1/58
Een volledige verzameling begrippen en formules voor het vak economie, gebaseerd op de behandelde hoofdstukken over inkomens, bestedingen, welvaart, inflatie, sparen, lenen, kosten en winstberekening.
Bestedingen
De uitgaven aan goederen en diensten.
Doelgroep
Een groep consumenten met dezelfde kenmerken voor wie een product of boodschap bedoeld is.
Duurzaam consumeren
Bij je aankopen rekening houden met de gevolgen voor andere mensen, dieren en het milieu.
Maatschappelijke kosten
Alle nadelen die de samenleving ondervindt van het gedrag van personen en bedrijven.
Marketinginstrumenten (de 6 P's)
Prijs, Product, Plaats, Promotie, Personeel en Presentatie.
Primaire inkomens
Inkomens die je verdient door een productiefactor te leveren; het betreft de bruto inkomens uit arbeid en bezit.
Secundair inkomen
Het netto inkomen plus inkomens uit overdrachten, zoals uitkeringen en toeslagen.
Besteedbaar inkomen
Het inkomen dat je kunt gebruiken voor consumptie.
Loonheffing
Inhouding op je brutoloon die bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen.
Lorenz-curve
Grafiek die de verdeling van het nationaal inkomen over de bevolking laat zien.
Modaal inkomen
Het inkomen dat het meest voorkomt.
Nationaal inkomen
Het totale inkomen dat alle inwoners van een land samen ontvangen uit arbeid en bezit.
Brede welvaart
Welvaart die gaat over de kwaliteit van het leven, waarin ook het welzijn meetelt.
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek; instantie die allerlei cijfermatige informatie verzamelt.
Middelen
Alles wat nodig is om in je behoeften te kunnen voorzien.
Prioriteiten stellen
Voor jezelf kiezen welke behoeften je het belangrijkst vindt.
Indexcijfer (formule)
indexcijfer=getal basisjaarnieuw getal×100
Berekening Consumentenprijsindexcijfer (CPI)
Schaars
Iets is schaars als het niet onbeperkt beschikbaar is en er middelen nodig zijn om het te maken.
Welvaart
De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien (materiële welvaart).
Geldontwaarding
Het verschijnsel waarbij geld minder waard wordt als gevolg van inflatie.
Inflatie
Een algemene stijging van het prijspeil van goederen en diensten.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.
Loon-prijsspiraal
Een vicieuze cirkel waarin stijgingen van lonen en prijzen elkaar beurtelings blijven opdrijven.
Nominale verandering
De verandering van bedragen waarbij geen rekening is gehouden met inflatie.
Prijscompensatie
De lonen stijgen met hetzelfde percentage als de prijzen, waardoor de koopkracht gelijk blijft.
Reële verandering
De verandering van bedragen gecorrigeerd voor inflatie: ree¨le verandering in %=nominale verandering in %−inflatie in %
Reservering per maand (formule)
reservering per maand=aantal maandenbenodigd bedrag behoeve van het sparen.
Kredietkosten (formule)
kredietkosten=(termijnbedrag×aantal termijnen)−krediet
Nieuw saldo (formule)
nieuw saldo=oud saldo+ontvangsten−betalingen
Afschrijving per jaar (formule)
afschrijving per jaar=aantal gebruiksjarenaanschafprijs−restwaarde om de waardevermindering van productiemiddelen te bepalen.
Kostprijs per product (formule)
kostprijs per product=aantal productenvaste kosten+variabele kosten representeert de gemiddelde kosten voor het maken van één product.
Consumentenprijs (berekeningsschema)
inkoopprijs+brutowinstopslag=verkoopprijs gevolgd door verkoopprijs+btw=consumentenprijs.
Prijs exclusief btw (formule)
Bij het hoge tarief: prijs inclusief 21% btw÷121×100; bij het lage tarief: prijs inclusief 9% btw÷109×100.
Investeren
Het aanschaffen van productiemiddelen door bedrijven, zoals kapitaalgoederen.
Productiefactoren
Alle middelen die nodig zijn om te kunnen produceren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
Toegevoegde waarde
De extra waarde die ontstaat doordat een bedrijf een product bewerkt.
Variabele kosten
Kosten die veranderen als er meer of minder geproduceerd wordt, zoals de uitgaven aan grondstoffen.
Vaste kosten
Kosten die op de korte termijn niet direct mee veranderen met de productieomvang, zoals de huur van een gebouw.
Consumptief krediet
Een lening bestemd voor de aanschaf van consumptiegoederen.
Hypothecaire lening
Een lening afgesloten voor de aankoop van een woning, met het onroerend goed als onderpand.
Kredietvormen
Soorten leningen via de bank (zoals persoonlijke lening en salariskrediet) of via leveranciers (zoals koop op afbetaling en private lease).
Leenmotieven
Redenen om geld te lenen: tijdelijk geldtekort overbruggen, een dure aankoop niet willen uitstellen, onverwacht dringend geld nodig hebben of de aankoop van een woning.
Schuld
Een bedrag dat een ander nog van jou tegoed heeft.
ECB
Europese Centrale Bank; de centrale bank van de eurozone.
Geldfuncties
De drie functies die geld kan vervullen: ruilmiddel, spaarmiddel (oppotmiddel) en rekenmiddel.
Rente
De vergoeding voor het beschikbaar stellen of lenen van geld; de prijs van geld.
Budgetplan
Een financieel overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode.
Nibud
Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; instantie die voorlichting geeft over het optimaal afstemmen van inkomsten en uitgaven.
Reserveren
Geld apart zetten om grote of incidentele toekomstige uitgaven te kunnen betalen.
Soorten uitgaven
Onderverdeeld in dagelijkse uitgaven (huishoudelijk), vaste lasten (terugkerend) en incidentele uitgaven.
Beleggen
Geld steken in iets waarvan je verwacht dat het in waarde zal stijgen of rendement oplevert.
Enkelvoudige rente
Rente die telkens na afloop van een jaar apart wordt uitgekeerd, waardoor het oorspronkelijke spaartegoed zelf niet toeneemt.
Nominale rente
Het rentepercentage waarmee de bank daadwerkelijk rekent op een rekening of lening.
Reële rente
Nominale rente gecorrigeerd voor inflatie (ree¨le rente=nominale rente−inflatie); toont de verandering in reële koopkracht van het spaargeld.
Rendement
De totale opbrengst van een belegging, doorgaans uitgedrukt als percentage van het ingelegde bedrag.
Samengestelde rente
Rente-op-rente; de rente wordt jaarlijks bijgeschreven op de spaarrekening, waardoor in de opvolgende jaren ook rente over de eerdere rente wordt ontvangen.
Spaardeposito
Een spaarrekening waarop het ingelegde geld voor een afgesproken termijn vaststaat tegen een vooraf vastgesteld rentepercentage.
Spaarmotieven
De redenen om te sparen: voor een concreet doel, voor het behalen van rente of uit voorzorg voor onvoorziene uitgaven.