lecture 3 ram

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/23

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 5:56 PM on 9/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

24 Terms

1
New cards

Beschrijvende statistiek

Beschrijvende statistiek vertelt wat er in de verzamelde data staat. Dat kan numeriek, bijvoorbeeld met een gemiddelde, mediaan of standaarddeviatie, en grafisch, bijvoorbeeld met een staafdiagram of histogram, gaat dus alleen over de steekproef

2
New cards

Inferentiële statistiek

Inferentiële statistiek gebruikt een steekproef om voorspellingen of beslissingen over een populatie te maken. Omdat een steekproef nooit alle mogelijke personen of waarnemingen bevat, is er onzekerheid. Een andere steekproef zou een iets ander gemiddelde kunnen opleveren.

3
New cards

Populatie

alle mensen of scores waar de onderzoeker een uitspraak over wil doen aan de hand van een steekproef

4
New cards

Steekproef

Het deel van de populatie die daadwerkelijk is onderzocht

5
New cards

Inferentie

Een conclusie trekken over een populatie op basis van een steekproef

6
New cards

Categorische variabelen

Een categorische variabele deelt waarnemingen in groepen of categorieën in. De waarden geven aan tot welke categorie iets behoort. (oogkleur) Soms worden categorieën met cijfers aangeduid. Deze cijfers zijn dan alleen labels. Het gemiddelde van deze codes berekenen heeft geen betekenis.

  • frequentietabel;

  • staafdiagram;

  • cirkeldiagram.


7
New cards

kwantitatieve variabele

Een kwantitatieve variabele geeft een hoeveelheid, aantal of grootte aan. De waarden zijn getallen waarmee rekenen inhoudelijk betekenisvol is. (gewicht, iq score enz) Ze worden vaak weergegeven met een:

  • frequentietabel;

  • histogram;

  • gemiddelde of mediaan.


8
New cards

discrete variabele

Een discrete variabele ontstaat meestal door tellen. De mogelijke waarden bestaan uit afzonderlijke stapjes, vaak hele getallen. (bijv kinderen in een gezin, fouten in een toets)

9
New cards

Continue variabelen

Een continue variabele ontstaat meestal door meten. Tussen twee waarden kunnen in principe altijd nog andere waarden liggen. (gewicht en temperatuur)

10
New cards

nominale variabele

Nominale variabelen bestaan uit categorieën die geen volgorde hebben. Je kunt ze niet rangordenen — ze zijn simpelweg 'anders'.

(Geslacht, nationaliteit)

11
New cards

Ordinaal

Ordinale variabelen hebben wel een volgorde, maar de afstanden tussen categorieën zijn niet gelijk en niet betekenisvol. (Opleidingsniveau, Likert schaal)

12
New cards

Interval

Intervalniveaus hebben gelijke afstanden tussen categorieën, maar er is geen absoluut nulpunt (nul betekent niet 'niets'). Voorbeelden: temperatuur in graden Celsius (0°C is niet 'geen temperatuur')

13
New cards

Ratio

Rationiveaus hebben gelijke afstanden én een absoluut nulpunt. Nul betekent echt 'niets'.( Leeftijd, inkomen)

14
New cards

Statistiek

Zegt iets over de steekproef

15
New cards

parameter

zegt iets over de algehele populatie maar is vaak onbekend

16
New cards
17
New cards
18
New cards
19
New cards
20
New cards
21
New cards
22
New cards
23
New cards
24
New cards