1/23
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Beschrijvende statistiek
Beschrijvende statistiek vertelt wat er in de verzamelde data staat. Dat kan numeriek, bijvoorbeeld met een gemiddelde, mediaan of standaarddeviatie, en grafisch, bijvoorbeeld met een staafdiagram of histogram, gaat dus alleen over de steekproef
Inferentiële statistiek
Inferentiële statistiek gebruikt een steekproef om voorspellingen of beslissingen over een populatie te maken. Omdat een steekproef nooit alle mogelijke personen of waarnemingen bevat, is er onzekerheid. Een andere steekproef zou een iets ander gemiddelde kunnen opleveren.
Populatie
alle mensen of scores waar de onderzoeker een uitspraak over wil doen aan de hand van een steekproef
Steekproef
Het deel van de populatie die daadwerkelijk is onderzocht
Inferentie
Een conclusie trekken over een populatie op basis van een steekproef
Categorische variabelen
Een categorische variabele deelt waarnemingen in groepen of categorieën in. De waarden geven aan tot welke categorie iets behoort. (oogkleur) Soms worden categorieën met cijfers aangeduid. Deze cijfers zijn dan alleen labels. Het gemiddelde van deze codes berekenen heeft geen betekenis.
frequentietabel;
staafdiagram;
cirkeldiagram.
kwantitatieve variabele
Een kwantitatieve variabele geeft een hoeveelheid, aantal of grootte aan. De waarden zijn getallen waarmee rekenen inhoudelijk betekenisvol is. (gewicht, iq score enz) Ze worden vaak weergegeven met een:
frequentietabel;
histogram;
gemiddelde of mediaan.
discrete variabele
Een discrete variabele ontstaat meestal door tellen. De mogelijke waarden bestaan uit afzonderlijke stapjes, vaak hele getallen. (bijv kinderen in een gezin, fouten in een toets)
Continue variabelen
Een continue variabele ontstaat meestal door meten. Tussen twee waarden kunnen in principe altijd nog andere waarden liggen. (gewicht en temperatuur)
nominale variabele
Nominale variabelen bestaan uit categorieën die geen volgorde hebben. Je kunt ze niet rangordenen — ze zijn simpelweg 'anders'.
(Geslacht, nationaliteit)
Ordinaal
Ordinale variabelen hebben wel een volgorde, maar de afstanden tussen categorieën zijn niet gelijk en niet betekenisvol. (Opleidingsniveau, Likert schaal)
Interval
Intervalniveaus hebben gelijke afstanden tussen categorieën, maar er is geen absoluut nulpunt (nul betekent niet 'niets'). Voorbeelden: temperatuur in graden Celsius (0°C is niet 'geen temperatuur')
Ratio
Rationiveaus hebben gelijke afstanden én een absoluut nulpunt. Nul betekent echt 'niets'.( Leeftijd, inkomen)
Statistiek
Zegt iets over de steekproef
parameter
zegt iets over de algehele populatie maar is vaak onbekend