Cultuurwetenschappen: Staatsvormen, Democratie en Scheiding der Machten

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/29

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Woordenschat-flashcards gebaseerd op de samenvatting van Cultuurwetenschappen over staats- en regeringsvormen, kenmerken van democratie, deliberatieve democratie en de scheiding der machten.

Last updated 4:07 PM on 10/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

30 Terms

1
New cards

Dictatuur

Een regeringsvorm waarbij de politieke macht bij één persoon of een kleine groep ligt, burgers weinig politieke inspraak hebben en kritiek op de machthebbers wordt beperkt.

2
New cards

Totalitaire dictatuur

Een dictatuur waarin de leider alles bepaalt en de staat probeert veel aspecten van het leven en de samenleving te controleren (voorbeeld: Noord-Korea onder leiding van Kim Jong-un).

3
New cards

Theocratie

Een regeringsvorm waarin religieuze autoriteiten veel of de hoogste politieke macht hebben en religie een bepalende rol speelt in wetten en bestuur.

4
New cards

Monarchie

Een staat met een monarch als staatshoofd, zoals een koning of koningin, waarbij de functie doorgaans erfelijk wordt doorgegeven.

5
New cards

Absolute monarchie

Een monarchie waarin de monarch zeer ruime of vrijwel onbeperkte macht bezit (voorbeeld: Saudi-Arabië).

6
New cards

Constitutionele monarchie

Een monarchie waarin de macht van de monarch wordt begrensd door de grondwet en andere politieke instellingen (ook wel beperkte monarchie genoemd).

7
New cards

Republiek

Een staatsvorm waarbij het staatshoofd geen erfelijke monarch is, maar doorgaans een president.

8
New cards

Presidentiële republiek

Een republiek waarin de president zowel staatshoofd als regeringsleider is (voorbeeld: Verenigde Staten).

9
New cards

Semi-presidentiële republiek

Een republiek waarin de president het staatshoofd is en de premier/eerste minister de regeringsleider is (voorbeeld: Frankrijk).

10
New cards

Parlementaire republiek

Een republiek waarin de president staatshoofd is (vaak met een vooral ceremoniële functie) en de regering wordt geleid door een premier/eerste minister die steunt op het parlement (voorbeeld: Italië).

11
New cards

Parlementaire democratie

Een democratisch systeem waarin burgers vertegenwoordigers voor het parlement kiezen en de regering moet rekenen op de steun en het vertrouwen van het parlement en daaraan verantwoording aflegt.

12
New cards

Parlementaire monarchie

Een monarchie waarin de rol van de koning beperkt is en voornamelijk een symbolische en representatieve functie vervult (voorbeeld: België).

13
New cards

Volkssoevereiniteit

Het democratische principe dat het volk de bron is van het politieke gezag, waarbij burgers via verkiezingen en politieke deelname invloed uitoefenen.

14
New cards

Politieke gelijkheid

Het democratische principe dat burgers gelijke politieke rechten hebben en op gelijke voet aan het politieke proces moeten kunnen deelnemen.

15
New cards

Vrije verkiezingen

Het democratische principe dat burgers vrij kunnen kiezen tussen kandidaten en partijen en dat verkiezingen eerlijk en regelmatig plaatsvinden.

16
New cards

Burgerlijke vrijheden en mensenrechten

Basisrechten die door de democratie worden beschermd, waaronder de vrijheid van meningsuiting en pers, vrijheid van vereniging en vergadering, en gelijkheid voor de wet.

17
New cards

Pluralisme en tolerantie

Het kenmerk van een democratie waarbij verschillende meningen, overtuigingen en groepen naast elkaar mogen bestaan en gerespecteerd worden, wat inclusie en sociale samenhang bevordert.

18
New cards

Deliberatieve democratie

Een democratievorm waarin politieke beslissingen worden voorbereid door overleg en discussie: burgers wisselen argumenten uit, luisteren naar andere meningen en denken samen na vóór een beslissing wordt genomen.

19
New cards

Inclusieve deelname

Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij burgers met verschillende achtergronden en perspectieven de kans krijgen om deel te nemen en hun standpunten te laten horen.

20
New cards

Openbaar debat

Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij burgers ideeën en meningen uitwisselen en maatschappelijke problemen en mogelijke oplossingen bespreken.

21
New cards

Redelijke argumentatie

Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij deelnemers hun mening onderbouwen met argumenten, uitleggen waarom ze iets vinden en luisteren naar tegenargumenten.

22
New cards

Reflectie en deliberatie

Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij deelnemers verschillende standpunten bekijken, zorgvuldig nadenken en hun mening kunnen aanpassen om tot een weloverwogen beslissing te komen.

23
New cards

Invloed op beleidsvorming

Een kenmerk van deliberatieve democratie waarbij de uitkomsten van het debat politieke beslissingen kunnen beïnvloeden en mogelijk worden meegenomen in het beleid.

24
New cards

Legitimiteit

De mate waarin beslissingen eerder aanvaard of als gerechtvaardigd worden gezien wanneer burgers inspraak hebben gehad en argumenten zijn besproken.

25
New cards

Collectieve reflectie

Het proces binnen een beraadslaging waarbij mensen gezamenlijk nadenken en een probleem vanuit verschillende perspectieven bekijken.

26
New cards

Scheiding der machten

Het verdelen van de staatsmacht over drie machten (wetgevend, uitvoerend en rechterlijk) zodat niet één persoon of instelling alle macht bezit, wat machtsmisbruik helpt voorkomen.

27
New cards

Wetgevende macht

De macht die bevoegd is om wetten te maken, uitgeoefend door de instelling het parlement.

28
New cards

Uitvoerende macht

De macht die bevoegd is om wetten en beleid uit te voeren, uitgeoefend door de instelling de regering.

29
New cards

Rechterlijke macht

De macht die wetten toepast in rechtszaken en recht spreekt, uitgeoefend door rechtbanken en hoven.

30
New cards

Stappenplan toepassingsvragen

De drieledige methode om toetsvragen te beantwoorden: 1. Benoem het begrip, 2. Geef concreet bewijs uit de situatie, 3. Leg uit waarom dat bewijs bij het begrip past.