1/9
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
triomf en de crisis van de europese democratie na wo I
Gevolgen van WO I:
Einde van veel keizerrijken -> republieken/ monarchie (koning)
Algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen en vrouwen
Er kwamen coalitieregeringen= partijen spannen samen om meerderheid te krijgen (omgekeerde homogene regering = 1 partij)
De staten waren heel kwetsbaar voor:
Economische crisis = hoge inflatie door schaarse (=hyperinflatie) en schulden
Angst voor communisme vanuit het Westen
De haat tegen minderheden en buurstaten
Sociale en politieke spanningen (tussen rijk en arm)
fascisme in italie
ONTSTAAN
KENMERKEN
ontstaan
Italië had bij het verdrag van Versailles minder gekregen dan ze hadden verwacht. Ze hadden het economische moeilijk en grote werkloosheid. Hierdoor zat Italië in de put.
In deze moeilijke tijd kwam Mussolini op, hij richtte zijn nationalistische en extreemrechtse beweging Fasci Italiani di Combattimento op. Zijn aanhangers werden de Zwarthemden genoemd = teken voor gefrustreerd.
Hij werd vooral gesteund door rijken, middenstanders en mensen die bang waren voor het communisme.
Mussolini ging een staatsgreep plannen in Rome, om zo de koning af te dreigen. Hij kreeg politieke macht. Hij maakte van Italië een fascistische dictatuur.
Fasces = roedenbundel, symbool voor macht. Takken = samen sterk, bijl = strijd.
kenmerken
- Antihouding = tegen alles zijn
- Corporatisme = alles vertrekt vanuit de leider en volk volgt
- Totalitarisme = leider regelt alles, niet democratisch
- Leidersprincipe, nationalisme en éénpartijstaat = samenhorigheidsgevoel (etnisch nationalisme)
- Massabeweging met nadruk op mannelijkheid
- Militaristisch en imperialistisch = wraak nemen en imperium willen (groot rijk)
- Irrationeel en anti-intellectualistisch = geen verstand
- Indoctrinatie en propaganda = hersenspoelen.
Balilla = Italiaanse jeugdbeweging voor jongens, ze leren schieten, vechten en racistisch zijn.
nazisme in duitsland
WEIMARREPUBLIEK
HITLERS MACHTGREEP
KENMERKEN
weimarrepubliek
Na WO I verloor Duitsland zijn keizer, er kwam een Weimarrepubliek (democratische republiek) onder leiding van president Ebert.
Er was een dolkstootlegende = Duitse soldaten hadden de oorlog kunnen winnen, maar door de socialisten hebben ze zich moeten overgeven. Leugen!!
De Weimarrepubliek was heel instabiel:
Ø Economische problemen (werkloosheid, inflatie)
Ø Communistische dreiging = vormen de Spartakisten (o.l.v. Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht). Ze kwamen in opstand en probeerde de macht te grijpen.
Ø Politieke verdeeldheid = partijen waren het oneens
Ø Gebrek aan democratie
Ø Boosheid over het verdrag van Versailles
Erzberger en Rathenau deden aan Efüllungspolitik= straf van verdrag van Versailles ondergaan. Extreemrechtse Duitsers waren hier woedend over dus beiden werden vermoord.
Duitsland kon de herstelbetalingen niet betalen waardoor België en Frankrijk het Ruhrgebied gingen bezetten (economisch hart voor Duitsland). Duitsers reageren hierop door niet meer mee te werken = hyperinflatie.
Hitler profiteerde van deze situatie en probeerde in 1923 de macht te grijpen door een staatsgreep in München, maar die mislukte = bierkellerputsch.
Na 1923 begon Duitsland te herstellen:
ECONOMISCH
POLITIEK
economisch
- einde van Ruhrbezetting
- herziening herstelbetalingen (door 2 bankiers Dawes en Young = Dawes- en Youngplan)
- munthervorming (prijzen dalen)
politiek
- Doorbreken van internationaal isolement (Duitsland wordT weer betrokken) door verdrag van Locarno
→ Duitsland kreeg de gebieden die ze verloren hadden bij verdrag van Versailles niet terug
→ Duitsland mag bij de Volkenbond
→Rijnland (bufferstaat) werd terug van Duitsland, maar ze mochten er geen troepen zetten
hitlers machtgreep
Door crisis zorgde ervoor dat de Weimarrepubliek minder steun kreeg. De NSDAP (partij van Hitler) werd de grootste partij.
Hitler werd door Hindenburg benoemt tot rijkskanselier (= eerste minister).
Voor de verkiezingen was er een Rijksdagbrand = parlement stond in brand en Hitler gaf de communisten hiervan de schuld. Hierdoor won hij meer stemmen.
De NSDAP won de verkiezingen waardoor Hitler dictatoriale macht kreeg. Hij liet het parlement ontbinden = machtingswet (geen democratie meer). Duitsland werd een éénpartijstaat = Gleichschaltung.
· Hitlerjugend werd opgericht = jeugdbeweging. Jongens leerden vechten, meisjes dienden alleen om voort te planten.
· Reichskulturkammer = boekverbrandingen, Hitler kiest de cultuur. Entarte kunst = kunst promoten en verbieden.
· Duits arbeidsfront (DAF) = gemeenschappelijke vakbond.
· Kraft Durch freude (KDF) = arbeiders belonen als ze hard werken (vakantie = hotels Prora).
· Concentratiekampen
Hitler had naast het centraal leger een bijleger opgericht = SA (Sturmabteilung). Hij schakelde daarmee mensen uit die tegen het systeem waren. Het leger werd zo groot dat de leider Ernst Röhm veel macht kreeg, daar kreeg Hitler schrik van. Hij wou de SA uitschakelen en een eigen eliteleger oprichten = SS (schutzstaffeln, o.l.v. Himmler). Dit deed hij door Ernst Röhm op te laten pakken omdat hij homoseksueel was.
Toen de president Hindenburg overleed, nam Hitler de titel over.
kenmerken
Gelijkenissen fascisme:
Totalitaire dictatuur = staat controleert het hele leven
Imperialisme = streven naar uitbreiden van grondgebied
Militarisme = groot leger en oorlog willen
Extreem nationalisme
Indoctrinatie = mensen beïnvloeden door propaganda
→Hitler had zelf een minister van propaganda benoemd = Goebbels.
Uitschakeling van tegenstanders
Verschillen Fascisme:
Hitler legde meer druk op ras en afkomst
Duitsers hadden het beste bloed = bloed en boden theorie
Rassenhygiëne = Hitler wilde het Duitse ras zuiver houden = Eugenetica (streven naar zuiver bloed). Bv Aktion T4 = mensen met een beperking werden gedood.
Racisme en antisemitisme