inleiding tot het recht (college 1 tot 5)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/149

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

college 1 tot 5

150 Terms

1
New cards

Wat is rechtsbewustzijn?

Het menselijke besef of aanvoelen van rechtvaardigheid.

2
New cards

Wat betekent opportunisme bij het ontstaan van recht?

Machtshebbers kunnen hun macht vanuit eigenbelang uitoefenen.

3
New cards

Waarom is recht noodzakelijk?

Om het samenleven te ordenen met mededeelbare en afdwingbare regels.

4
New cards

Wat zijn de drie doelstellingen van het Belgisch recht?

Het maatschappelijk leven ordenen, het algemeen belang dienen en rechtvaardigheid nastreven.

5
New cards

Wat is objectief recht?

Het geheel van algemene, door de bevoegde overheid opgelegde en afdwingbare gedragsregels.

6
New cards

Wat is subjectief recht?

Een individuele aanspraak die iemand aan het objectieve recht ontleent.

7
New cards

Wat is het verschil tussen objectief en subjectief recht?

Objectief recht is HET recht; subjectief recht is MIJN recht.

8
New cards

Wat is objectief contentieux?

Een geschil over de wettigheid van overheidshandelen.

9
New cards

Wat is subjectief contentieux?

Een geschil over een subjectieve aanspraak of individueel recht.

10
New cards

Wat gebeurt er als de Raad van State een benoemingsbesluit vernietigt?

Het besluit wordt vernietigd en de overheid moet opnieuw beslissen.

11
New cards

Wat is een gebonden bevoegdheid?

De overheid moet op een voorgeschreven manier beslissen wanneer alle voorwaarden vervuld zijn.

12
New cards

Wat is een discretionaire bevoegdheid?

De overheid beschikt binnen wettelijke grenzen over beleids- of beoordelingsvrijheid.

13
New cards

Wat betekent marginale toetsing?

De rechter onderzoekt of de overheid binnen de grenzen van de redelijkheid bleef.

14
New cards

Waarom zijn rechtsregels in beginsel algemeen?

Ze gelden voor categorieën van personen of situaties en beschermen tegen willekeur.

15
New cards

Wat is een individueel overheidsbesluit?

Een overheidsbeslissing gericht op een concrete persoon of situatie.

16
New cards

Regelt het recht gedachten of gedrag?

Het recht regelt in beginsel uitwendig gedrag.

17
New cards

Wat is een rechtssubject?

Een drager van rechten en plichten.

18
New cards

Wat is een rechtsobject?

Iets dat zelf geen drager van rechten en plichten is.

19
New cards

Wat is een gebod?

Een rechtsregel die verplicht iets te doen.

20
New cards

Wat is een verbod?

Een rechtsregel die verplicht iets na te laten.

21
New cards

Wat is een inspanningsverbintenis?

Een verplichting om zorgvuldig te handelen zonder een bepaald resultaat te garanderen.

22
New cards

Wat is een resultaatsverbintenis?

Een verplichting om een bepaald resultaat te bereiken.

23
New cards

Wat is overmacht bij een resultaatsverbintenis?

Een niet-toerekenbare verhindering die de uitvoering onmogelijk maakt.

24
New cards

Wat betekent beoordeling in abstracto?

Vergelijking met het gedrag van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden.

25
New cards

Wat betekent beoordeling in concreto?

Beoordeling met aandacht voor het eigen gedrag of de concrete eigenschappen van de betrokkene.

26
New cards

Wanneer kan een verbintenis een resultaatsverbintenis zijn?

Bij een duidelijk gebod of verbod, weinig onzekerheid of een overeenkomst over het resultaat.

27
New cards

Wat betekent het afdwingbare karakter van recht?

De naleving van rechtsregels kan met juridische middelen worden afgedwongen.

28
New cards

Wat is het verschil tussen rechtsherstel en schadeherstel?

Rechtsherstel herstelt de rechtmatige toestand; schadeherstel vergoedt geleden schade.

29
New cards

Wat is het verschil tussen nationaal en internationaal recht?

Nationaal recht komt van de nationale overheid; internationaal recht regelt onder meer afspraken tussen staten.

30
New cards

Wat is het verschil tussen publiekrecht en privaatrecht?

Publiekrecht regelt onder meer overheid en algemeen belang; privaatrecht regelt private rechtsverhoudingen.

31
New cards

Wat is rechtspersoonlijkheid?

De juridische hoedanigheid om drager van rechten en plichten te zijn.

32
New cards

Welke twee categorieën rechtssubjecten bestaan er?

Natuurlijke personen en rechtspersonen.

33
New cards

Wat is een natuurlijke persoon?

Een mens die juridisch als persoon wordt erkend.

34
New cards

Wat is een rechtspersoon?

Een juridische entiteit met eigen rechten, plichten en vermogen.

35
New cards

Geef drie voorbeelden van rechtspersonen.

Een vzw, een nv en een gemeente.

36
New cards

Wat bepaalt artikel 3.38 BW volgens de samenvatting?

Het onderscheid tussen voorwerpen, dieren en personen.

37
New cards

Wat is een lichamelijk voorwerp?

Een tastbaar voorwerp, bijvoorbeeld een drinkbus.

38
New cards

Wat is een onlichamelijk voorwerp?

Een niet-tastbaar vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld een intellectueel eigendomsrecht.

39
New cards

Wat bepaalt artikel 3.35, tweede lid BW?

Elke persoon heeft in beginsel één vermogen, behoudens wettelijke uitzonderingen.

40
New cards

Wat houdt het wettelijkheidsbeginsel bij rechtspersonen in?

Rechtspersonen moeten worden opgericht volgens de wettelijke voorwaarden.

41
New cards

Wat houdt het doelbeperkingsbeginsel in?

Een rechtspersoon handelt binnen de grenzen van zijn statutair doel.

42
New cards

Wat is een feitelijke vereniging?

Een vereniging zonder afzonderlijke rechtspersoonlijkheid.

43
New cards

Wat is een voordeel van rechtspersoonlijkheid?

De rechtspersoon kan zelfstandig optreden en heeft een eigen vermogen.

44
New cards

Is het vermogen van een rechtspersoon hetzelfde als dat van zijn leden?

Nee, de rechtspersoon heeft in beginsel een afgescheiden vermogen.

45
New cards

Wat is rechtsbekwaamheid?

De bekwaamheid om rechten en plichten te hebben.

46
New cards

Wat is handelingsbekwaamheid?

De juridische bekwaamheid om zelfstandig rechtshandelingen te stellen.

47
New cards

Wat is wilsbekwaamheid?

Het feitelijk vermogen om een beslissing te begrijpen en een wil te vormen.

48
New cards

Kan iemand handelingsbekwaam maar tijdelijk wilsonbekwaam zijn?

Ja, bijvoorbeeld bij ernstige intoxicatie.

49
New cards

Kan een minderjarige rechten hebben zonder ze zelfstandig te mogen uitoefenen?

Ja, rechtsbekwaamheid en handelingsbekwaamheid verschillen.

50
New cards

Wat is een rechtsfeit?

Een feit waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt.

51
New cards

Wat is een rechtshandeling?

Een menselijke handeling die gericht is op het doen ontstaan van rechtsgevolgen.

52
New cards

Wat is het verschil tussen rechtsfeit en rechtshandeling?

Een rechtshandeling beoogt rechtsgevolgen; bij een rechtsfeit is dat niet noodzakelijk.

53
New cards

Wat is een eenzijdige rechtshandeling?

Een rechtshandeling waarvoor één wilsuiting volstaat.

54
New cards

Wat is een meerzijdige rechtshandeling?

Een rechtshandeling waarvoor overeenstemmende wilsuitingen nodig zijn.

55
New cards

Wat is het verschil tussen dwingend en aanvullend recht?

Van dwingend recht mag men niet afwijken; aanvullend recht geldt als partijen niets anders regelen.

56
New cards

Wat is een regel van openbare orde?

Een regel die fundamentele belangen van de samenleving beschermt.

57
New cards

Wat is het verschil tussen nietigheid en vernietigbaarheid?

Het verschil ligt onder meer in wie de ongeldigheid kan inroepen en of bevestiging mogelijk is.

58
New cards

Wat is een rechtsvermoeden?

Een gevolgtrekking die de wet of rechter uit een bekend feit afleidt.

59
New cards

Wat is een weerlegbaar vermoeden?

Een vermoeden waartegen tegenbewijs mogelijk is.

60
New cards

Wat is een onweerlegbaar vermoeden?

Een vermoeden waartegen geen tegenbewijs wordt toegelaten.

61
New cards

Wat is de Grondwet?

De fundamentele rechtsbron die de staatsorganisatie en grondrechten vastlegt.

62
New cards

Waarom heeft de Grondwet een bijzondere positie?

Ze staat hoog in de nationale normenhiërarchie en is moeilijker te wijzigen.

63
New cards

Wat is een rechtsstaat?

Een staat waarin overheidshandelen aan het recht gebonden is en rechten worden beschermd.

64
New cards

Welke drie waarden benadrukt de samenvatting bij de rechtsstaat?

Vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.

65
New cards

Wat is rechtszekerheid?

De mogelijkheid om de juridische gevolgen van gedrag voldoende te voorzien.

66
New cards

Wat is rechtsgelijkheid?

Gelijke gevallen worden gelijk behandeld, tenzij een verschil objectief gerechtvaardigd is.

67
New cards

Wat is een parlementaire democratie?

Een democratie waarin verkozen volksvertegenwoordigers een centrale rol vervullen.

68
New cards

Wat betekent trias politica?

De scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

69
New cards

Wat is de taak van de wetgevende macht?

Rechtsregels vaststellen en de uitvoerende macht controleren.

70
New cards

Wat is de taak van de uitvoerende macht?

Wetten uitvoeren en het beleid binnen haar bevoegdheden voeren.

71
New cards

Wat is de taak van de rechterlijke macht?

Geschillen beslechten en recht toepassen.

72
New cards

Waarom is de scheiding der machten belangrijk?

Om machtsconcentratie en willekeur tegen te gaan.

73
New cards

Wat betekent een grondwettelijk beschermde vrijheidsstaat?

De fundamentele vrijheden van burgers worden juridisch beschermd.

74
New cards

Wat is het legaliteitsbeginsel?

Overheidsoptreden moet steunen op een geldige rechtsgrond.

75
New cards

Wat betekent het evenredigheidsbeginsel?

Een maatregel mag niet verder gaan dan nodig voor het nagestreefde doel.

76
New cards

Waarom zijn grondrechten niet altijd absoluut?

Beperkingen kunnen onder wettelijke en grondrechtelijke voorwaarden toegelaten zijn.

77
New cards

Wat betekent het discriminatieverbod?

Ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is verboden.

78
New cards

Welke artikelen van de Belgische Grondwet beschermen gelijkheid en non-discriminatie?

Artikelen 10 en 11 GW.

79
New cards

Wat beschermt artikel 12 GW?

De vrijheid van de persoon, met waarborgen tegen willekeurige vrijheidsberoving.

80
New cards

Wat beschermt artikel 15 GW?

De onschendbaarheid van de woning.

81
New cards

Wat beschermt artikel 19 GW?

De vrijheid van eredienst, meningsuiting en openbare uitoefening ervan binnen wettelijke grenzen.

82
New cards

Wat beschermt artikel 22 GW?

Het recht op eerbiediging van het privéleven en gezinsleven.

83
New cards

Wat beschermt artikel 23 GW?

Het recht op een menswaardig leven en bepaalde economische, sociale en culturele rechten.

84
New cards

Wat beschermt artikel 25 GW?

De vrijheid van drukpers.

85
New cards

Wat beschermt artikel 26 GW?

Het recht om vreedzaam en ongewapend te vergaderen.

86
New cards

Wat beschermt artikel 27 GW?

De vrijheid van vereniging.

87
New cards

Wat beschermt artikel 30 GW?

De vrijheid van taalgebruik, behoudens wettelijke regelingen.

88
New cards

Wat is het verschil tussen een gewone wet en de Grondwet?

Een gewone wet kan via de gewone wetgevingsprocedure worden gewijzigd; de Grondwet vereist een bijzondere procedure.

89
New cards

Wat is de kern van artikel 195 GW?

Het regelt de bijzondere procedure voor grondwetsherziening.

90
New cards

Waarom is grondwetsherziening moeilijker dan een gewone wetswijziging?

Om fundamentele staatsregels tegen eenvoudige politieke wijzigingen te beschermen.

91
New cards

Wat is een eenheidsstaat?

Een staat waarin de centrale overheid de voornaamste staatsbevoegdheden bezit.

92
New cards

Wat is een federale staat?

Een staat waarin bevoegdheden verdeeld zijn tussen de federale overheid en deelstaten.

93
New cards

Wat is centrifugaal federalisme?

Federalisme dat ontstaat door bevoegdheden vanuit een eenheidsstaat te spreiden.

94
New cards

Wat is centripetaal federalisme?

Federalisme dat ontstaat doordat afzonderlijke staten zich verenigen.

95
New cards

Welk type federalisme kenmerkt België?

Centrifugaal federalisme.

96
New cards

Wat is confederalisme?

Een samenwerkingsverband van staten die belangrijke bevoegdheden behouden.

97
New cards

Hoeveel taalgebieden heeft België?

Vier.

98
New cards

Welke vier taalgebieden bestaan in België?

Het Nederlandse, Franse, Duitse en tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

99
New cards

Welk grondwetsartikel regelt de taalgebieden?

Artikel 4 GW.

100
New cards

Wat is een faciliteitengemeente?

Een gemeente in een taalgebied met bijzondere taalrechten voor bepaalde inwoners.