit van de vraag (εy\varepsilon_y)

De procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid van een goed als reactie op een verandering van het inkomen met één procent: εy=%ΔQ%ΔY\varepsilon_y = \frac{\%\Delta Q}{\%\Delta Y}.

41
New cards

Wet van Engel

Het empirische gegeven dat bij een stijging van het inkomen het aandeel van de uitgaven aan voeding in het totale budget afneemt, ondanks mogelijke absolute stijgingen.

42
New cards

Kruisprijselasticiteit van de vraag (εAB\varepsilon_{AB})

De maatstaf voor de gevoeligheid van de vraag naar goed A bij een prijswijziging van goed B: εAB=%ΔQA%ΔPB\varepsilon_{AB} = \frac{\%\Delta Q_A}{\%\Delta P_B}.

43
New cards

Spinnenwebtheorema

Een economisch model dat cyclische prijsschommelingen verklaart doordat het marktaanbod op korte termijn inelastisch is en producenten hun aanbod afstemmen op prijzen uit het voorgaande seizoen.

44
New cards

Welvaartseconomie

De tak binnen de economische wetenschap die onderzoekt hoe de toewijzing van schaarse middelen de algehele maatschappelijke welvaart en het welzijn beïnvloedt.

45
New cards

Bereidheid tot betalen

Het maximale geldbedrag dat een koper wil opofferen voor een eenheid van een goed of dienst; weerspiegelt de subjectieve waardering van de koper.

46
New cards

Consumentensurplus

Het totale voordeel voor de koper, berekend als de bereidheid tot betalen min het werkelijk betaalde bedrag; grafisch het gebied onder de vraagcurve en boven de marktprijs.

47
New cards

Producentensurplus

Het totale voordeel voor de verkoper, berekend als de ontvangen marktprijs min de marginale productiekosten; grafisch het gebied boven de aanbodcurve en onder de marktprijs.

48
New cards

Totale surplus

De som van het consumentensurplus en het producentensurplus (Totale surplus=Waarde voor kopers−Kost voor verkopers\text{Totale surplus} = \text{Waarde voor kopers} - \text{Kost voor verkopers}); bereikt zijn maximum in een perfect werkend marktevenwicht.

49
New cards

Laissez-faire

Het beleidsmatige uitgangspunt dat de overheid de vrije marktwerking niet dient te verstoren omdat het evenwicht de totale welvaart maximaliseert, tenzij er sprake is van marktfalingen.