1/48
Looks like no tags are added yet.
un véhicule
een voertuig
une auto / voiture
een auto / wagen
un conducteur / automobiliste
een bestuurder / automobilist
conduire une voiture / un véhicule
een wagen besturen
conduire dangereusement ↔ prudemment
gevaarlijk ↔ voorzichtig rijden
rouler en voiture
met de auto rijden
brûler un feu rouge
door het rode licht rijden
aller au travail en voiture
met de auto naar het werk gaan
faire la navette
pendelen
covoiturer → le covoiturage
carpoolen → carpooling
une voiture à essence
een benzinewagen
faire le plein (d'essence ou de diesel)
(brandstof of diesel) tanken
une voiture hybride
een hybride wagen
une voiture électrique
een elektrische wagen
recharger la voiture à une borne de recharge
de wagen opladen aan een laadpaal
une voiture de société
een bedrijfswagen
une voiture autonome
een zelfrijdende auto
se garer - garer sa voiture dans un parking
parkeren - zijn auto in een parking parkeren
les parkings (m.) couverts
de overdekte parkings
chercher / trouver une place de parking
een parkeerplaats zoeken / vinden
rouler aux heures (f.) de pointe
tijdens de piek(uren) rijden
le trafic est dense
het verkeer is druk
une file (B) - un embouteillage / bouchon (FR)
een file - een opstopping
les routes (f.) sont mal entretenues
de wegen zijn slecht onderhouden
les travaux routiers
de wegenwerken
Il faut suivre la déviation
men moet de omleiding volgen
(le permis de conduire)
(het rijbewijs)
passer le permis
het rijexamen doen
s'inscrire à l'auto-école
zich inschrijven bij een rijschool
suivre des cours de conduite
rijlessen nemen
le moniteur / la monitrice
de instructeur
le permis provisoire
het voorlopig rijbewijs
l'examen théorique (le code de la route)
het theoretisch examen (verkeersregels)
l'examen pratique
het praktijkexamen
réussir le permis ↔ rater le permis
slagen voor het examen ↔ niet slagen
respecter les règles de circulation
de verkeersregels respecteren
respecter les panneaux de signalisation
de verkeersborden in acht nemen
le coffre
de kofferbak
la borne de recharge
de laadpaal
le pneu
de band
le pneu crevé
de lekke band
le rétroviseur
de achteruitkijkspiegel
le volant
het stuur
(être au volant)
(aan het stuur zitten)
la portière
het portier / de autodeur
le toit
het dak
le pare-brise
de voorruit
le (feu) clignotant
het knipperlicht / de richtingaanwijzer
le phare
de koplamp