1/72
Een overzicht van economische begrippen over inkomen, welvaart, sparen, lenen, marktmechanismen en bedrijfsvoering.
Bestedingen
De uitgaven aan goederen en diensten.
Doelgroep
Groep consumenten met dezelfde kenmerken voor wie een product of boodschap bedoeld is.
Duurzaam consumeren
Je houdt bij je aankopen rekening met de gevolgen voor andere mensen, dieren en het milieu.
Maatschappelijke kosten
Alle nadelen die de samenleving ondervindt van het gedrag van personen en bedrijven.
Marketinginstrumenten
Prijs, product, plaats, promotie, personeel en presentatie (de 6 P's).
Primaire inkomens
Inkomens die je verdient door een productiefactor te leveren. Het zijn de bruto inkomens uit arbeid en uit bezit.
Secundaire inkomens
Netto inkomens plus inkomens uit overdrachten, zoals uitkeringen en toeslagen.
Besteedbaar inkomen
Het inkomen dat je kunt gebruiken voor consumptie.
Loonheffing
Inhouding op je brutoloon, die bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen.
Lorenzcurve
Grafiek die de verdeling van het nationaal inkomen over de bevolking laat zien.
Modaal inkomen
Het inkomen dat het meest voorkomt.
Nationaal inkomen
Wat alle inwoners samen aan inkomen hebben uit arbeid en bezit.
Brede welvaart
Welvaart die gaat over de kwaliteit van het leven, waarin het welzijn meetelt.
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS verzamelt allerlei cijfermatige informatie.
Indexcijfer
Getal dat een procentuele verandering laat zien ten opzichte van het basisjaar.
Middelen
Alles wat je nodig hebt om in je behoeften te voorzien. Vooral geld en tijd.
Prioriteiten stellen
Je kiest voor jezelf welke behoeften je het belangrijkst vindt.
Schaars
Iets is schaars als het niet onbeperkt beschikbaar is. Er zijn middelen nodig om het te maken.
Welvaart
De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. Ook wel: materiële welvaart.
Cpi
Consumentenprijsindexcijfer. Laat verandering van prijzen zien ten opzichte van het basisjaar.
Geldontwaarding
Het geld zelf wordt minder waard als gevolg van inflatie.
Inflatie
Een algemene stijging van de prijzen.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.
Loon-prijsspiraal
Vicieuze cirkel van loon- en prijsstijgingen.
Nominale verandering
Verandering van bedragen waarbij je geen rekening houdt met inflatie.
Prijscompensatie
De lonen stijgen net zo veel als de prijzen, waardoor je koopkracht gelijk blijft.
Reële verandering
Verandering van bedragen, gecorrigeerd voor inflatie.
Budgetplan
Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven.
Nibud
Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. Het Nibud geeft voorlichting over hoe je je inkomsten en uitgaven het best op elkaar kunt afstemmen.
Reserveren
Sparen om een grote, incidentele uitgave te kunnen betalen.
Soorten uitgaven
Dagelijkse uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Beleggen
Je koopt iets waarvan je verwacht dat het meer waard wordt.
Enkelvoudige rente
Rente die telkens na afloop van een jaar apart wordt uitgekeerd. Je spaartegoed zelf verandert niet.
Nominale rente
De rente waarmee de bank rekent.
Reële rente
De nominale rente min de inflatie. Het laat zien hoe de koopkracht van je spaargeld verandert.
Rendement
De opbrengst van een belegging, meestal uitgedrukt in een percentage.
Samengestelde rente
Rente-op-rente. De rente wordt na ieder jaar bijgeschreven op je spaarrekening. In het volgende jaar krijg je rente over je spaarbedrag plus de bijgeschreven rente.
Spaardeposito
Spaarrekening waarop je geld voor een afgesproken tijd vast staat tegen een vast rentepercentage.
Spaarmotieven
Redenen om te sparen: voor een doel, voor de rente of uit voorzorg.
Consumptief krediet
Een lening voor de aanschaf van een consumptiegoed.
Hypothecaire lening
Een lening voor de aankoop van een woning.
Kredietvormen
Soorten leningen. Bij een bank: persoonlijke lening en salariskrediet. Bij leveranciers: koop op afbetaling en private lease.
Leenmotieven
Redenen om te lenen: om een tijdelijk geldtekort te overbruggen, omdat je een dure aankoop niet wilt uitstellen, omdat je onverwacht dringend geld nodig hebt, of voor de aankoop van een woning.
Schuld
Een bedrag dat iemand van jou tegoed heeft.
Aanbod van geld
Geld op spaarrekeningen.
ECB
Europese Centrale Bank. De centrale bank van de eurozone.
Geldfuncties
Geld kun je gebruiken als ruilmiddel, als spaarmiddel en als rekenmiddel.
Rente
De prijs van geld.
Vraag naar geld
Gezinnen en bedrijven willen geld lenen.
Investeren
Bedrijven besteden geld aan productiemiddelen, zoals kapitaalgoederen.
Kostprijs per product
De gemiddelde kosten voor het maken van één product.
Productiefactoren
Alle middelen die je nodig hebt om te produceren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
Toegevoegde waarde
De extra waarde die ontstaat doordat een bedrijf een product bewerkt.
Variabele kosten
Kosten die veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de kosten van grondstoffen.
Vaste kosten
Kosten die niet meteen veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de huur van je gebouw.
Arbeidsproductiviteit
De productie per persoon in een bepaalde tijd.
Brutowinst
Wat je overhoudt van de omzet nadat je de inkoopwaarde ervan betaald hebt.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)
Bedrijven houden bij hun productie zo veel mogelijk rekening met de gevolgen voor mens en milieu.
Negatieve externe effecten
Nadelige invloed van bijvoorbeeld productie op de brede welvaart van anderen.
Omzet
Verkoopopbrengst exclusief btw. Het totaalbedrag dat een bedrijf ontvangt door de verkoop van producten.
Productiecapaciteit
De maximale hoeveelheid die een bedrijf kan produceren.
Evenwichtshoeveelheid
Het aantal producten dat gevraagd en aangeboden wordt bij de evenwichtsprijs.
Evenwichtsprijs
De prijs waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.
Transparante markt
Een markt waarin vragers en aanbieders goed kunnen overzien welke goederen waar en tegen welke prijs worden aangeboden.
Fusie
Twee bedrijven vormen samen één nieuw bedrijf.
Heterogene goederen
Producten waarbij het voor een klant verschil maakt wie het levert of van welk merk het is.
Homogene goederen
Producten die voor klanten niet van elkaar verschillen.
Kartel
Verboden afspraken tussen bedrijven om hun onderlinge concurrentie te beperken.
Marktaandeel
De afzet (of omzet) van een bedrijf in procenten van de totale afzet (of omzet) op de markt.
Monopolie
Marktvorm met maar één aanbieder.
Monopolistische concurrentie
Marktvorm met veel aanbieders van heterogene goederen.
Oligopolie
Marktvorm met een klein aantal aanbieders. Ze kunnen homogene of heterogene goederen aanbieden.
Volkomen concurrentie
Marktvorm met veel aanbieders van homogene goederen.