Stotteren: Diagnostiek, Modellen en Begeleiding

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/33

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Oefenflashcards voor het vak Vloeiendheidsstoornissen / Stotteren, gebaseerd op de colleges, werkgroepen en richtlijnen over diagnostiek, modellen en risicofactoren.

34 Terms

1
New cards

Stotteren (definitie Guitar & Peters)

Een spraakstoornis die wordt gekarakteriseerd door een abnormaal hoge frequentie en/of duur van onderbrekingen in de spraakflow, welke zich uiten in herhalingen, verlengingen en blokkades.

2
New cards

Prevalentie van stotteren

Het percentage van de bevolking dat op een specifiek moment stottert, vastgesteld op 0,7–1%0{,}7\text{--}1\% van de wereldbevolking (Seery & Yairi, 2015).

3
New cards

Incidentie van stotteren

Het percentage van de totale bevolking dat ooit in hun leven heeft gestotterd, geschat op 5%5\% tot 17%17\%.

4
New cards

Natuurlijk herstelpercentage bij stotteren

Het aandeel kinderen bij wie stotteren spontaan verdwijnt; in recente studies geraamd op 65%65\% tot 67%67\% (en in oudere studies variërend van 50%50\% tot 94%94\%).

5
New cards

Geslachtsratio bij stotteren

De verhouding van mannen tot vrouwen die stotteren, geschat op circa 3:13:1. Bij de start is de ratio jongens tot meisjes [1–2]:1[1\text{--}2]:1, maar meer meisjes herstellen natuurlijk.

6
New cards

Normale onvloeiendheden (Guitar)

Spraakonvloeiendheden waarbij maximaal 1010 niet-vloeiendheden per 100100 woorden voorkomen, meestal enkelvoudige herhalingen betreffen, en hoofdzakelijk bestaan uit interjecties, revisies en woordherhalingen zonder spanning.

7
New cards

Borderline stotteren (Grensgeval)

Ontwikkelingsniveau met meer dan 1010 onvloeiendheden per 100100 woorden, meervoudige herhalingen, en meer herhalingen/verlengingen dan revisies, waarbij de haperingen los en ontspannen blijven zonder spanning of frustratie.

8
New cards

Beginnend stotteren (Guitar)

Stotterniveau met meer dan 10%10\% niet-vloeiendheden, gekenmerkt door snelle, gespannen herhalingen, stijgende toonhoogte aan het eind van verlengingen, fixatie van articulatiestanden (blokkades), ontsnappingsgedragingen en merkbaar bewustzijn/frustratie.

9
New cards
<p>Components of Assessment and Diagnosis (Guitar, 2019)</p>

Components of Assessment and Diagnosis (Guitar, 2019)

Het diagnostisch stappenplan bestaande uit: (1) Background information verzamelen, (2) Observe client (ouder-kindinteractie en spraaksample), (3) Interview (ouders, leerkracht of volwassene), (4) Diagnosis (data-interpretatie en behandelopties overwegen), en (5) Meet with client or family to review options for treatment.

10
New cards
<p>SSI-4 (Stuttering Severity Instrument-4)</p>

SSI-4 (Stuttering Severity Instrument-4)

Een gestandaardiseerd, evidence-based onderzoeksinstrument (Riley, 2009) om de waarneembare ernst van het stotteren vast te stellen aan de hand van frequentie, duur en fysieke bijbewegingen, resulterend in een ernstclassificatie van heel mild tot zeer ernstig.

11
New cards

Percentage Stottersyllaben (%SS)

De maat voor stotterfrequentie binnen de SSI-4, berekend met de formule: Aantal stottersAantal lettergrepen×100\frac{\text{Aantal stotters}}{\text{Aantal lettergrepen}} \times 100, afgenomen over een steekproef van ongeveer 600600 syllaben.

12
New cards

Duurscore (SSI-4)

Onderdeel van de SSI-4 gebaseerd op het gemiddelde van de drie langste stottermomenten, getimed tot op 0,10{,}1 seconde nauwkeurig en omgezet naar een schaalscore.

13
New cards

Fysieke bijbewegingen (Physical Concomitants)

Secundaire gedragingen beoordeeld op een schaal van 00 tot 55 binnen vier categorieën: afleidende geluiden, faciale grimassen, hoofdbewegingen en bewegingen van de ledematen.

14
New cards
<p>Speech Naturalness Scale</p>

Speech Naturalness Scale

Een 9-puntsschaal waarop de natuurlijkheid van de spraak wordt gescoord, variërend van 11 (zeer natuurlijk klinkende spraak) tot 99 (zeer onnatuurlijk klinkende spraak).

15
New cards
<p>KiddyCAT</p>

KiddyCAT

Een zelfbeoordelingsvragenlijst bestaande uit 1212 ja/nee-vragen voor kinderen tot en met 66 jaar om de spreekattitude en cognitieve beleving ten aanzien van het eigen spreken te onderzoeken.

16
New cards

KiddyCAT scoreberekening

De berekening Totaalscore−GemiddeldeStandaarddeviatie\frac{\text{Totaalscore} - \text{Gemiddelde}}{\text{Standaarddeviatie}}; een uitkomst >0> 0 betekent dat het kind negatiever denkt over spreken dan leeftijdsgenoten, terwijl <0< 0 wijst op een positievere attitude.

17
New cards
<p>Ouder-kind interactieformulier (RESTART-DCM)</p>

Ouder-kind interactieformulier (RESTART-DCM)

Een observatieformulier binnen de RESTART-DCM-werkwijze waarin tijdens vrij spel en puzzelen zes oudergedragingen worden beoordeeld: vragen stellen, beurtgedrag, reactie op stotteren, talig gedrag, spreektempo en overig interactiegedrag.

18
New cards

Ernstscore Lidcombe Program

Een 10-puntsschaal van 00 tot en met 99 waarmee ouders dagelijks de stotterernst registreren (00 = geen stotteren, 11 = extreem mild stotteren, vanaf 44 = stotteren met spanning, 99 = extreem ernstig stotteren).

19
New cards

Schaal van stotterernst (Yairi & Ambrose, 2005)

Een ernstclassificatie op basis van intervallen: 0–10\text{--}1 (normaal vloeiende spraak), 1–31\text{--}3 (licht stotteren), 3–53\text{--}5 (matig stotteren) en 5–75\text{--}7 (ernstig stotteren).

20
New cards
<p>ScreeningsLijst voor Stotteren (SLS)</p>

ScreeningsLijst voor Stotteren (SLS)

Een 20 jaar oude screeningsvragenlijst (G. & J. Riley) ingevuld door ouders over onderdelen A t/m F; niet meer opgenomen in de Richtlijn Stotteren (2020) omdat essentiële risicofactoren ontbreken.

21
New cards
<p>Klinisch Werkmodel Stotteren (Bertens, 1993)</p>

Klinisch Werkmodel Stotteren (Bertens, 1993)

Model dat stotteren verklaart vanuit een zwakke aanleg voor spraak-taaltiming (Idee →\rightarrow Woorden →\rightarrow Klanken →\rightarrow Spieren), versterkt door spanning, snelheid en belemmeringen, leidend tot vecht-, vlucht- of bevriesreacties.

22
New cards

Vechten, Vluchten en Bevriezen

Drie reactiepatronen wanneer een spreker extra zijn best doet om niet te stotteren: woorden eruit duwen/meebewegen (vechten), iets anders of niets zeggen (vluchten), en heel lang vastzitten/blokkeren (bevriezen).

23
New cards
<p>Demands and Capacities Model (DCM)</p>

Demands and Capacities Model (DCM)

Model (Starkweather & Franken, 1990/1991) dat stelt dat onvloeiend spreken ontstaat wanneer de interne en externe verwachtingen/eisen (demands) zwaarder wegen dan de capaciteiten van het kind op linguïstisch, motorisch, cognitief en sociaal-emotioneel niveau.

24
New cards
<p>Bucket Analogy (Yaruss et al., 2009)</p>

Bucket Analogy (Yaruss et al., 2009)

Analogie die visualiseert hoe communicatieve stressfactoren, interpersoonlijke stressfactoren en persoonlijke factoren (aanleg, temperament) zich opstapelen in een emmer en bij overlopen leiden tot stotteren.

25
New cards
<p>Erasmus-viercomponentenmodel (4CM)</p>

Erasmus-viercomponentenmodel (4CM)

Multifactorieel model (Bezemer & Bouwen, naar Stournaras et al., 1980) dat stotteren beschrijft aan de hand van vier dynamisch samenhangende componenten: verbaal(motorisch), cognitief, emotioneel en sociaal.

26
New cards
<p>The Iceberg Analogy of Stuttering (Sheehan)</p>

The Iceberg Analogy of Stuttering (Sheehan)

Analogie waarin het zichtbare en hoorbare stotteren slechts het topje van de ijsberg boven water vormt, terwijl de grotere onderliggende massa bestaat uit onzichtbare emoties zoals angst, schaamte, schuld, isolatie en ontkenning.

27
New cards
<p>Praktijkmodel stotteren (Oonk et al., 2022)</p>

Praktijkmodel stotteren (Oonk et al., 2022)

Klinisch verklaringsmodel dat het ontstaan (genetische aanleg, hersenontwikkeling, temperament, spraak-taal) en beloop van stotteren ordent in twee sporen (herstel vs. ontwikkeling via een bio-psychosociale cirkel met onbewuste leerprocessen) en individuele uitkomsten op twee VAS-schalen (ernst en last).

28
New cards
<p>Levenslijnmodel (Oonk et al., 2022)</p>

Levenslijnmodel (Oonk et al., 2022)

Grafisch model op basis van een casus dat de interactie toont over vijf niveaus: levensfasen, ontwikkelingsmijlpalen, toevallige externe gebeurtenissen, interne reacties/aanleg, en het resulterende beloop in stotterernst en stotterlast.

29
New cards

Zwaarwegende risicofactoren voor persistentie (Richtlijn Stotteren)

De vier primaire factoren die de kans op blijvend stotteren aanzienlijk verhogen: (1) kind is 55 jaar of ouder, (2) blijvend stotteren in de familie, (3) mannelijk geslacht, en (4) stotteren bestaat al 11 jaar of langer zonder duidelijke verbetering.

30
New cards

Overige risicofactoren voor persistentie

Secundaire factoren die meewegen bij de indicatiestelling: zwakke fonologische of spraakmotorische vaardigheden, zwakke taalontwikkeling of langdurig bovengemiddelde taalontwikkeling, negatieve reactiviteit (temperament) en bijkomende stoornissen/comorbiditeit.

31
New cards

Monitoring bij jonge stotterende kinderen

Het systematisch volgen van natuurlijk herstel bij kinderen jonger dan 4;64;6 jaar bij wie stotteren korter dan 66 maanden bestaat; monitoring gaat over in behandeling als de ernst na 9–129\text{--}12 maanden sinds ontstaan niet duidelijk afneemt (maximale duur: 1212 maanden).

32
New cards

Tekenen van emotioneel en communicatief lijden

Directe indicaties om monitoring te staken en direct met therapie te starten, zoals controleverlies, frustratie, stemmetjes opzetten, fluisteren, articulatiespanning of weigeren te spreken ('het gaat niet').

33
New cards

Logopedist-Stottertherapeut (Kwalificatie)

Gespecialiseerde behandelaar die een afgeronde European Specialization in Fluency Disorders (ESS)-opleiding heeft voltooid, minimaal 100 uur100\text{ uur} stotterbehandeling per jaar uitvoert, 20 uur20\text{ uur} bijscholing volgt en deelneemt aan minimaal 6 uur6\text{ uur} kwaliteitskring.

34
New cards

ICF-model toegepast op stotteren

Classificatiemodel van de WHO dat stotteren analyseert naar functies/anatomie (herhalingen, blokkades), activiteiten (vloeiend spreken), participatie (meedoen op school/werk), externe omgevingsfactoren en persoonlijke eigenschappen.