1/26
Een set van 27 woordenschatflitskaarten gebaseerd op de begrippen uit Hoofdstuk 1.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Primaire behoeften
De noodzakelijke basisbehoeften, zoals voeding, kleding en woonruimte.
Prioriteiten stellen
Bepalen welke behoeften je het belangrijkst vindt en welke minder belangrijk zijn.
Schaars
Iets is schaars als het niet onbeperkt beschikbaar is. Er zijn middelen nodig om het te maken.
Secundaire behoeften
Alle overige behoeften die je leven beter of prettiger maken.
Vrije goederen
Goederen waarover je zomaar kunt beschikken, zoals lucht, zonlicht en regenwater.
Welvaart
De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.
Zelfvoorziening
Je voorziet in je behoeften door zelf goederen voor eigen gebruik te maken.
Commerciële reclame
Reclame om meer producten te verkopen en daar geld aan te verdienen.
Doelgroep
De groep consumenten voor wie een product of boodschap bedoeld is.
Ideële reclame
Reclame die mensen laat nadenken over hun ideeën, zodat hun gedrag verandert.
Informatieve reclame
Reclame met informatie over de eigenschappen en prijs van een product.
Marketing
Alles wat bedrijven doen om hun product te verkopen.
Marketingmix
De marketinginstrumenten: product, prijs, plaats, promotie, personeel en presentatie. Dit zijn de 6 P’s.
Merkreclame
Reclame om een positieve indruk van een merk te geven en het merk bekender te maken.
Begroting
Een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode.
Budgetteren
Je inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen.
Dagelijkse uitgaven
Huishoudelijke uitgaven, zoals boodschappen, persoonlijke verzorging, cadeautjes en uitgaan.
Incidentele uitgaven
Uitgaven die je niet vaak doet, zoals voor een vakantie of huishoudelijke apparaten.
Nibud
Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. Het geeft voorlichting over hoe je beter kunt omgaan met je geld.
Reserveren
Geld opzijzetten om later een grote uitgave te kunnen betalen.
Inkomen uit arbeid
Inkomen dat je verdient met werken, zoals loon of salaris.
Inkomen uit bezit
Inkomen uit wat je bezit, zoals huurinkomsten of rente op spaargeld.
Overdrachtsinkomen
Inkomen dat je ontvangt zonder ervoor te werken, zoals uitkeringen, zakgeld of kleedgeld.
Vaste lasten
Uitgaven die je regelmatig moet betalen, zoals huur of abonnementen.
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek. Het verzamelt informatie, onder andere over economische veranderingen.
Deflatie
Een algemene daling van de prijzen.
Inflatie
Een algemene stijging van de prijzen.