1/31
Vocabulary practice flashcards covering democratic systems, political ideologies, government institutions, decision-making processes, and international organizations based on Dutch civics lecture notes.
Parlementaire democratie
Een democratie waarin gekozen volksvertegenwoordigers namens het volk beslissingen nemen over onderwerpen die de hele samenleving aangaan.
Representatieve democratie
Een democratie waarin het volk vertegenwoordigers kiest die namens hen beslissingen nemen.
Parlement: Eerste en Tweede Kamer
Het parlement bestaat uit de Eerste en Tweede Kamer. De Tweede Kamer maakt en controleert wetten en controleert het kabinet.
Coalitie
Een samenwerking tussen politieke partijen die samen regeren.
Oppositie
Alle politieke partijen die niet in de regering zitten en het kabinet kunnen controleren en beïnvloeden.
Regering/kabinet
De regering bestaat uit de koning en ministers. Het kabinet bestaat uit ministers en staatssecretarissen. Zij zorgen voor het dagelijks bestuur.
Het politieke spectrum
Een overzicht waarin politieke standpunten en partijen worden ingedeeld op basis van hun ideeën.
Sociaal-economisch
Gaat over de verdeling van welvaart en geld onder de bevolking.
Sociaal-cultureel
Gaat over normen, waarden, tradities en de vrijheid van mensen.
Politiek links
Voor een grote en actieve overheid die opkomt voor mensen met minder geld.
Politiek rechts
Voor een kleinere overheid en meer eigen verantwoordelijkheid van mensen.
Progressief
Gericht op vernieuwing en veranderingen in de samenleving.
Conservatief
Gericht op het behouden van tradities en bestaande waarden.
Ideologie
Een geheel van ideeën over hoe de samenleving eruit zou moeten zien.
Liberalisme
Ideologie waarbij vrijheid van het individu centraal staat.
Sociaal-democratie
Ideologie die gelijke kansen voor iedereen belangrijk vindt en wil dat de overheid ongelijkheid verkleint.
Christen-democratie
Ideologie waarbij christelijke normen en waarden de basis vormen voor een goede samenleving.
Nationalisme
Een sterke voorkeur voor de eigen cultuur en het eigen volk.
Populisme
Een politieke stijl waarbij politici inspelen op de gevoelens en wensen van het volk tegenover de elite.
Politieke partij
Een organisatie met ideeën over hoe de samenleving bestuurd moet worden die via verkiezingen invloed probeert te krijgen.
Kiesrecht
Het recht om te stemmen (actief kiesrecht) of jezelf verkiesbaar te stellen (passief kiesrecht).
Kiesstelsel
Het systeem waarmee stemmen worden omgezet in zetels.
Regeerakkoord
Afspraken die regeringspartijen maken over wat ze tijdens hun regeerperiode willen bereiken.
Poldermodel
Een manier van samenwerken waarbij partijen met verschillende meningen compromissen sluiten.
Proces van politieke besluitvorming
Het proces waarin politieke beslissingen worden genomen. Bestaat uit invoer, omzetting, uitvoer en terugkoppeling.
Politieke actoren
Mensen, groepen en organisaties die invloed hebben op politieke besluitvorming.
Gemeentepolitiek
Politiek op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad vertegenwoordigt de inwoners en burgemeesters en wethouders besturen de gemeente.
Provinciale Staten
De gekozen volksvertegenwoordiging van een provincie.
EU (Europese Unie)
Een samenwerkingsverband van Europese landen die gezamenlijke afspraken en wetten maken.
VN (Verenigde Naties)
Een internationale organisatie waarin landen samenwerken aan onder andere vrede, veiligheid en mensenrechten.
NAVO
Een militaire samenwerking tussen Europese en Noord-Amerikaanse landen die elkaar helpen bij een aanval.
Geopolitiek
Hoe landen rekening houden met internationale machtsverhoudingen en geografische kenmerken bij hun politieke keuzes.