1/29
Woordenschat-flashcards gebaseerd op de samenvatting van Cultuurwetenschappen over staats- en regeringsvormen, kenmerken van democratie, deliberatieve democratie en de scheiding der machten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Dictatuur
Een regeringsvorm waarbij de politieke macht bij één persoon of een kleine groep ligt, burgers weinig politieke inspraak hebben en kritiek op de machthebbers wordt beperkt.
Totalitaire dictatuur
Een dictatuur waarin de leider alles bepaalt en de staat probeert veel aspecten van het leven en de samenleving te controleren (voorbeeld: Noord-Korea onder leiding van Kim Jong-un).
Theocratie
Een regeringsvorm waarin religieuze autoriteiten veel of de hoogste politieke macht hebben en religie een bepalende rol speelt in wetten en bestuur.
Monarchie
Een staat met een monarch als staatshoofd, zoals een koning of koningin, waarbij de functie doorgaans erfelijk wordt doorgegeven.
Absolute monarchie
Een monarchie waarin de monarch zeer ruime of vrijwel onbeperkte macht bezit (voorbeeld: Saudi-Arabië).
Constitutionele monarchie
Een monarchie waarin de macht van de monarch wordt begrensd door de grondwet en andere politieke instellingen (ook wel beperkte monarchie genoemd).
Republiek
Een staatsvorm waarbij het staatshoofd geen erfelijke monarch is, maar doorgaans een president.
Presidentiële republiek
Een republiek waarin de president zowel staatshoofd als regeringsleider is (voorbeeld: Verenigde Staten).
Semi-presidentiële republiek
Een republiek waarin de president het staatshoofd is en de premier/eerste minister de regeringsleider is (voorbeeld: Frankrijk).
Parlementaire republiek
Een republiek waarin de president staatshoofd is (vaak met een vooral ceremoniële functie) en de regering wordt geleid door een premier/eerste minister die steunt op het parlement (voorbeeld: Italië).
Parlementaire democratie
Een democratisch systeem waarin burgers vertegenwoordigers voor het parlement kiezen en de regering moet rekenen op de steun en het vertrouwen van het parlement en daaraan verantwoording aflegt.
Parlementaire monarchie
Een monarchie waarin de rol van de koning beperkt is en voornamelijk een symbolische en representatieve functie vervult (voorbeeld: België).
Volkssoevereiniteit
Het democratische principe dat het volk de bron is van het politieke gezag, waarbij burgers via verkiezingen en politieke deelname invloed uitoefenen.
Politieke gelijkheid
Het democratische principe dat burgers gelijke politieke rechten hebben en op gelijke voet aan het politieke proces moeten kunnen deelnemen.
Vrije verkiezingen
Het democratische principe dat burgers vrij kunnen kiezen tussen kandidaten en partijen en dat verkiezingen eerlijk en regelmatig plaatsvinden.
Burgerlijke vrijheden en mensenrechten
Basisrechten die door de democratie worden beschermd, waaronder de vrijheid van meningsuiting en pers, vrijheid van vereniging en vergadering, en gelijkheid voor de wet.
Pluralisme en tolerantie
Het kenmerk van een democratie waarbij verschillende meningen, overtuigingen en groepen naast elkaar mogen bestaan en gerespecteerd worden, wat inclusie en sociale samenhang bevordert.
Deliberatieve democratie
Een democratievorm waarin politieke beslissingen worden voorbereid door overleg en discussie: burgers wisselen argumenten uit, luisteren naar andere meningen en denken samen na vóór een beslissing wordt genomen.
Inclusieve deelname
Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij burgers met verschillende achtergronden en perspectieven de kans krijgen om deel te nemen en hun standpunten te laten horen.
Openbaar debat
Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij burgers ideeën en meningen uitwisselen en maatschappelijke problemen en mogelijke oplossingen bespreken.
Redelijke argumentatie
Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij deelnemers hun mening onderbouwen met argumenten, uitleggen waarom ze iets vinden en luisteren naar tegenargumenten.
Reflectie en deliberatie
Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij deelnemers verschillende standpunten bekijken, zorgvuldig nadenken en hun mening kunnen aanpassen om tot een weloverwogen beslissing te komen.
Invloed op beleidsvorming
Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij de uitkomsten van het debat politieke beslissingen kunnen beïnvloeden en mogelijk worden meegenomen in het beleid.
Legitimiteit
De mate waarin beslissingen eerder aanvaard of als gerechtvaardigd worden gezien wanneer burgers inspraak hebben gehad en argumenten zijn besproken.
Collectieve reflectie
Het proces binnen een beraadslaging waarbij mensen gezamenlijk nadenken en een probleem vanuit verschillende perspectieven bekijken.
Scheiding der machten
Het verdelen van de staatsmacht over drie machten (wetgevend, uitvoerend en rechterlijk) zodat niet één persoon of instelling alle macht bezit, wat machtsmisbruik helpt voorkomen.
Wetgevende macht
De macht die bevoegd is om wetten te maken, uitgeoefend door de instelling het parlement.
Uitvoerende macht
De macht die bevoegd is om wetten en beleid uit te voeren, uitgeoefend door de instelling de regering.
Rechterlijke macht
De macht die wetten toepast in rechtszaken en recht spreekt, uitgeoefend door rechtbanken en hoven.
Stappenplan toepassingsvragen
De drieledige methode om toetsvragen te beantwoorden: 1. Benoem het begrip, 2. Geef concreet bewijs uit de situatie, 3. Leg uit waarom dat bewijs bij het begrip past.