1/41
all parts of the plant and their function

stippel: Een dunne zone in de secundaire celwand waar geen extra celwandmateriaal afgezet is. Stippels komen altijd paarsgewijs voor en zorgen voor watertransport tussen aangrenzende cellen


parenchym: Basisweefsel met dunne primaire celwand en levende celinhoud. Meest voorkomend weefsel; vervult functies in opslag (reserveparenchym), fotosynthese (chlorenchym), steun via turgor en vul- en verbindingsfunctie.

chlorenchym: Parenchymcellen met veel chloroplasten, aanwezig in bladeren en belichte stengels. Voornaamste weefsel voor fotosynthese; een bijzondere vorm van parenchym.

Vruchtvlees peer :
parenchym met sklereïden: In peervlees zijn isodiametrische parenchymcellen aanwezig met verspreid kleine groepjes steencellen (brachysklereïden). Deze geven de korrelige textuur aan rijpe peren.

Blad waterlelie: aerenchym: Parenchymweefsel met zeer grote intercellulaire luchtholten, aanwezig in waterplanten (zoals waterlelie). Zorgt voor gaswisseling naar ondergedoken organen in anaëroob milieu.

zeefvaten: Floëemcellen van angiospermen met zeefplaten (grote doorboorde poriën in de dwarswand) en zonder kern in volwassen toestand. Werken samen met begeleidende cellen voor actief suikertransport.

Kollenchym: Primair steunweefsel met ongelijk verdikte primaire celwand (hoek-, plaat- of holtekollenchym) en levende celinhoud. Biedt plastische steun tijdens groei; verliest steunfunctie bij turgorverlies.

Sklerenchym: Steunweefsel met sterk verdikte, gelignifieerde secundaire celwand; cel is bij volledige differentiatie afgestorven. Biedt elastische steun na afloop van de groei. Onderverdeeld in vezels en sklereïden.

Apicaal stengelmeristeem: Het apicale stengelmeristeem (shoot apical meristem, SAM) is de groep meristematische initiaalcellen aan de top van de stengel die verantwoordelijk is voor de primaire lengtegroei. Het bestaat uit een buitenste tunica (anticliene delingen) en een binnenste corpus (anticliene + perikliene delingen). Vanuit dit meristeem worden bladprimordiën, knopprimordiën en de drie primaire meristemen (protoderm, grondmeristeem, procambium) geproduceerd. Het blijft actief gedurende het hele leven van de plant.Zoek aan de uiterste top van de stengel naar een koepelvormige massa van kleine, dicht opeengepakte cellen met grote kernen en nauwelijks zichtbare vacuolen. De cellen zijn gelijkmatig en hebben dunne wanden. Direct eronder zijn kleine bultjes zichtbaar — dat zijn de bladprimordiën. Op een dwarse doorsnede kleurt het meristeem donkerder bij basische kleurstoffen (door het hoge kerngehalte). Er zijn geen grote intercellulaire ruimten.

monocotyl epidermis: Epidermiscellen van monocotylen zijn langgerekt en regelmatig. Huidmondjes en epidermiscellen liggen afwisselend in evenwijdige rijen, passend bij de langgerekte bladstructuur.

Dicotyl epidermis: Epidermiscellen van dicotylen vertonen in bovenaanzicht een golvend-puzzelvormige omtrek. Huidmondjes liggen schijnbaar willekeurig verspreid tussen de kronkelende cellen.

de cuticula: Een laag cutine die bovenop de buitenwand van epidermiscellen wordt afgezet. Sterk waterafstotend en vermindert transpiratie aanzienlijk (slechts 5–10% van transpiratie gaat erdoor).

stomata, sluitcell: Huidmondjes bestaan uit twee boonvormige sluitcellen met chloroplasten die een regelbare opening (de spleet) omringen. Ze laten CO₂-opname toe voor fotosynthese en reguleren transpiratie.

Trichomen: Eén- of meercellige uitgroeisels van de epidermis. Functies: terugkaatsing van zonlicht, vermindering van transpiratie, bescherming tegen herbivorie. Kunnen secreterend (klierharen) of niet-secreterend zijn.

netels: Gespecialiseerde eencellige stekelharen van Urtica met een verkiezelde kop op een verkurkte sokkel. Bij aanraking breekt de top af en injecteert celinhoud (formiaat, histamine) in de huid.

rizodermis: De buitenste cellaag van jonge wortels, zonder cuticula. Cellen kunnen uitgroeien tot wortelhaartjes die het contactoppervlak met de bodem sterk vergroten voor water- en ionenopname.

bandjes van caspari: Suberine- en lignine-houdende bandjes op de radiale en transversale wanden van endodermiscellen. Blokkeren apoplasmisch transport; water en ionen moeten via het symplasma (door de cel) naar de centrale cilinder.

xyleem: Watergeleidend vasculair weefsel, opgebouwd uit tracheïden, houtvaten (tracheeën), xyleemparenchym en -vezels. Transporteert water en opgeloste anorganische stoffen van wortel naar blad (transpiratiestroom).

trachieden: Langwerpige enkelvoudige xyleemcellen met schuine eindwanden en hofstippels. Geen levende celinhoud bij volledig differenties. Aanwezig bij pteridofyten, gymnospermen én angiospermen; het evolutionair oudste tracheale element.

tracheeen: Buizensysteem gevormd door op elkaar aansluitende vatelementen met volledig doorboorde dwarswanden (perforatieplaten). Breder dan tracheïden; kenmerkend voor angiospermen. Sneller watertransport.

floeem: Weefsels dat organische stoffen (suikers) transporteert, van bladeren naar groeiende en opslaande organen. Bevat zeefcellen of zeefvaten, al dan niet met begeleidende cellen, floëemparenchym en vezels.

Eustele (dicotyle stengel)
Stelepatroon waarbij de vaatbundels in een ring gerangschikt zijn rondom centraal mergparenchym. Kenmerkend voor gymnospermen en eudicotylen; open vaatbundels (met fasciculair cambium) mogelijk.

monocotyl of atactostele stengel
Stelepatroon met verspreide gesloten vaatbundels door het gehele grondparenchym, zonder duidelijk onderscheid tussen schors en merg. Kenmerkend voor monocotylen; geen secundaire diktegroei mogelijk.

Gesloten vaatbundels: Bij de monocotylen differentieert de procambiumstreng zich volledig tot floëem en xyleem en blijft er geen meristematisch weefsel meer over. Men spreekt in dit geval van gesloten vaatbundels. Rond de individuele vaatbundels komt een vezelschede voor.
Vaatbundel omgeven door een sklerenchymschede, zonder cambiumzone tussen xyleem en floëem. Typisch verspreid in monocotyle stengels.

Open vaatbundel: Collaterale vaatbundels met een restant fasciculair cambium tussen xyleem en floëem. Aanwezig bij gymnospermen en eudicotylen; dit cambium kan uitgroeien tot een gesloten cambiumring voor secundaire groei.

amifasaal concentrische vaatbundel: Vaatbundel waarbij het xyleem rondom een centraal floëem ligt. Komt voor bij sommige monocotylen (bv. Dracaena). Tegenover amficribraal: floëem rondom xyleem.

Amficribraal concentrische vaatbundel: Bij concentrische vaatbundels onderscheidt men amfivasale vaatbundels, waarbij het xyleem rond het floëem ligt, en amficribrale vaatbundels, waarbij het floëem rond het xyleem ligt. Op een dwarse doorsnede: centraal xyleem volledig omringd door floëem.

Hardwood: Secundair xyleem van loofbomen met houtvaten, tracheïden, xyleemvezels en parenchym. Complexe structuur; hofstippels zonder torus; pluriseriate stralen. Rijker aan vezels dan gymnospermenhout.

softwood: Secundair xyleem van naaldbomen, opgebouwd vrijwel uitsluitend uit tracheïden in radiale rijen. Uniseriate stralen; hofstippels met torus; vaak harskanalen. Eenvoudiger dan eudicotylenhout.

lenticel: Felleem of kurk is een secundair weefsel dat gevormd wordt door het kurkcambium of fellogeen bij secundaire groei van stengels en wortels. Lenticellen zijn openingen in dit periderm die gaswisseling mogelijk maken, ter vervanging van de huidmondjes die in de primaire epidermis aanwezig waren. Kleine onderbreking in het kurkweefsel met losser gerangschikte cellen. Uitwendig zichtbaar als kleine verhevenheden op de stengel.

Kurkcambium: Lateraal meristeem dat bij secundaire groei het kurk (felleem) naar buiten en het fellogeen-parenchym (felloderm) naar binnen produceert. Samen vormen ze het periderm, het secundaire afschermingsweefsel.

rytidoom: De gehele dode buitenlaag van een dikgroeiende stam, bestaande uit opeenvolgende peridermen en daartussen ingesloten afgestorven bastweefsel. Populair aangeduid als "bast" of schors van bomen.

allorize: Bij allorize planten ontwikkelt het embryonale kiemworteltje (de radicula) zich tot een blijvende hoofdwortel die verder vertakt via zijwortels. Dit penwortelsstelsel is kenmerkend voor gymnospermen en eudicotylen. Één dominante hoofdwortel met hiervan aftakkende zijwortels. Typisch voor eudicotylen en gymnospermen.

homorize: Bij homorize planten sterft de primaire wortel vroeg af en wordt vervangen door adventieve wortels die ontstaan vanuit de stengelbasis. Dit geeft een vezelig wortelstelsel zonder dominante hoofdwortel, kenmerkend voor de monocotylen. Merk op dat bij gymnospermen meestal geen wortelhaartjes voorkomen.Een systeem van gelijkwaardige adventieve wortels zonder centrale hoofdwortel. Typisch voor monocotylen.

mycorrhizae: Symbiose tussen schimmeldraden en wortels van hogere planten. De schimmel vergroot het opname-oppervlak voor water en mineralen enorm; de plant levert koolhydraten. Bijzonder belangrijk bij gymnospermen die geen wortelhaartjes hebben.

monocotyle wortel: Polyarche wortel (veel xyleemstralen) met vaatbundels in een ring, groot centraal merg en goed ontwikkelde endodermis met Caspary-bandjes. Bijzonder vezelachtige en goed gedifferentieerde anatomie.

eudicotyle wortel:Diparche tot tetraparche wortel (2–4 xyleemstralen) met alternerende xyleem- en floëemgroepen, smalle centrale xyleemster en endodermis. Vertoont bij oudere wortels diktegroei via cambium.

Alternerend: distiche bladstand: Bladeren staan afwisselend in twee rijen langs de stengel, met een hoek van 180° tussen opeenvolgende bladeren. Men spreekt van een divergentiehoek van 1/2. Twee evenwijdige rijen van bladeren, afwisselend links en rechts aan de stengel.

Alternerend: tristiche bladstand Bladeren zijn verdeeld over drie rijen langs de stengel, met een divergentiehoek van 1/3 (120°) tussen opeenvolgende bladeren. Elk vierde blad staat opnieuw boven het eerste.Drie evenhoekige rijen bladeren langs de stengel, vanuit top gezien als drie armen.

Alternerend: spiralige bladstand: Bladeren worden schroefvormig rondom de stengel aangelegd. Door de spiralige rangschikking staat geen enkel blad exact boven een ander, wat de wederzijdse beschaduwing minimaliseert. Dit is de meest voorkomende bladstand bij hogere planten. Bladeren staan schroefvormig rondom de stengel, vanuit de top zichtbaar als een spiraalpatroon.

Gymnospermenblad (coniferen) is equifaciaal,
amfistomatisch: Naalden van coniferen zijn gelijkvormig in doorsnede (equifaciaal: boven- en onderzijde gelijkaardig) en bezitten huidmondjes aan alle zijden (amfistomatisch). Aanpassing aan droge omstandigheden.

Dicotylen hebben een bifaciaal, hypostomatisch blad: Het typische dicotyle blad heeft een duidelijk boven- (palissade) en onderkant (sponze) weefsel (bifaciaal) en huidmondjes uitsluitend aan de onderkant (hypostomatisch). Vermindert waterafgifte.