mutatie en epigenetische modificatie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/189

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

190 Terms

1
New cards

Wat betekent modificatie?

Aanpassing of wijziging.

2
New cards

Welke twee grote vormen van wijzigingen bestaan er?

Mutaties en epigenetische modificaties.

3
New cards

Waardoor ontstaan fenotypische verschillen?

Door zowel genetische verschillen als omgevingsfactoren.

4
New cards

Wat is het nature-nurturedebat?

De discussie over hoe groot de invloed van genetische informatie en omgeving is in het ontstaan van een bepaald kenmerk.

5
New cards

Wat betekent nature in het nature-nurturedebat?

Genetische informatie.

6
New cards

Wat betekent nurture in het nature-nurturedebat?

Omgevingsfactoren.

7
New cards

Spelen genetische én omgevingsfactoren bij veel kenmerken een rol?

Ja, bij veel waarneembare kenmerken spelen beide een rol.

8
New cards

Waarop hebben omgevingsinvloeden effect?

Op epigenetische genregulatie.

9
New cards

Hoe onderzoeken wetenschappers of een eigenschap eerder genetisch of omgevingsbepaald is?

Door onder andere tweelingstudies uit te voeren.

10
New cards

Waarom zijn tweelingen die samen opgroeien nuttig in onderzoek?

Ze delen een groot deel overeenkomstige omgevingsfactoren.

11
New cards

Waarom zijn eeneiige tweelingen nuttig in onderzoek?

Ze delen hetzelfde genetische component.

12
New cards

Wat zijn mutaties?

Erfelijke wijzigingen in de basensequenties van het DNA.

13
New cards

Hoe vaak komen mutaties voor?

De frequentie van voorkomen is heel laag.

14
New cards

Op basis van welke drie zaken kunnen mutaties worden ingedeeld?

Oorzaak, organisatieniveau en effect.

15
New cards

Wat zijn spontane mutaties?

Wijzigingen in de basensequentie van het DNA die plots ergens willekeurig ontstaan.

16
New cards

Wat kan er gebeuren tijdens DNA-replicatie

DNA-polymerase maakt een fout, Het kan een verkeerd nucleotide inbouwen.

17
New cards

Hoe wordt een fout van DNA-polymerase meestal gecorrigeerd?

Via proofreadingactiviteit of een herstelmechanisme.

18
New cards

Wat gebeurt er als een fout niet gecorrigeerd wordt?

De fout wordt doorgegeven aan de dochtercellen.

19
New cards
Wat is hydrolyse van een base?
Het verbreken van de binding tussen een desoxyribose en een base.
20
New cards
Wat kan hydrolyse van een base veroorzaken?
Een deletie.
21
New cards
Wat is een deletie?
Het ontbreken van een nucleotide in een DNA-streng.
22
New cards
Wat is deaminering?
Een spontane mutatie waarbij een NH₂-groep van een base wordt afgesplitst.
23
New cards
Wat verandert er bij deaminering?
De structuur van een base verandert.
24
New cards
Welke base kan veranderen in uracil door deaminering?
Cytosine.
25
New cards
In wat verandert cytosine bij deaminering?
In uracil.
26
New cards
Welk basenpaar kan door deaminering vervangen worden?
Een GC-basenpaar wordt vervangen door een AT-basenpaar.
27
New cards
Hoe kan een AT-basenpaar ook veranderen door deaminering?
Het kan omgekeerd vervangen worden door een GC-basenpaar.
28
New cards
Hoe noem je een mutatie waarbij een basenpaar wordt vervangen door een ander basenpaar?
Een substitutie.
29
New cards
Wat kunnen breuken veroorzaken in DNA?
Breuken in de dubbele helix.
30
New cards
Wat gebeurt er als een dubbelstrengige breuk niet correct wordt hersteld?
Genetische informatie kan herschikt worden.
31
New cards
Hoe heet het herschikken van genetische informatie door fout herstel van DNA-breuken?
Een chromosoommutatie.
32
New cards
Wat zijn mutagene factoren of mutagenen?
Bepaalde soorten straling of moleculen die geïnduceerde mutaties veroorzaken.
33
New cards
Wat zijn geïnduceerde mutaties?
Mutaties die veroorzaakt worden door externe factoren zoals straling of moleculen.
34
New cards
Geef een voorbeeld van een mutageen.
Ioniserende straling.
35
New cards
Wat veroorzaakt ioniserende straling in het lichaam?
Vrije radicalen.
36
New cards
Wat zijn vrije radicalen?
Moleculen met een vrij, ongepaard elektron die andere moleculen beschadigen door een elektron weg te nemen.
37
New cards
Hoe kunnen vrije radicalen DNA beschadigen?
Ze kunnen een breuk in de suiker-fosfaatruggengraat veroorzaken of de structuur van basen veranderen.
38
New cards
Welk voorbeeld van basenverandering kan ontstaan door ioniserende straling?
Deaminering van cytosine.
39
New cards
Wat is het gevolg van deaminering van cytosine door ioniserende straling?
Een GC-basenpaar verandert in een AT-basenpaar.
40
New cards
Wat kan UV-straling veroorzaken in DNA?
Covalente bindingen tussen twee opeenvolgende thyminebasen.
41
New cards
Tussen welke basen ontstaan bindingen door UV-straling?
Tussen twee opeenvolgende thyminebasen in één DNA-streng.
42
New cards
Hoe noem je bindingen tussen twee opeenvolgende thyminebasen?
Thyminedimeren.
43
New cards
Wat veroorzaken thyminedimeren in DNA?
Een knik in het DNA.
44
New cards
Wat is het gevolg van thyminedimeren voor basenparing?
De basenparing wordt verstoord.
45
New cards
Wat is het gevolg van verstoorde basenparing tijdens replicatie?
Er wordt sneller een verkeerd nucleotide ingebouwd.
46
New cards
Hoe kunnen specifieke moleculen mutaties veroorzaken?
Door zich tussen de ringstructuren van DNA te voegen.
47
New cards
Wat is het gevolg van moleculen die zich tussen DNA invoegen?
Tijdens replicatie worden verkeerde nucleotiden ingebouwd.
48
New cards
Wat is benzopyreen?
Een stof aanwezig in sigarettenrook, uitlaatgassen van auto's en roet in schoorstenen.
49
New cards
Waar komt benzopyreen voor?
In sigarettenrook, uitlaatgassen van auto's en roet.
50
New cards
Wat betekent carcinogeen?
Een stof die kan leiden tot ongecontroleerde celdelingen waardoor kanker kan ontstaan.
51
New cards
Wat is aflatoxine?
Giftige stoffen gemaakt door schimmels van het geslacht Aspergillus.
52
New cards
Door welke schimmels wordt aflatoxine geproduceerd?
Schimmels van het geslacht Aspergillus.
53
New cards
Is aflatoxine mutageen?
Ja.
54
New cards
Is aflatoxine carcinogeen?
Ja.
55
New cards
Op basis waarvan kunnen mutaties ook worden ingedeeld?
Op basis van organisatieniveau.
56
New cards
Wat is een genmutatie?
Een mutatie waarbij één of enkele nucleotiden in een gen gewijzigd zijn.
57
New cards
Hoeveel nucleotiden zijn gewijzigd bij een genmutatie?
Eén of enkele nucleotiden.
58
New cards
Welke drie types genmutaties bestaan er?
Deletie, insertie en substitutie.
59
New cards
Wat is een deletie bij een genmutatie?
Eén of meer nucleotiden worden verwijderd.
60
New cards
Wat is een insertie bij een genmutatie?
Eén of meer nucleotiden worden ingevoegd.
61
New cards
Wat is een substitutie bij een genmutatie?
Een basenpaar wordt vervangen door een ander basenpaar.
62
New cards
Wat is een puntmutatie?
Een mutatie waarbij slechts één basenpaar gewijzigd wordt.
63
New cards
Welke aandoening is een voorbeeld van een genmutatie?
Sikkelcelanemie.
64
New cards
Waardoor wordt sikkelcelanemie veroorzaakt?
Door een mutatie in het hemoglobinegen.
65
New cards
Welk aminozuur wordt vervangen bij sikkelcelanemie?
Glutaminezuur wordt vervangen door valine.
66
New cards
Door welk aminozuur wordt glutaminezuur vervangen bij sikkelcelanemie?
Valine.
67
New cards
Wat verandert er in hemoglobine door sikkelcelanemie?
De quaternaire structuur verandert.
68
New cards
Wat gebeurt er met hemoglobinemoleculen bij sikkelcelanemie?
Ze vormen ketens.
69
New cards
Welke vorm krijgen rode bloedcellen bij sikkelcelanemie?
Een sikkelvorm.
70
New cards
Wat gebeurt er met de elasticiteit van rode bloedcellen bij sikkelcelanemie?
Ze verliezen hun elasticiteit.
71
New cards
Waarom kunnen rode bloedcellen vast raken in haarvaten bij sikkelcelanemie?
Omdat ze sikkelvormig en minder elastisch zijn.
72
New cards
Wat is het gevolg van vastzittende rode bloedcellen in haarvaten?
De doorbloeding van weefsels wordt verstoord.
73
New cards
Welke gevolgen heeft verstoorde doorbloeding bij sikkelcelanemie?
Pijn, zuurstoftekort en soms afsterven van weefsel.
74
New cards
Wat gebeurt er sneller met rode bloedcellen bij sikkelcelanemie?
Ze worden sneller afgebroken in de milt.
75
New cards
Wat veroorzaakt de snelle afbraak van rode bloedcellen in de milt?
Bloedarmoede (anemie).
76
New cards
Wat is een chromosoommutatie?
Een mutatie waarbij de structuur van een chromosoom wijzigt doordat DNA-stukken na een breuk verkeerd aan elkaar worden gezet.
77
New cards
Wat is een deletie bij een chromosoommutatie?
Een deel van een chromosoom wordt verwijderd.
78
New cards
Wat is een insertie bij een chromosoommutatie?
Een nucleotidesequentie van één chromosoom wordt toegevoegd aan een ander chromosoom.
79
New cards
Wat is een inversie?
Een sequentie komt in omgekeerde oriëntatie voor in het chromosoom.
80
New cards
Wat is een translocatie?
Uitwisseling van een sequentie tussen twee chromosomen.
81
New cards
Welk syndroom is een voorbeeld van een chromosoommutatie?
Cri-du-chatsyndroom.
82
New cards
Wat veroorzaakt cri-du-chatsyndroom?
Een deletie van een deel van chromosoom 5.
83
New cards
Welk kenmerk hebben kinderen met cri-du-chatsyndroom?
Een katachtige huil of geschreeuw.
84
New cards
Wat is een genoommutatie?
Een verandering in het aantal chromosomen.
85
New cards
Wat is non-disjunctie?
Het niet uit elkaar trekken van homologe chromosomen tijdens anafase I of zusterchromatiden tijdens anafase II.
86
New cards
Wat is het gevolg van non-disjunctie?
Er ontstaat een afwijkend aantal chromosomen.
87
New cards
Kan non-disjunctie ook bij mitose voorkomen?
Ja, tijdens anafase van mitose kunnen zusterchromatiden ook niet uit elkaar getrokken worden.
88
New cards
Wat ontstaat bij non-disjunctie tijdens mitose?
Cellen met een afwijkend aantal chromosomen.
89
New cards
Wat is monosomie?
Eén chromosoom te weinig.
90
New cards
Wat is trisomie?
Eén chromosoom te veel.
91
New cards
Wat betekent ploïdie?
Het aantal sets homologe chromosomen in een cel.
92
New cards
Wat betekent haploïd (n)?
Eén set chromosomen.
93
New cards
Hoeveel chromosomen hebben menselijke eicellen en zaadcellen?
23 chromosomen.
94
New cards
Wat betekent diploïd (2n)?
Twee sets chromosomen.
95
New cards
Hoeveel chromosomen hebben menselijke lichaamscellen?
46 chromosomen.
96
New cards
Wat is aneuploïdie?
Een genoommutatie waarbij het aantal van één of enkele chromosomen afwijkt.
97
New cards
Wat is polyploïdie?
Meer dan twee volledige chromosomensets aanwezig.
98
New cards
Wat betekent triploïd?
Drie chromosomensets (3n).
99
New cards
Wat betekent tetraploïd?
Vier chromosomensets (4n).
100
New cards
Wat betekent pentaploïd?
Vijf chromosomensets (5n).