1/95
Woordenlijst en kernbegrippen voor Scheikunde Hoofdstuk 1: Mengsels scheiden, inclusief stofeigenschappen, mengseltypen, scheidingsmethoden en concentratieberekeningen.
Stofeigenschappen
Eigenschappen waaraan je een stof kunt herkennen, zoals kleur, geur, smaak, dichtheid, smeltpunt, kookpunt, geleidbaarheid en oplosbaarheid.
Fase
De toestand waarin een stof voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.
Dichtheid (ρ)
De stofeigenschap die aangeeft hoeveel massa er in een bepaald volume zit, berekend met ρ=volumemassa.
Moleculen
De kleinste deeltjes van een stof.
Vanderwaalskracht
De aantrekkingskracht die moleculen op elkaar uitoefenen.
Macroniveau
Het niveau van wat je direct met je zintuigen kunt waarnemen, zoals kleur en fase.
Microniveau
Het niveau waarop beschreven wordt wat er met de moleculen gebeurt.
Zuivere stof
Een stof die bestaat uit één soort stof en één soort moleculen, met één vast smeltpunt en één vast kookpunt.
Mengsel
Een combinatie van twee of meer stoffen met meerdere soorten moleculen, gekenmerkt door een smelttraject of kooktraject.
Gasdruk
De druk die ontstaat doordat gasmoleculen tegen de wand botsen.
Oplossing
Een helder mengsel van een oplosmiddel met een opgeloste stof.
Suspensie
Een troebel mengsel van een vloeistof met een vaste stof, waarvan de deeltjes naar de bodem kunnen zakken.
Emulsie
Een troebel mengsel van twee vloeistoffen die slecht mengen, waarin kleine druppeltjes ontstaan.
Emulgator
Een hulpstof die ervoor zorgt dat slecht mengbare vloeistoffen bij elkaar blijven.
Legering
Een mengsel van metalen, gemaakt door metalen te smelten en te mengen.
Nevel
Een mengsel bestaande uit een gas met daarin kleine vloeistofdruppeltjes.
Rook
Een mengsel bestaande uit een gas met daarin kleine vaste deeltjes.
Schuim
Een mengsel van een vloeistof of vaste stof met kleine luchtbellen.
Smog
Luchtvervuiling veroorzaakt door onder andere uitlaatgassen en industrie die schadelijk is voor de gezondheid.
Heterogeen mengsel
Een troebel mengsel waarin de stoffen niet volledig gemengd zijn en soms afzonderlijk te onderscheiden zijn.
Homogeen mengsel
Een helder mengsel waarin de verschillende stoffen volledig gemengd zijn en niet te onderscheiden zijn.
Stolcurve
Een grafiek die laat zien hoe de temperatuur verandert tijdens het afkoelen en stollen van een stof.
Bezinken en afschenken
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in dichtheid, waarbij vaste deeltjes naar de bodem zakken en de vloeistof voorzichtig wordt afgegoten.
Centrifugeren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in dichtheid, waarbij zwaardere deeltjes door snel ronddraaien sneller naar beneden zakken.
Filtreren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in deeltjesgrootte, waarbij vaste deeltjes in het filter achterblijven en vloeistof erdoorheen gaat.
Indampen
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in kookpunt, waarbij het oplosmiddel verdampt en de opgeloste vaste stof achterblijft.
Extraheren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in oplosbaarheid, waarbij een extractiemiddel de gewenste stof uit het mengsel oplost.
Filtraat
De vloeistof die tijdens het filtreren door het filter heen gaat.
Residu
De vaste stof die bij filtratie achterblijft in het filter.
Massapercentage
Het aantal gram van een stof in 100gram mengsel, berekend met (massa mengselmassa stof)×100%.
Volumepercentage
Het percentage van het totale volume dat uit een bepaalde stof bestaat, berekend met (volume mengselvolume stof)×100%.
Concentratie
De hoeveelheid gram opgeloste stof in één liter oplossing, berekend met volume oplossingmassa opgeloste stof.
Oplosbaarheid
De maximale hoeveelheid van een stof die kan oplossen in een bepaalde hoeveelheid oplosmiddel.
Verzadigde oplossing
Een oplossing waarin de maximale hoeveelheid stof is opgelost en extra stof niet meer oplost.
Onverzadigde oplossing
Een oplossing waarin nog meer stof kan oplossen.
Verdunnen
Het toevoegen van water waardoor het volume toeneemt en de concentratie daalt, terwijl de totale hoeveelheid opgeloste stof gelijk blijft.
Stofeigenschappen
Eigenschappen waaraan je een stof kunt herkennen, zoals kleur, geur, smaak, dichtheid, smeltpunt, kookpunt, geleidbaarheid en oplosbaarheid.
Fase
De toestand waarin een stof voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.
Dichtheid (ρ)
De stofeigenschap die aangeeft hoeveel massa er in een bepaald volume zit, berekend met ρ=volumemassa.
Moleculen
De kleinste deeltjes van een stof.
Vanderwaalskracht
De aantrekkingskracht die moleculen op elkaar uitoefenen, die sterker is naarmate de moleculen dichter bij elkaar zitten of zwaarder zijn.
Macroniveau
Het niveau van wat je direct met je zintuigen kunt waarnemen, zoals kleur en fase.
Microniveau
Het niveau waarop beschreven wordt wat er met de moleculen en kleinste deeltjes gebeurt.
Zuivere stof
Een stof die bestaat uit één soort stof en één soort moleculen, met één vast smeltpunt en één vast kookpunt.
Mengsel
Een combinatie van twee of meer stoffen met meerdere soorten moleculen, gekenmerkt door een smelttraject of kooktraject.
Gasdruk
De druk die ontstaat doordat gasmoleculen tegen de wanden van een vat botsen.
Oplossing
Een helder mengsel van een oplosmiddel met een opgeloste stof.
Suspensie
Een troebel mengsel van een vloeistof met een vaste stof, waarvan de deeltjes naar de bodem kunnen zakken.
Emulsie
Een troebel mengsel van twee vloeistoffen die slecht mengen, waarin kleine druppeltjes van de ene vloeistof in de andere zweven.
Emulgator
Een hulpstof die ervoor zorgt dat slecht mengbare vloeistoffen gemengd blijven.
Legering
Een homogeen mengsel van metalen, gemaakt door metalen in vloeibare toestand te mengen en te laten afkoelen.
Nevel
Een heterogeen mengsel bestaande uit een gas met daarin kleine vloeistofdruppeltjes.
Rook
Een heterogeen mengsel bestaande uit een gas met daarin kleine vaste deeltjes.
Schuim
Een mengsel van een vloeistof of vaste stof met daarin opgesloten gasbellen.
Smog
Luchtvervuiling veroorzaakt door uitlaatgassen en industriële gassen die schadelijk is voor de gezondheid.
Heterogeen mengsel
Een troebel mengsel waarin de stoffen niet volledig op moleculair niveau zijn gemengd en afzonderlijk waarneembaar kunnen zijn.
Homogeen mengsel
Een helder mengsel waarin de verschillende stoffen volledig tot op moleculair niveau gemengd zijn.
Stolcurve
Een grafiek die het temperatuurverloop weergeeft tijdens het afkoelen en overgaan naar de vaste fase van een stof.
Bezinken en afschenken
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in dichtheid, waarbij zwaardere deeltjes zakken en de vloeistof voorzichtig wordt afgegoten.
Centrifugeren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in dichtheid, waarbij deeltjes door snel ronddraaien versneld naar de bodem worden gedwongen.
Filtreren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in deeltjesgrootte, waarbij vaste bestanddelen in een filter achterblijven.
Indampen
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in kookpunt, waarbij het vloeibare oplosmiddel verdampt en de vaste opgeloste stof achterblijft.
Extraheren
Een scheidingsmethode berustend op een verschil in oplosbaarheid, waarbij een geschikt extractiemiddel selectief één stof oplost.
Filtraat
De vloeistof die tijdens een filtratie door de openingen van het filter heen loopt.
Residu
Het vaste bestanddeel dat bij filtratie op het filterpapier achterblijft.
Massapercentage
Het aantal gram van een stof in 100gram mengsel, berekend met (massa mengselmassa stof)×100%.
Volumepercentage
Het percentage van het totale volume dat door een bestanddeel wordt ingenomen, berekend met (volume mengselvolume stof)×100%.
Concentratie
De hoeveelheid opgeloste stof per liter vloeistof, berekend met volume oplossingmassa opgeloste stof.
Oplosbaarheid
De maximale hoeveelheid van een stof in gram die maximaal kan oplossen in één liter oplosmiddel bij een gegeven temperatuur.
Verzadigde oplossing
Een vloeistof waarin de maximaal mogelijke hoeveelheid stof is opgelost en toegevoegde stof niet meer zal oplossen.
Onverzadigde oplossing
Een vloeistof waarin nog meer van de betreffende stof kan worden opgelost.
Verdunnen
Het toevoegen van oplosmiddel aan een oplossing waardoor het volume stijgt en het gehalte per liter daalt, terwijl de opgeloste massa gelijk blijft.
Absoluut nulpunt
De laagst theoretisch mogelijke temperatuur van 0K (−273∘C), waarbij moleculen volledig stilstaan en alle beweging stopt.
Omrekenformule Kelvin en Celsius
De mathematische relatie tussen de twee temperatuurschalen: T(K)=T(∘C)+273.
Sublimeren
De faseovergang waarbij een vaste stof direct overgaat in de gasfase zonder eerst te smelten.
Rijpen
De faseovergang waarbij een gas direct overgaat in de vaste fase zonder eerst vloeibaar te worden.
Endotherme faseovergang
Een faseovergang waarbij voortdurend energie moet worden toegevoerd om vanderwaalskrachten te overwinnen, zoals smelten, verdampen en sublimeren.
Exotherme faseovergang
Een faseovergang waarbij warmte of energie vrijkomt aan de omgeving, zoals condenseren, stollen en rijpen.
Chemische energie
De energie die opgeslagen zit in de bindingen tussen atomen en moleculen van een stof.
Wet van behoud van energie
De natuurwet die vaststelt dat de totale hoeveelheid energie in een gesloten systeem behouden blijft en alleen van vorm kan veranderen.
Chemische reactie
Een proces waarbij beginstoffen verdwijnen en nieuwe reactieproducten met blijvend andere stofeigenschappen ontstaan doordat moleculen veranderen.
Beginstoffen
De stoffen die vóór het plaatsvinden van een chemische reactie aanwezig zijn en tijdens de omzetting verdwijnen.
Reactieproducten
De nieuwe stoffen die na afloop van een chemische reactie zijn gevormd.
Reactieschema
Een formele notatie waarin beginstoffen links en reactieproducten rechts van een reactiepijl worden weergegeven inclusief hun fasetoestand.
Toestandsaanduiding (aq) in een reactieschema
De afkorting (afgeleid van het Latijnse/Engelse aqueous) die aanduidt dat een deeltje of verbinding homogeen is opgelost in water.
Verschil tussen faseovergang en reactie
Bij een faseovergang blijven de moleculen identiek en verandert alleen de rangschikking, terwijl bij een chemische reactie moleculen worden afgebroken en nieuwe moleculen ontstaan.
Ontledingsreactie
Een chemische reactie waarbij uit één beginstof twee of meer reactieproducten ontstaan.
Thermolyse
Een endotherme ontledingsreactie die tot stand komt door toevoer van warmte.
Elektrolyse
Een ontledingsreactie die verloopt onder invloed van een elektrische stroom.
Fotolyse
Een ontledingsreactie die wordt aangedreven door de opname van lichtenergie.
Vormingsreactie
Een chemische reactie waarbij uit twee of meer stoffen één nieuw reactieproduct ontstaat.
Niet-ontleedbare stof
Een zuivere stof die met scheikundige methoden niet verder gesplitst kan worden in andere stoffen (een element).
Ontleedbare stof
Een zuivere stof die via ontledingsreacties kan worden gesplitst in twee of meer andere stoffen (een verbinding).
Pyrolyse
Een thermolyseproces waarbij organische afvalstoffen bij hoge temperatuur zonder zuurstof worden ontleed in bruikbare gassen, koolstof en pyrolyseolie.
Werking van een warmtepomp
Een kringloop waarin een vloeistof bij lage temperatuur verdampt door omgevingswarmte op te nemen en na compressie condenseert om warmte af te staan aan een verwarming.
Vier uitgangspunten van het molecuulmodel
Alle stoffen bestaan uit moleculen; 2. Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen; 3. Moleculen bewegen voortdurend; 4. Moleculen oefenen onderling vanderwaalskrachten uit.