Economie Begrippen: Inkomen, Welvaart, Geld en Ondernemerschap

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/72

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een overzicht van economische begrippen over inkomen, welvaart, sparen, lenen, marktmechanismen en bedrijfsvoering.

73 Terms

1
New cards

Bestedingen

De uitgaven aan goederen en diensten.

2
New cards

Doelgroep

Groep consumenten met dezelfde kenmerken voor wie een product of boodschap bedoeld is.

3
New cards

Duurzaam consumeren

Je houdt bij je aankopen rekening met de gevolgen voor andere mensen, dieren en het milieu.

4
New cards

Maatschappelijke kosten

Alle nadelen die de samenleving ondervindt van het gedrag van personen en bedrijven.

5
New cards

Marketinginstrumenten

Prijs, product, plaats, promotie, personeel en presentatie (de 6 P's).

6
New cards

Primaire inkomens

Inkomens die je verdient door een productiefactor te leveren. Het zijn de bruto inkomens uit arbeid en uit bezit.

7
New cards

Secundaire inkomens

Netto inkomens plus inkomens uit overdrachten, zoals uitkeringen en toeslagen.

8
New cards

Besteedbaar inkomen

Het inkomen dat je kunt gebruiken voor consumptie.

9
New cards

Loonheffing

Inhouding op je brutoloon, die bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen.

10
New cards

Lorenzcurve

Grafiek die de verdeling van het nationaal inkomen over de bevolking laat zien.

11
New cards

Modaal inkomen

Het inkomen dat het meest voorkomt.

12
New cards

Nationaal inkomen

Wat alle inwoners samen aan inkomen hebben uit arbeid en bezit.

13
New cards

Brede welvaart

Welvaart die gaat over de kwaliteit van het leven, waarin het welzijn meetelt.

14
New cards

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS verzamelt allerlei cijfermatige informatie.

15
New cards

Indexcijfer

Getal dat een procentuele verandering laat zien ten opzichte van het basisjaar.

16
New cards

Middelen

Alles wat je nodig hebt om in je behoeften te voorzien. Vooral geld en tijd.

17
New cards

Prioriteiten stellen

Je kiest voor jezelf welke behoeften je het belangrijkst vindt.

18
New cards

Schaars

Iets is schaars als het niet onbeperkt beschikbaar is. Er zijn middelen nodig om het te maken.

19
New cards

Welvaart

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. Ook wel: materiële welvaart.

20
New cards

Cpi

Consumentenprijsindexcijfer. Laat verandering van prijzen zien ten opzichte van het basisjaar.

21
New cards

Geldontwaarding

Het geld zelf wordt minder waard als gevolg van inflatie.

22
New cards

Inflatie

Een algemene stijging van de prijzen.

23
New cards

Koopkracht

De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.

24
New cards

Loon-prijsspiraal

Vicieuze cirkel van loon- en prijsstijgingen.

25
New cards

Nominale verandering

Verandering van bedragen waarbij je geen rekening houdt met inflatie.

26
New cards

Prijscompensatie

De lonen stijgen net zo veel als de prijzen, waardoor je koopkracht gelijk blijft.

27
New cards

Reële verandering

Verandering van bedragen, gecorrigeerd voor inflatie.

28
New cards

Budgetplan

Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven.

29
New cards

Nibud

Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. Het Nibud geeft voorlichting over hoe je je inkomsten en uitgaven het best op elkaar kunt afstemmen.

30
New cards

Reserveren

Sparen om een grote, incidentele uitgave te kunnen betalen.

31
New cards

Soorten uitgaven

Dagelijkse uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.

32
New cards

Beleggen

Je koopt iets waarvan je verwacht dat het meer waard wordt.

33
New cards

Enkelvoudige rente

Rente die telkens na afloop van een jaar apart wordt uitgekeerd. Je spaartegoed zelf verandert niet.

34
New cards

Nominale rente

De rente waarmee de bank rekent.

35
New cards

Reële rente

De nominale rente min de inflatie. Het laat zien hoe de koopkracht van je spaargeld verandert.

36
New cards

Rendement

De opbrengst van een belegging, meestal uitgedrukt in een percentage.

37
New cards

Samengestelde rente

Rente-op-rente. De rente wordt na ieder jaar bijgeschreven op je spaarrekening. In het volgende jaar krijg je rente over je spaarbedrag plus de bijgeschreven rente.

38
New cards

Spaardeposito

Spaarrekening waarop je geld voor een afgesproken tijd vast staat tegen een vast rentepercentage.

39
New cards

Spaarmotieven

Redenen om te sparen: voor een doel, voor de rente of uit voorzorg.

40
New cards

Consumptief krediet

Een lening voor de aanschaf van een consumptiegoed.

41
New cards

Hypothecaire lening

Een lening voor de aankoop van een woning.

42
New cards

Kredietvormen

Soorten leningen. Bij een bank: persoonlijke lening en salariskrediet. Bij leveranciers: koop op afbetaling en private lease.

43
New cards

Leenmotieven

Redenen om te lenen: om een tijdelijk geldtekort te overbruggen, omdat je een dure aankoop niet wilt uitstellen, omdat je onverwacht dringend geld nodig hebt, of voor de aankoop van een woning.

44
New cards

Schuld

Een bedrag dat iemand van jou tegoed heeft.

45
New cards

Aanbod van geld

Geld op spaarrekeningen.

46
New cards

ECB

Europese Centrale Bank. De centrale bank van de eurozone.

47
New cards

Geldfuncties

Geld kun je gebruiken als ruilmiddel, als spaarmiddel en als rekenmiddel.

48
New cards

Rente

De prijs van geld.

49
New cards

Vraag naar geld

Gezinnen en bedrijven willen geld lenen.

50
New cards

Investeren

Bedrijven besteden geld aan productiemiddelen, zoals kapitaalgoederen.

51
New cards

Kostprijs per product

De gemiddelde kosten voor het maken van één product.

52
New cards

Productiefactoren

Alle middelen die je nodig hebt om te produceren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.

53
New cards

Toegevoegde waarde

De extra waarde die ontstaat doordat een bedrijf een product bewerkt.

54
New cards

Variabele kosten

Kosten die veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de kosten van grondstoffen.

55
New cards

Vaste kosten

Kosten die niet meteen veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de huur van je gebouw.

56
New cards

Arbeidsproductiviteit

De productie per persoon in een bepaalde tijd.

57
New cards

Brutowinst

Wat je overhoudt van de omzet nadat je de inkoopwaarde ervan betaald hebt.

58
New cards

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)

Bedrijven houden bij hun productie zo veel mogelijk rekening met de gevolgen voor mens en milieu.

59
New cards

Negatieve externe effecten

Nadelige invloed van bijvoorbeeld productie op de brede welvaart van anderen.

60
New cards

Omzet

Verkoopopbrengst exclusief btw. Het totaalbedrag dat een bedrijf ontvangt door de verkoop van producten.

61
New cards

Productiecapaciteit

De maximale hoeveelheid die een bedrijf kan produceren.

62
New cards

Evenwichtshoeveelheid

Het aantal producten dat gevraagd en aangeboden wordt bij de evenwichtsprijs.

63
New cards

Evenwichtsprijs

De prijs waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.

64
New cards

Transparante markt

Een markt waarin vragers en aanbieders goed kunnen overzien welke goederen waar en tegen welke prijs worden aangeboden.

65
New cards

Fusie

Twee bedrijven vormen samen één nieuw bedrijf.

66
New cards

Heterogene goederen

Producten waarbij het voor een klant verschil maakt wie het levert of van welk merk het is.

67
New cards

Homogene goederen

Producten die voor klanten niet van elkaar verschillen.

68
New cards

Kartel

Verboden afspraken tussen bedrijven om hun onderlinge concurrentie te beperken.

69
New cards

Marktaandeel

De afzet (of omzet) van een bedrijf in procenten van de totale afzet (of omzet) op de markt.

70
New cards

Monopolie

Marktvorm met maar één aanbieder.

71
New cards

Monopolistische concurrentie

Marktvorm met veel aanbieders van heterogene goederen.

72
New cards

Oligopolie

Marktvorm met een klein aantal aanbieders. Ze kunnen homogene of heterogene goederen aanbieden.

73
New cards

Volkomen concurrentie

Marktvorm met veel aanbieders van homogene goederen.