1/177
Looks like no tags are added yet.
een woonplaats, residentie, verblijf
une résidence
de verblijfplaats
le lieu de résidence
een tweede verblijf
une résidence secondaire
wonen, logeren
loger
een woning
un logement
wonen
habiter
in iets wonen, iets bewonen
habiter qc
een woning
une habitation, une demeure
bouwen
bâtir
een bouwterrein
un terrain à bâtir
een gebouw
un bâtiment
bouwen
construire
een huis laten bouwen
faire construire une maison
de bouw, de constructie
la construction
afbreken, slopen
abattre, démolir
verbouwen
faire des rénovations, des travaux
een plattegrond, een plan
un plan
een (bouw)materiaal, een (bouw)stof
un matériau
bouwmaterialen, bouwstoffen
des matériaux de construction
een baksteen
une brique
een (dak)pan
une tuile
een dak met dakpannen
un toit de tuiles
riet, stro
le chaume
een rieten dak
un toit de chaume
het beton
le béton
een constructie van gewapend beton
une construction en béton armé
een (flat)gebouw
un immeuble
een toren, een torenflat, een wolkenkrabber
une tour
de wolkenkrabbers van la Défense
les tours de la Défense
een wolkenkrabber
un gratte-ciel
een (monumentaal) gebouw
un édifice
een hoog gebouw, een flatgebouw
un building
een sociale huurwoning
une HLM (habitation à loyer modéré)
een appartement, een flat
un appartement
een ruimte
un espace
weinig ruimte hebben
manquer d'espace
de (voor)gevel
la façade
de buitenkant
l'extérieur
de binnenkant
l'intérieur
een eenkamerwoning, een studio
un studio
een tweekamerwoning/-flat
un deux-pièces
ruim
spacieux, spacieuse
een groot appartement met ruime kamers
un grand appartement aux pièces spacieuses
krap, klein, benauwd vb. Ze wonen krap in hun tweekamerwoning.
à l'étroit ex. Ils vivent à l’étroit dans leur deuxpièces.
de (vaste) lasten, de bijkomende kosten
les charges (f. pl)
De huur bedraagt 800 euro, exclusief kosten.
Le loyer s'élève à 800 euros sans les charges.
een rijhuis
une maison mitoyenne
een dubbelwoonst
une villa jumelée
een alleenstaand huis, open bebouwing
une maison individuelle
een bungalow
een bungalow
een huisje, een kleine villa
un pavillon
een kleine villa in de voorstad
un pavillon de banlieue
verhuizen
déménager
de verhuizing
le déménagement
gaan wonen in, betrekken vb. Ze is in het appartement op de derde verdieping gaan wonen.
emménager (dans) ex. Elle a emménagé dans l’appartement du troisième.
inrichten
aménager
zich installeren/vestigen
s'installer
een eigenaar/eigenares
un, une propriétaire
een bezit, een eigendom
une propriété
(ver)huren
louer
Kamer te huur!
Chambre à louer !
de huur
le loyer
een huurder/een huurster
un, une locataire
een onderhuurder/een onderverhuurster
un, une sous-locataire
de (ver)huur
la location
verhuren
mettre en location
een bewoner/een bewoonster
un habitant, une habitante
op de deur kloppen
frapper à la porte
(aan)bellen
sonner
Er is gebeld!
On a sonné !
een (deur)bel
une sonnette
een slot
une serrure
een sleutel
une clé ; une clef
op slot doen, afsluiten
fermer à clé
een deurklink
une poignée de porte
de voordeur
la porte d'entrée
een gang
un couloir
de begane grond
le rez-de-chaussée
een verdieping
un étage
Ik woon op de derde (verdieping).
J'habite au 3e (étage).
een trap
un escalier
de trap opgaan/afgaan
monter/descendre l'escalier ; monter/descendre les escaliers
Hij is met moeite de trap opgekomen.
Il a monté péniblement l’escalier.
een lift
un ascenseur
de lift laten komen
appeler l'ascenseur
de hal, entree
le hall d'entrée
een digitale deurbeveiliging vb. De voordeur is uitgerust met een digitale deurcode.
un digicode ex. La porte d'entrée est équipée d'un digicode.
de overloop
le palier
een buurman op dezelfde etage
un voisin de palier
de zolder
le grenier
een kamer, een ruimte
une pièce
een driekamerflat
un (appartement de) trois pièces
een eetkamer
une salle à manger
een woonkamer
une salle de séjour
een living, een salon
un salon
een kamer
une chambre
een slaapkamer
une chambre (à coucher)
een logeerkamer
la chambre d'amis
een keuken
une cuisine
een kleine keuken
une kitchenette