Ontwikkeling & Psychopathologie Week 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/154

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:07 PM on 10/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

155 Terms

1
New cards

Wat is ontwikkelingspsychopathologie?

Het vakgebied dat onderzoekt hoe psychische problemen ontstaan, zich ontwikkelen en kunnen worden voorkomen gedurende het leven.

2
New cards

Wat is de centrale vraag binnen de ontwikkelingspsychopathologie?

Waarom ontwikkelt het ene kind wel psychische problemen en het andere kind niet?

3
New cards

Wat is assessment?

Een doorlopend, systematisch proces waarbij informatie wordt verzameld, hypotheses worden opgesteld en verklaringen worden gecontroleerd.

4
New cards

Waarom is assessment een doorlopend proces?

Omdat nieuwe informatie eerdere hypotheses kan ondersteunen, veranderen of verwerpen.

5
New cards

Waarom moet een clinicus verder kijken dan alleen de klachten?

Omdat ook emoties, gedachten, gedrag, ontwikkeling, gezin, school, leeftijd, cultuur en sociale omgeving van invloed kunnen zijn.

6
New cards

Wat is de relatie tussen assessment en interventie?

Tijdens assessment wordt informatie verzameld om een behandeling te kiezen. Tijdens de behandeling wordt opnieuw informatie verzameld om te beoordelen of de aanpak werkt.

7
New cards

Wat is een idiografische benadering?

De individuele persoon wordt als uniek onderzocht. De clinicus kijkt naar de persoonlijke voorgeschiedenis, eigenschappen en omstandigheden.

8
New cards

Wat is een nomothetische benadering?

De clinicus gebruikt algemene wetenschappelijke kennis over groepen mensen om individuele problemen te begrijpen.

9
New cards

Wat is het verschil tussen idiografisch en nomothetisch denken?

Idiografisch richt zich op wat uniek is aan één kind; nomothetisch richt zich op algemene patronen bij groepen mensen.

10
New cards

Waarom zijn zowel idiografisch als nomothetisch denken nodig?

Je hebt algemene wetenschappelijke kennis nodig, maar moet ook begrijpen wat uniek is aan het individuele kind.

11
New cards

Wat betekent developmental level?

Het ontwikkelingsniveau van een kind: hoe ver het kind cognitief, emotioneel, sociaal en lichamelijk ontwikkeld is.

12
New cards

Waarom moet gedrag worden beoordeeld op basis van het ontwikkelingsniveau?

Gedrag dat normaal is op een bepaalde leeftijd kan op een andere leeftijd problematisch zijn.

13
New cards

Waarom is alleen de kalenderleeftijd niet voldoende bij diagnostiek?

Kinderen van dezelfde leeftijd kunnen verschillen in hun cognitieve, emotionele, sociale en lichamelijke ontwikkeling.

14
New cards

Hoe kan leeftijd invloed hebben op de diagnostiek?

De leeftijd bepaalt mede welke vragen, tests en onderzoeksmethoden geschikt zijn voor het kind.

15
New cards

Waarom moeten gender en sekse worden meegenomen in diagnostiek?

Problemen kunnen zich bij verschillende groepen anders uiten en tests kunnen minder geschikt zijn voor groepen die onvoldoende zijn vertegenwoordigd in onderzoek.

16
New cards

Wat is referral bias?

Vertekening doordat bepaalde kinderen sneller worden aangemeld voor hulp dan andere kinderen.

17
New cards

Hoe kan referral bias tot vertekening leiden?

Zichtbaar gedrag, zoals agressie en hyperactiviteit, wordt sneller opgemerkt dan minder zichtbare klachten, zoals verdriet en angst.

18
New cards

Waarom kunnen meisjes met internaliserende problemen later worden doorverwezen?

Hun klachten zijn vaak minder zichtbaar voor anderen.

19
New cards

Wat zijn internaliserende problemen?

Problemen die vooral naar binnen gericht zijn, zoals angst, verdriet en teruggetrokken gedrag.

20
New cards

Wat zijn externaliserende problemen?

Problemen die vooral zichtbaar zijn in gedrag, zoals agressie en hyperactiviteit.

21
New cards

Wat wordt bedoeld met culturele factoren in diagnostiek?

Cultuur beïnvloedt hoe gedrag wordt geïnterpreteerd en welke gedragingen als normaal of afwijkend worden gezien.

22
New cards

Wat is cultural humility?

Culturele bescheidenheid: erkennen dat je niet alles weet over de cultuur van een kind, openstaan voor andere perspectieven en je eigen aannames onderzoeken.

23
New cards

Waarom is cultural humility belangrijk?

Het helpt voorkomen dat professionals gedrag verkeerd interpreteren of verkeerde diagnoses stellen.

24
New cards

Wat zijn cultural syndromes?

Patronen van symptomen die binnen een bepaalde culturele groep of context gezamenlijk voorkomen.

25
New cards

Wat is een voorbeeld van een cultural syndrome uit de leerstof?

Mal de ojo, ook wel het boze oog genoemd, is een cultureel verklaringsmodel dat voorkomt in verschillende mediterrane en Latijns-Amerikaanse culturen.

26
New cards

Waarom moet een clinicus rekening houden met culturele syndromen?

Omdat klachten binnen een cultuur een andere betekenis kunnen hebben en niet automatisch binnen westerse diagnostische categorieën passen.

27
New cards

Wat is normatieve informatie?

Informatie over wat normaal of gebruikelijk is bij kinderen van een vergelijkbare leeftijd en achtergrond.

28
New cards

Waarom is normatieve informatie belangrijk?

Je kunt pas beoordelen of gedrag afwijkend is als je weet wat gebruikelijk is voor vergelijkbare kinderen.

29
New cards

Welke drie kenmerken zijn belangrijk bij het beoordelen van psychopathologie?

Leeftijdsinadequaatheid, ernst en het patroon van symptomen.

30
New cards

Wat betekent leeftijdsinadequaatheid?

Gedrag past niet bij de leeftijd of het ontwikkelingsniveau van het kind.

31
New cards

Wat betekent ernst bij psychopathologie?

De klachten zijn voldoende intens of ernstig om mogelijk op een probleem te wijzen.

32
New cards

Wat betekent een patroon van symptomen?

Je kijkt naar de combinatie, samenhang en aanwezigheid van symptomen, in plaats van naar één los symptoom.

33
New cards

Wat betekent impairment?

De mate waarin symptomen het functioneren van een kind belemmeren.

34
New cards

Waarom is impairment belangrijk bij diagnostiek?

Klachten zijn vooral zorgelijk wanneer ze het functioneren thuis, op school of sociaal duidelijk verstoren.

35
New cards

Een kind is soms verdrietig, maar functioneert verder goed. Is er automatisch sprake van psychopathologie?

Nee. Verdriet kan normaal zijn. Je moet ook kijken naar de leeftijd, ernst, duur, het patroon en de invloed op het functioneren.

36
New cards

Een kind trekt zich terug na een ingrijpende gebeurtenis. Wat moet je eerst onderzoeken?

Of de reactie past bij de omstandigheden, hoe ernstig en langdurig deze is en of het functioneren wordt belemmerd.

37
New cards

Wat zijn de drie doelen van assessment?

Beschrijving en diagnose, prognose, en behandelplanning en evaluatie.

38
New cards

Wat is het doel van beschrijving en diagnose?

Beschrijven wat er aan de hand is en eventueel bepalen welke diagnose bij het kind past.

39
New cards

Wat is prognose?

Een voorspelling van hoe het probleem of functioneren zich in de toekomst waarschijnlijk ontwikkelt.

40
New cards

Wat is behandelplanning en evaluatie?

Een passende behandeling kiezen en vervolgens beoordelen of deze behandeling effect heeft.

41
New cards

Wat is een clinical description?

Een systematische beschrijving van het gedrag, de gedachten en gevoelens die kenmerkend zijn voor de problemen van een kind.

42
New cards

Welke aspecten bekijk je bij een clinical description?

Onder andere de symptomen, intensiteit, frequentie, ernst, begin, duur en het verloop van de klachten.

43
New cards

Wat betekent onset bij diagnostiek?

Het moment waarop de klachten begonnen.

44
New cards

Wat betekent duration bij diagnostiek?

Hoe lang de klachten al bestaan.

45
New cards

Wat is het verschil tussen transiënte en persistente problemen?

Transiënte problemen zijn tijdelijk; persistente problemen blijven langdurig bestaan.

46
New cards

Wat is het verschil tussen een taxonomische diagnose en een probleemoplossende analyse?

Een taxonomische diagnose deelt iemand in een formele categorie in; een probleemoplossende analyse onderzoekt het probleem, mogelijke oorzaken en passende behandelingen.

47
New cards

Wat is comorbiditeit?

Het tegelijkertijd voorkomen van meerdere stoornissen bij één persoon.

48
New cards

Waarom is comorbiditeit belangrijk?

Meerdere stoornissen kunnen elkaar beïnvloeden en gevolgen hebben voor de prognose en behandeling.

49
New cards

Wat betekent gezins- en ontwikkelingsgeschiedenis verzamelen?

Informatie verzamelen over onder andere zwangerschap, geboorte, ontwikkeling, medische voorgeschiedenis, gezin, school, relaties en belangrijke levensgebeurtenissen.

50
New cards

Waarom is de familiegeschiedenis relevant?

Psychische problemen in de familie kunnen belangrijke informatie geven over mogelijke kwetsbaarheden van een kind.

51
New cards

Waarom mag familiegeschiedenis niet meteen als oorzaak worden gezien?

Omdat het een hypothese oplevert die tijdens het assessment met aanvullende informatie moet worden onderzocht.

52
New cards

Wat is behavioral assessment?

Het onderzoeken van concreet gedrag in specifieke situaties, inclusief wat eraan voorafgaat en wat erop volgt.

53
New cards

Waar staan de letters A, B en C voor bij ABC-assessment?

A = antecedents, B = behavior, C = consequences.

54
New cards

Wat zijn antecedents bij ABC-assessment?

Gebeurtenissen of omstandigheden die direct aan het gedrag voorafgaan.

55
New cards

Wat is behavior bij ABC-assessment?

Het gedrag dat het kind daadwerkelijk laat zien.

56
New cards

Wat zijn consequences bij ABC-assessment?

Gebeurtenissen of reacties die na het gedrag optreden.

57
New cards

Een kind weigert naar school te gaan nadat een ouder heeft gevraagd zich klaar te maken. Het kind mag vervolgens thuisblijven. Wat zijn A, B en C?

A = de ouder vraagt het kind zich klaar te maken; B = het kind weigert; C = het kind mag thuisblijven.

58
New cards

Wat is functionele gedragsanalyse?

Een uitgebreide analyse van de factoren die gedrag veroorzaken, uitlokken of in stand houden.

59
New cards

Wat is een psychologische test?

Een gestandaardiseerde taak waarmee bepaalde kenmerken worden gemeten, zoals kennis, vaardigheden, intelligentie of persoonlijkheid.

60
New cards

Wat betekent standaardisatie bij psychologische tests?

De test wordt onder vergelijkbare omstandigheden afgenomen, zodat scores op een betrouwbare manier kunnen worden vergeleken.

61
New cards

Waarom mag een testscore nooit los worden geïnterpreteerd?

Omdat de omstandigheden, het gedrag tijdens de test, motivatie, vermoeidheid, angst en culturele achtergrond de score kunnen beïnvloeden.

62
New cards

Wat is screening?

Het identificeren van kinderen die mogelijk een verhoogd risico hebben en verder onderzoek nodig hebben.

63
New cards

Wat is het verschil tussen screening en diagnose?

Screening signaleert een mogelijk risico; diagnostiek onderzoekt uitgebreider of er daadwerkelijk sprake is van een probleem of stoornis.

64
New cards

Waarom worden cognitieve en schoolprestaties onderzocht?

Om te bepalen of problemen op school samenhangen met bijvoorbeeld een leerprobleem, cognitieve beperking, emotionele problemen of andere factoren.

65
New cards

Wat is de WISC-V?

Een intelligentietest voor kinderen van ongeveer 6 tot 16 jaar.

66
New cards

Wat meet de Full Scale IQ van de WISC-V?

Een algemene maat voor intellectueel functioneren, gebaseerd op verschillende cognitieve vaardigheden.

67
New cards

Wat meet de Verbal Comprehension Index (VCI)?

Verbaal begrip, verbaal redeneren en kennis.

68
New cards

Wat meet de Visual Spatial Index (VSI)?

Ruimtelijke verwerking, visuele perceptie, organisatie en visueel-motorische integratie.

69
New cards

Wat meet de Fluid Reasoning Index (FRI)?

Het oplossen van nieuwe problemen en het herkennen van patronen en relaties.

70
New cards

Wat meet de Working Memory Index (WMI)?

Aandacht, concentratie en mentale controle bij het tijdelijk vasthouden en bewerken van informatie.

71
New cards

Wat meet de Processing Speed Index (PSI)?

Hoe snel en nauwkeurig eenvoudige visuele informatie wordt verwerkt en visueel-motorische taken worden uitgevoerd.

72
New cards

Waarom moet je bij de WISC-V ook naar de afzonderlijke indexscores kijken?

Het patroon van scores kan sterke en zwakke kanten laten zien die verloren gaan wanneer je alleen naar het totale IQ kijkt.

73
New cards

Wat is een achievement test?

Een test die meet wat iemand daadwerkelijk heeft geleerd of beheerst, zoals lezen, schrijven en rekenen.

74
New cards

Wat is projectieve testing?

Een onderzoeksmethode waarbij iemand reageert op ambigue stimuli, zoals inktvlekken of afbeeldingen, waarna de reacties worden geïnterpreteerd.

75
New cards

Waarom is voorzichtigheid nodig bij projectieve tests?

De betrouwbaarheid en validiteit kunnen beperkt zijn. Ze mogen daarom niet de enige basis voor diagnostiek vormen.

76
New cards

Wat is persoonlijkheidstesting?

Het onderzoeken van relatief duurzame patronen van eigenschappen die bepalen hoe iemand met de omgeving omgaat.

77
New cards

Hoe kan persoonlijkheid bij kinderen worden onderzocht?

Met vragenlijsten die het kind zelf of bijvoorbeeld de ouders invullen.

78
New cards

Wat is neuropsychologisch onderzoek?

Onderzoek dat hersenfuncties probeert te verbinden met objectief meetbaar gedrag.

79
New cards

Welke functies kunnen met neuropsychologische tests worden onderzocht?

Onder andere taal, abstract redeneren, probleemoplossing, perceptie, motorische functies en executieve controle.

80
New cards

Wat is classificatie?

Het ordenen van belangrijke categorieën van psychische problemen en de relaties daartussen in een systeem.

81
New cards

Wat is diagnostiek of diagnose stellen?

Een individueel geval beoordelen en eventueel toewijzen aan een categorie binnen een classificatiesysteem.

82
New cards

Wat is categorische classificatie?

Een indeling in afzonderlijke categorieën, zoals wel of niet voldoen aan de criteria voor een bepaalde stoornis.

83
New cards

Wat is een voordeel van categorische classificatie?

Het maakt communicatie tussen professionals gemakkelijker en helpt bij onderzoek en het koppelen van behandelingen aan diagnoses.

84
New cards

Wat is een nadeel van categorische classificatie?

Psychische problemen passen niet altijd netjes in afzonderlijke categorieën en verschillen tussen personen kunnen verloren gaan.

85
New cards

Wat is dimensionele classificatie?

Het bekijken van psychologische eigenschappen en problemen op een continuüm, van weinig tot veel.

86
New cards

Wat is een voordeel van dimensionele classificatie?

Het laat zien in welke mate iemand een bepaalde eigenschap of probleem vertoont.

87
New cards

Wat is het verschil tussen categorische en dimensionele classificatie?

Categorisch deelt iemand in een categorie in; dimensioneel kijkt naar de mate waarin een eigenschap of probleem aanwezig is.

88
New cards

Twee kinderen hebben dezelfde diagnose maar verschillende symptomen. Wat laat dit zien?

Dat een categorische diagnose niet alle individuele verschillen tussen kinderen weergeeft.

89
New cards

Waarom kan een diagnose tot stigma leiden?

Een label kan verwachtingen beïnvloeden en ertoe leiden dat iemand vooral door de diagnose wordt bekeken.

90
New cards

Waarom mag een diagnose nooit de identiteit van een kind vervangen?

Een kind is meer dan de verzameling symptomen of het diagnostische label.

91
New cards

Wat is het doel van een interventie?

Het functioneren van kinderen en gezinnen verbeteren.

92
New cards

Wat is preventie?

Proberen problemen te voorkomen voordat ze ontstaan of ernstiger worden.

93
New cards

Wat is treatment of therapie?

Proberen bestaande problemen te verminderen of te corrigeren.

94
New cards

Wat is maintenance?

Verbeteringen vasthouden en terugval voorkomen.

95
New cards

Wat is het verschil tussen preventie, behandeling en maintenance?

Preventie voorkomt problemen; behandeling vermindert bestaande problemen; maintenance houdt verbeteringen vast.

96
New cards

Wat is universele preventie?

Preventie voor brede groepen, zonder dat individuele deelnemers een specifiek verhoogd risico hoeven te hebben.

97
New cards

Wat is selectieve preventie?

Preventie voor groepen met een verhoogd risico.

98
New cards

Wat is geïndiceerde preventie?

Preventie voor personen bij wie al vroege signalen van problemen aanwezig zijn.

99
New cards

Een programma is bedoeld voor alle leerlingen van een school. Welke vorm van preventie is dit?

Universele preventie.

100
New cards

Een programma richt zich op kinderen uit een groep met een verhoogd risico op psychische problemen. Welke vorm van preventie is dit?

Selectieve preventie.