Methodologie 1 (Bryman's social research methods)

5.0(1)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/208

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

209 Terms

1
New cards
Deductivisme (deductivism)
Je begint bij een theorie, leidt daar een hypothese uit af en toetst die met data. De uitkomst bevestigt de theorie of laat zien dat die moet worden aangepast.
2
New cards
Constructionisme (constructionism)
De sociale werkelijkheid ligt niet vast, maar wordt steeds door mensen zelf gemaakt en betekenis gegeven. Ook wat de onderzoeker opschrijft, is zo'n constructie.
3
New cards
Postmodernisme (postmodernism)
Er bestaat geen definitieve waarheid. Een onderzoek levert één versie van de werkelijkheid op, naast vele andere mogelijke versies.
4
New cards

Naturalisme (naturalism)

Heeft drie betekenissen in de sociale wetenschap:
een benadering die zich richt op het observeren en verklaren van sociale verschijnselen op een objectieve en systematische manier;
de filosofische visie dat alles wat bestaat natuurlijk is zonder overnaturlijke entiteiten;
een onderzoeksstijl die experimenteel en empirisch is.

5
New cards
Feministisch onderzoek (feminist research)
Onderzoek dat de ervaringen van vrouwen centraal stelt, een gelijkwaardige relatie tussen onderzoeker en deelnemer nastreeft en vaak bijdraagt aan emancipatie.
6
New cards
Intersectionaliteit (intersectionality)
Kenmerken zoals gender, etniciteit, klasse en seksualiteit werken samen. Je kunt ze daarom niet los van elkaar bestuderen als je achterstelling of voorrechten wilt begrijpen.
7
New cards
Queer-methodologieën (queer methodologies)
Onderzoeksbenaderingen die vaste hokjes zoals man/vrouw of hetero/homo ter discussie stellen, ook in de categorieën die onderzoekers zelf gebruiken.
8
New cards
Onderzoeksontwerp (research design)
Het bouwplan van een onderzoek, zoals een experiment, casestudy of longitudinaal onderzoek. Welk ontwerp je kiest, hangt af van wat je wilt weten.
9
New cards
Analyse-eenheid (unit of analysis)
Datgene waarover je uitspraken doet, zoals personen, huishoudens, organisaties of landen.
10
New cards
Meervoudige casestudy (multiple-case study)
Je bestudeert meerdere casussen en vergelijkt ze, zodat je ziet wanneer bevindingen wel of niet opgaan.
11
New cards
Actieonderzoek (action research)
Onderzoeker en betrokkenen werken samen om een probleem in de praktijk te analyseren en op te lossen.
12
New cards
Participatief onderzoek (participatory research)
Deelnemers doen als medeonderzoeker mee aan alle fasen van het onderzoek, vaak om hun positie te versterken.
13
New cards
Creatief onderzoek (creative research)
Deelnemers drukken zich uit via bijvoorbeeld tekeningen, foto's of verhalen. Dit helpt bij ervaringen die moeilijk in woorden te vangen zijn.
14
New cards
Levensgeschiedenismethode (life history method)
Je onderzoekt hoe iemand zijn eigen leven door de jaren heen beleeft, vaak via lange interviews en persoonlijke documenten zoals dagboeken.
15
New cards
Biografisch onderzoek (biographical research)
Onderzoek naar levensverhalen om te begrijpen hoe levens verlopen en hoe de omgeving en tijdsgeest ze vormen.
16
New cards
Literatuuronderzoek (literature review)
Een kritisch overzicht van wat er al over je onderwerp bekend is, zodat duidelijk wordt waar jouw onderzoek op aansluit.
17
New cards
Systematische review (systematic review)
Een literatuuronderzoek volgens vaste, controleerbare stappen, zodat je alle relevante studies vindt en zo min mogelijk selectief te werk gaat.
18
New cards
Meta-analyse (meta-analysis)
De resultaten van veel kwantitatieve studies over hetzelfde onderwerp statistisch samenvoegen tot één overkoepelende uitkomst.
19
New cards
Secundaire analyse (secondary analysis)
Data analyseren die iemand anders al heeft verzameld, vaak voor een ander doel dan waarvoor ze oorspronkelijk zijn verzameld.
20
New cards
Officiële documenten (official documents)
Documenten van de overheid of organisaties, zoals rapporten, statistieken, beleidsstukken en notulen.
21
New cards
Big data
Enorme hoeveelheden data die vaak automatisch ontstaan door digitaal gedrag, zoals sociale media en online aankopen. Je hebt speciale computermethoden nodig om ze te analyseren.
22
New cards
Causaliteit (causality)
Oorzaak-gevolgrelatie. Om die aan te tonen moet de oorzaak eerst komen, moeten beide variabelen samenhangen en moeten andere verklaringen zijn uitgesloten.
23
New cards
Onafhankelijke variabele (independent variable)
De oorzaak
24
New cards
Afhankelijke variabele (dependent variable)
Het gevolg
25
New cards
Hypothese (hypothesis)
Een onderbouwde verwachting over het verband tussen variabelen die je kunt toetsen.
26
New cards
Nulhypothese (null hypothesis)
De verwachting dat er géén verband is in de populatie. Met een toets kijk je of je deze kunt verwerpen.
27
New cards
Alternatieve hypothese (alternative hypothesis)
De verwachting dat er wél een verband is. Die neem je aan als de nulhypothese wordt verworpen.
28
New cards
Operationalisering (operationalisation)
Een abstract begrip meetbaar maken door te bepalen hoe je het gaat meten.
29
New cards
Operationele definitie (operational definition)
Een omschrijving van een begrip in termen van hoe je het meet.
30
New cards
Dimensies (dimensions)
De verschillende onderdelen van een begrip. Elk onderdeel meet je met eigen indicatoren.
31
New cards
Indicatoren (indicators)
Meetbare kenmerken die een begrip vertegenwoordigen dat je niet rechtstreeks kunt meten.
32
New cards
Correlatie (correlation)
Maat voor hoe sterk twee variabelen samenhangen en in welke richting, bijvoorbeeld Pearsons r.
33
New cards
Interne betrouwbaarheid (internal reliability)
Kwantitatief
34
New cards
Externe betrouwbaarheid (external reliability)
Kan het onderzoek worden herhaald met dezelfde uitkomst? Bij kwalitatief onderzoek is dit lastig, omdat situaties veranderen.
35
New cards
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (inter-rater reliability)
De mate waarin verschillende codeurs of observatoren hetzelfde materiaal op dezelfde manier beoordelen.
36
New cards
Criteriumvaliditeit (criterion validity)
Verzamelnaam voor concurrente en predictieve validiteit
37
New cards
Concurrente validiteit (concurrent validity)
Je meting hangt samen met een criterium dat op hetzelfde moment wordt gemeten.
38
New cards
Predictieve validiteit (predictive validity)
Je meting voorspelt een criterium in de toekomst.
39
New cards
Constructvaliditeit (construct validity)
Je meting gedraagt zich zoals de theorie over het begrip voorspelt.
40
New cards
Convergente validiteit (convergent validity)
Je meting komt overeen met andere metingen van hetzelfde begrip via een andere methode.
41
New cards
Triangulatie (triangulation)
Meerdere methoden, bronnen, onderzoekers of theorieën gebruiken, zodat je bevindingen elkaar kunnen bevestigen.
42
New cards
Respondentvalidatie (respondent validation / member validation)
Je legt je bevindingen voor aan de deelnemers om te controleren of je hen goed hebt begrepen.
43
New cards
Dikke beschrijving (thick description)
Een zeer gedetailleerde beschrijving van de situatie, zodat anderen kunnen beoordelen of de bevindingen ook elders gelden (Geertz).
44
New cards
Audit trail (audit trail)
Alle stappen en keuzes in het onderzoek worden vastgelegd, zodat anderen kunnen nagaan hoe je tot je conclusies bent gekomen.
45
New cards
Reactiviteit (reactivity)
Mensen gedragen zich anders omdat ze weten dat ze worden onderzocht.
46
New cards
Analytische generalisatie (analytic generalization)
Je generaliseert van een casus naar theorie in plaats van naar een populatie (Yin).
47
New cards
Moderatum-generalisatie (moderatum generalization)
Voorzichtige, beperkte uitspraken over vergelijkbare situaties op basis van kwalitatief onderzoek (Williams).
48
New cards
Overdracht van casus naar casus (case-to-case transfer)
De lezer beoordeelt zelf of bevindingen uit de ene casus ook gelden voor een vergelijkbare andere casus (Firestone).
49
New cards
Kanssteekproef (probability sample)
Een steekproef op basis van toeval, waarbij elke eenheid in de populatie een bekende kans heeft om te worden gekozen.
50
New cards
Enkelvoudige aselecte steekproef (simple random sample)
Iedereen in de populatie heeft precies dezelfde kans om te worden gekozen.
51
New cards
Systematische steekproef (systematic sample)
Je kiest na een willekeurig startpunt steeds elke n-de persoon uit de lijst.
52
New cards
Gestratificeerde aselecte steekproef (stratified random sample)
Je verdeelt de populatie eerst in groepen (strata) en trekt dan uit elke groep een aselecte steekproef.
53
New cards
Clustersteekproef (cluster sample)
Je trekt eerst groepen (bijvoorbeeld wijken) en daarna eenheden binnen die groepen.
54
New cards
Representatieve steekproef (representative sample)
Een steekproef die een goede afspiegeling vormt van de populatie.
55
New cards
Steekproefkader (sampling frame)
De lijst met alle eenheden in de populatie waaruit je de steekproef trekt.
56
New cards
Census (census)
Je onderzoekt de hele populatie in plaats van een steekproef.
57
New cards
Random digit dialing (RDD)
Telefoonnummers worden willekeurig gegenereerd, zodat ook mensen met een geheim nummer kans maken om te worden gekozen.
58
New cards
Niet-kanssteekproef (non-probability sample)
Een steekproef die niet op toeval is gebaseerd, waardoor niet iedereen dezelfde kans heeft om te worden gekozen.
59
New cards
Quotasteekproef (quota sample)
De steekproef heeft dezelfde verhoudingen als de populatie (bijvoorbeeld qua leeftijd en geslacht), maar de interviewer kiest zelf wie hij binnen die groepen benadert.
60
New cards
Gemakssteekproef (convenience sample)
Je neemt wie toevallig beschikbaar is.
61
New cards
Sneeuwbalsteekproef (snowball sample)
Deelnemers verwijzen je door naar andere geschikte deelnemers.
62
New cards
Doelgerichte steekproeftrekking (purposive sampling)
Je kiest bewust deelnemers of casussen die relevant zijn voor je onderzoeksvraag.
63
New cards
Steekproeftrekking met maximale variatie (maximum variation sampling)
Je kiest deelnemers die zo veel mogelijk van elkaar verschillen op de kenmerken die ertoe doen.
64
New cards
Sequentiële steekproeftrekking (sequential sampling)
De steekproef groeit tijdens het onderzoek, waarbij eerdere bevindingen bepalen wie je daarna kiest.
65
New cards
Niet-sequentiële steekproeftrekking (non-sequential sampling)
De steekproef ligt aan het begin van het onderzoek al grotendeels vast.
66
New cards
A-prioristeekproeftrekking (a priori sampling)
De selectiecriteria staan vooraf vast.
67
New cards
Contingente steekproeftrekking (contingent sampling)
De selectiecriteria veranderen tijdens het onderzoek op basis van wat je ontdekt.
68
New cards
Datasaturatie (data saturation)
Extra data leveren niets nieuws meer op.
69
New cards
Theoretische saturatie (theoretical saturation)
In grounded theory het punt waarop nieuwe data een categorie niet meer verder ontwikkelen, omdat die volledig is uitgewerkt.
70
New cards
Steekproeffout (sampling error)
Het verschil tussen steekproef en populatie dat puur door toeval ontstaat.
71
New cards
Steekproefvertekening (sampling bias)
De steekproef is scheef omdat sommige mensen minder of geen kans hadden om te worden gekozen.
72
New cards
Niet-steekproeffout (non-sampling error)
Fouten die niet door de steekproeftrekking komen, maar bijvoorbeeld door non-respons, slechte vragen of verwerkingsfouten.
73
New cards
Non-respons (non-response)
Iemand uit de steekproef levert geen gegevens, bijvoorbeeld door weigering of onbereikbaarheid.
74
New cards
Unit-non-respons (unit non-response)
Iemand doet helemaal niet mee.
75
New cards
Item-non-respons (item non-response)
Iemand doet mee, maar beantwoordt sommige vragen niet.
76
New cards
Ontbrekende gegevens (missing data)
Gegevens die ontbreken, bijvoorbeeld omdat een vraag is overgeslagen.
77
New cards
Weging (weighting)
Je past de data aan zodat groepen in de steekproef weer in de juiste verhouding staan tot de populatie.
78
New cards
Frequentietabel (frequency table)
Tabel die laat zien hoe vaak elke antwoordcategorie voorkomt, in aantallen en percentages.
79
New cards
Cel (cell)
Het vakje in een tabel waar een rij en een kolom elkaar kruisen.
80
New cards
Rekenkundig gemiddelde (arithmetic mean)
Alle waarden optellen en delen door het aantal waarden.
81
New cards
Spreidingsbreedte (range)
Het verschil tussen de hoogste en de laagste waarde.
82
New cards
Normale verdeling (normal distribution)
Een symmetrische klokvorm waarin gemiddelde, mediaan en modus gelijk zijn. Ongeveer 68 procent valt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde en ongeveer 95 procent binnen 1,96 standaardafwijkingen.
83
New cards
Standaardfout van het gemiddelde (standard error of the mean)
Geeft aan hoeveel een steekproefgemiddelde naar verwachting afwijkt van het echte populatiegemiddelde.
84
New cards
Betrouwbaarheidsinterval (confidence interval)
Het bereik waarbinnen de echte populatiewaarde met een bepaalde zekerheid (bijvoorbeeld 95 procent) ligt.
85
New cards
Inferentiële statistiek (inferential statistics)
Statistiek waarmee je vanuit een kanssteekproef uitspraken doet over de populatie.
86
New cards
Statistische inferentie (statistical inference)
Het doortrekken van steekproefresultaten naar de populatie.
87
New cards
Statistische significantietoets (test of statistical significance)
Toets die bepaalt of een verband in de steekproef waarschijnlijk ook in de populatie bestaat, met een vooraf gekozen foutrisico.
88
New cards
SPSS
Softwareprogramma voor kwantitatieve data-analyse.
89
New cards
Postale vragenlijst (postal questionnaire)
Vragenlijst die per post wordt verstuurd, zelf wordt ingevuld en per post wordt teruggestuurd.
90
New cards
Online survey (online survey)
Vragenlijst die via internet wordt afgenomen, via een website of e-mail.
91
New cards
Ingebedde e-mailsurvey (embedded email survey)
De vragenlijst staat in de tekst van de e-mail zelf.
92
New cards
Bijgevoegde e-mailsurvey (attached email survey)
De vragenlijst zit als bijlage bij de e-mail.
93
New cards
Mixed-mode survey (mixed mode survey)
Een survey die meerdere afnamevormen combineert, bijvoorbeeld online en telefonisch.
94
New cards
CAPI (computer-assisted personal interviewing)
Face-to-face-interview waarbij de interviewer de antwoorden direct in een laptop of tablet invoert.
95
New cards
CATI (computer-assisted telephone interviewing)
Telefonisch interview waarbij de interviewer de antwoorden direct in de computer invoert.
96
New cards
Gesloten vragen (closed-ended questions)
Vragen met vaste antwoordmogelijkheden.
97
New cards
Open vragen (open-ended questions)
Vragen die respondenten in hun eigen woorden beantwoorden.
98
New cards
Filtervraag (filter question)
Een vraag die bepaalt welke vragen een respondent daarna wel of niet krijgt.
99
New cards
Voorcodes (pre-codes)
Nummers die vooraf aan antwoordopties worden gegeven, zodat invoeren makkelijker gaat.
100
New cards
Vignet (vignette)
Een kort, verzonnen scenario waarop respondenten moeten aangeven hoe zij of iemand anders zouden reageren.