Français des Affaires BASE - Franse Woordenlijst

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/49

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Oefenkaarten voor Franse zakelijke woordenschat, werkwoorden en grammaticatermen uit de syllabus Français des Affaires BASE.

Last updated 6:59 PM on 10/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

50 Terms

1
New cards

embaucher

Aanwerven, in dienst nemen

2
New cards

licencier

Ontslaan

3
New cards

augmenter

Stijgen, verhogen

4
New cards

baisser

Dalen, verminderen

5
New cards

se tromper

Zich vergissen

6
New cards

réussir

Slagen (bv. voor een examen)

7
New cards

éteindre

Doven, uitdoen

8
New cards

se plaindre

Klagen

9
New cards

accueillir

Ontvangen, verwelkomen

10
New cards

résoudre

Oplossen

11
New cards

convaincre

Overtuigen

12
New cards

une carte d'identité

Een identiteitskaart

13
New cards

le lieu de naissance

De geboorteplaats

14
New cards

majeur(e)

Meerderjarig

15
New cards

mineur(e)

Minderjarig

16
New cards

l'aîné(e)

De oudste / eerstgeborene

17
New cards

le cadet / la cadette

De jongste / benjamin

18
New cards

l'enseignement secondaire

Het secundair / middelbaar onderwijs

19
New cards

la comptabilité

De boekhouding / het vak boekhouden

20
New cards

échouer à un examen

Mislukken in / niet slagen voor een examen

21
New cards

faire un stage

Stage lopen

22
New cards

un(e) indépendant(e)

Een zelfstandige

23
New cards

le service clientèle

De klantendienst

24
New cards

la gamme

Het gamma / het assortiment

25
New cards

d'occasion

Tweedehands

26
New cards

empilable

Stapelbaar

27
New cards

la hauteur

De hoogte

28
New cards

la largeur

De breedte

29
New cards

la longueur

De lengte

30
New cards

la profondeur

De diepte

31
New cards

fixer un rendez-vous

Een afspraak vastleggen

32
New cards

reporter une réunion

Een vergadering uitstellen / verplaatsen

33
New cards

annuler un rendez-vous

Een afspraak afzeggen / annuleren

34
New cards

l'horaire (m.)

De uurregeling / het werkrooster

35
New cards

un jour férié

Een feestdag

36
New cards

un jour ouvrable

Een werkdag

37
New cards

faire le pont

De brug maken (een vrije dag nemen tussen een feestdag en het weekend)

38
New cards

au bout du couloir

Aan het einde van de gang

39
New cards

au rez-de-chaussée

Op de gelijkvloerse verdieping

40
New cards

le carrefour

Het kruispunt

41
New cards

le rondpoint

De rotonde

42
New cards

les transports en commun

Het openbaar vervoer

43
New cards

le siège social

De hoofdzetel van een onderneming

44
New cards

le chiffre d'affaires (CA)

De omzet / het zakencijfer

45
New cards

une PME

Een kmo (kleine of middelgrote onderneming)

46
New cards

le grossiste

De groothandel / groothandelaar

47
New cards

le détaillant

De kleinhandel / kleinhandelaar

48
New cards

l'effectif (m.)

Het personeelsbestand van een bedrijf

49
New cards

fonder une entreprise

Een bedrijf oprichten

50
New cards

les matières premières

De grondstoffen