1/57
Looks like no tags are added yet.
contingency-perspectief
er is geen beste manier om een organisatie te leiden (college 1)
diversiteitsmanagement
de organisatorische aanpak die zowel diversiteit als inclusie probeert te bevorderen
benevolent prejudice
vooroordelen die positief zijn
impliciet bias
onbewuste vooroordelen
the contact hypothesis
regelmatig in positief contact staan met verschillende groepen kan vooroordelen verminderen.
common in-group identity
actieve focus op gezamenlijke identiteit.
theory of planned behavior
attitude tov gedrag, subjectieve normen, waargenomen controle over gedrag —> intentie —> gedrag
self-perception theory
soms voelen we geen spanning, maar trekken we simpelweg conclusies uit ons gedrag
affectieve attitude
emotionele band, daarom blijf je
continuance attitude
voordeel van blijven
normative attitude
morele redenen om te blijven
core self evaluation
geloof dat iemand heeft in eigen capaciteiten
myer briggs type indicator
psychometisch model dat mensen indeelt in 16 verschillende persoonlijkheidstypen
big five model
extraversion, agreeableness, conscientiousness, emotional stability, open to experience
machiavellism
emotioneel afstandelijk, resultaat is heilig
psychopathy
asociaal, manipulatief, egoïstisch
situation strength theory
de kracht van de situatie bepaalt hoe persoonlijkheid zich uit in gedrag
trait activation theory
je ziet een eigenschap vooral, wanneer de situatie haar relevant maakt (faalangst)
schwartz value circumflex
die cirkel diagram met tegenstellingen, slef trancidentie vs zelfverbetering
hofstedes culturele dimensies
power distance, individual vs collective, masculine, vs feminine, ucertaintyavoidence, long term vs short term, inguldence vs restraint,
attribution theory
Onderscheidendheid → verschillend
gedrag in verschillende situaties?
• Consensus → anderen gedragen
zich hetzelfde?
• Consistentie → zelfde gedrag in
dezelfde situatie over tijd?
fundamental attribution error
we hebben de neiging om de oorzaak van gedrag te zien bij anderen, in de persoon zelf
availability bias
• De neiging om beslissingen te baseren op informatie die makkelijk
beschikbaar is
• Wanneer is iets makkelijk beschikbaar?
• Primacy effect → Informatie die het eerst komt wordt beter onthouden en
zwaarder meegewogen
• Recency effect → informatie die het laatst komt wordt beter onthouden en
zwaarder meegewogen
• Intensiteit → opvallende, extreme of intense informatie wordt beter
onthouden en zwaarder meegewogen
handside error (bias)
De neiging om, nadat een gebeurtenis
of uitkomst bekend is, te denken dat je
dit “altijd al wist” of dat het
voorspelbaarder was dan het in
werkelijkheid was
social facilitatie
de aanwezigheid van anderen kan prestatie verbeteren
social inhibitie
aanwezigheid van anderen kan prestatie verslechteren
Robert zanjoc
inhibte vs facilitatie
arausal (=opwinding) verbetert geautomatiseerde dingen maar complexere dingen gaan minder goed
sociale identiteitstheorie
je eigen indruk van wie je bent voor een groot deel bepaald door de groep waarbij je hoort
groepsprototypicalitiet
de mate waarin een specifiek groepslid de kernwaarden, normen en gedragingen belichaamt van een specifieke groep of organisatie
compositie
ordening van losse delen tot een samenhangend geheel
conformen
aanpassen van jou gedrag aan de normen van de groep
groupthink
door groepsdruk is iedereen het er mee eens, maar in werkelijkheid zijn ze als individu er eigenlijk op tegen
groupshift
verschil individuele beslissingen en die van de groep —> dit leid tot verdere onenigheid
zimbarbo’ s prison experiment
mensen gingen zich anders gedragen wanneer zij een bepaalde rol krijgen en wanneer de omgeving dit ondersteunt
asch comformiteits experiment
groep 3 strepen en 1 voorbeeld streep en 1 proefpersoon in groep. de andere mensen zeiden dat het de streep was die niet goed was en 70% van de keren conformeerde de proefpersoon
statusincongruentie
status en positie komen niet overeen
social loafing
als de groep groter word gaat individu minder doen (ringelman effect)
motivatie winst
(Kohler effect) minder presterende leden gaan harder werken in een groep
additieve taak
inspanning individu niet zichtbaar
conjunctieve taak
ieders inzet is zichtbaar
inner group bias
andere omgang mensen niet uit groep
gedeelde realiteit / mental mode
accuraat en gedeeld mentaal plaatje van hoe het werk moet worden aangepakt
3 componenten van motivatie
intensiteit, richting en volharding (hoelang houd ik dit vol)
self determination theory
het maakt niet uit hoeveel motivatie iemand heeft, maar ook wat voor motivatie dat is
—> autonome (zelf) en gecontroleerde (druk extrinsiek)
goal setting theory
1. Aandacht
Doelen maken duidelijk waar we op
letten.
2. Inspanning
Moeilijke, geaccepteerde doelen
mobiliseren effort.
3. Volharding
Een doel kan ervoor zorgen dat we
langer doorgaan.
4. Strategie
We zoeken manieren om het doel te
halen
expectancy theory
Inspanning → prestatie → uitkomst → waarde
Expectancy
Als ik mijn best
doe, kan ik dan
goed presteren?
Instrumentality
Als ik goed
presteer, krijg ik
daar dan iets
voor?
Valence
Vind ik die
uitkomst
eigenlijk
aantrekkelijk?
reinforcement
versterking
equity theory
wat krijg ik vergeleken met jou?
implicatie leader theories
leider is dominant, man, vol zelfvertrouwen, lang
trait theories
naast fysieke kenmerken ook persoonlijke traits en intellectuele abilities
behavioral theories
deze beperkingen van trait theories hebben geleid tot gedragstheorien
implicatie: leiderschap kan worden aangeleerd
two factor theory of leadership
wat doen leiders?
initiating structure (taakgericht) —> mate leider rollen definieert en structuur aanbrengt.
consideration (relationship / employees orientation) —> de mate waarin leider relaties vormt die worden gekenmerkt door vertrouwen, respect voor werknemers en bekommeren om hun gevoelens
contingency theory’ s
trait en gedragstheorie helpen ons om leiderschap te begrijpen maar een belangrijk component ontbreekt 0—> invloed van de omgeving
heroïsche mensen
individuen die inpireren door woorden, ideeën en gedrag
charisma
geeft formele eigenschap, maar een perceptie van volgers.
volgers kennen iemand heroïsche of buitengewone competenties mbt leiderschap toe wanneer zij bepaald gedrag waarnemen —> daardoor krijgen ze macht
4 elementen: visie, persoonlijkheid, gevoelig voor behoeften volgers, onconventioneel gedrag
transactionele leiders
leiders die begeleiden of motiveren in de richting van gestelde doelen, door rol en taak vereisten duidelijk te maken.
transformationele leiders
inspireren volgers om boven hun eigen belang en verwachting uit te stijgen ten behoeve van de organisatie; hebben buitengewone invloed op volgers:
4 i’s: geïdealiserde invloed, geïnspireerde motivatie, intellectuele stimulatie, individuele consideratie
wanneer leider te vertouwen?
integriteit (eerlijkheid),
benevolence (welwillendheid, rekening jou belang)
ability (bekwaamheid, de technische interpersoonlijke vaardigheden van een leider
maar ook trustpropencitu = geneigd om te vertrouwen.