1/118
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Het kan drie maanden duren.
It can take three months.
De lente, zomer, herfst en winter zijn de seizoenen.
Spring, summer, fall and winter are the seasons.
Hoe kan het nu al juni zijn?
How can it already be June?
Wij zijn niet aan het koken.
We are not cooking.
Ben je aan het koken?
Are you cooking?
Ik ben aan het lopen.
I am walking.
Ben jij aan het zwemmen?
Are you swimming?
Ik ben niet aan het schrijven.
I am not writing.
Wat ben je aan het lezen?
What are you reading?
Is hij aan het werken?
Is he working?
Wat ben je daar aan het doen?
What are you doing there?
Zin de kinderen aan het fietsen?
Are the children biking?
We zijn belangrijke dingen aan het doen.
We are doing important things.
Ben juli aan het zwemmen?
Are you swimming?
Zi zijn altijd aan het lopen.
They are always walking.
Waar zin de kinderen aan het zwemmen?
Where are the children swimming?
Ben je dan het koken?
Are you cooking?
Op vrijdag heb geen tijd.
On Friday you do not have time.
Ik wil elke hoed.
I want every hat.
Elke schoen is groot.
Every shoe is big.
Hoe laat is het nu.
What time is it now?
Hoofd, schouders, knie en teen
Head, shoulders, knee and toe.
Ik toon het.
I show it.
Op het moment ben ik niets aan het doen.
At the moment I am not doing anything.
Is hi aan het werken?
Is he working?
De mannen zin aan het zwemmen.
The men are swimming.
Jij bent een route aan het fietsen.
You are biking a route.
Volgens de advocaat is het te laat.
According to the lawyer it is too late.
Ondanks zin bril kan hij niet goed zien.
Despite his glasses he cannot see well.
De koe eet alles behalve kaas.
The cow eats everything except cheese.
Ik zie iedereen behalve Willem.
I see everybody except for Willem.
Alle mannen zijn sterk, behalve ik.
All men are strong, except for me.
Ze zijn getrouwd.
They are married.
Je loopt voorbij het park.
You walk past the park.
De familie woont tegenover ons.
The family lives across from us
De boerderijen liggen rondom de stad.
The farms are around the city.
Vanaf vandaag ben ik hier de baas!
From today on, I am the boss here!
De kinderen spelen langs de straat.
The children play along the street.
Je moet duwen in plaats van trekken.
You have to push instead of pulling.
Wij luisteren door middel van onze oren.
We listen by means of our ears.
Hij woont tussen ons in.
He lives in between us
De baby slaapt tussen zin ouders in.
The baby sleeps between his parents.
Ze loopt onder de bomen door.
She walks underneath the trees.
De auto gaat onder de straat door.
The car goes underneath the street.
Wij luisteren door middel van onze oren.
We listen by means of our ears.
Het dorp ligt dicht bij de grote stad.
The village is near the big city.
Hij luistert naar zijn hart in plaats van zijn hersenen.
He is listening to his heart, instead of his brain.
De man woont dicht bij zijn vriendin.
The man lives close to his girlfriend.
Ze loopt onder de bomen door.
She walks underneath the trees.
Als jij daar blijft, dan komen wij naar je toe.
If you stay there, then we will come to you.
Waar ga je naartoe?
Where are you going?
Mijn vader loopt over de boeken heen.
My father is walking over the books.
De auto gaat onder de straat door.
The car goes underneath the street.
De muis rent onder de tafel door
The mouse runs underneath the table.
De koe loopt door de muur heen.
The cow walks through the wall.
Mag ik tussen jullie in zitten?
May I sit in between you?
Spreken de vrouwen?
Are the women speaking?
Heeft de man een kind?
Does the man have a child?
Hij heeft dorst.
He is thirsty.
We willen zwemmen ondanks het koude water
We want to swim, despite the cold water.
Ik eet alles behalve vlees.
leat everything except meat.
De man loopt langs het strand.
The man walks along the beach.
Rondom de tuin staat een muur.
Around the garden is a wall.
De haven ligt voorbij het park.
The port is past the park.
We zin nog ор tijd dankzij jou.
We are still on time, thanks to you.
De muis rent over de kaas heen.
The mouse runs across the cheese.
Bent u getrouwd?
Are you married?
Wiens huwelijk is het?
Whose marriage is it?
Zij zijn getrouwd.
They are married.
Wii zin gescheiden.
We are divorced.
Hij is mijn echtgenoot.
He is my husband.
Zij is jouw echtgenote.
She is your wife.
Wanneer is de bruiloft?
When is the wedding?
Wie is oma?
Who is grandma?
Waar is opa?
Where is grandpa?
Hi is min pa.
He is my dad.
Wij gaan naar opa en oma
We are going to grandpa and grandma.
Dat is mijn neef.
That is my cousin.
Waar ben jij geboren?
Where were you born?
Het duurt tien generaties!
It takes ten generations!
Jouw nicht wordt morgen
twaalf.
Your cousin is turning twelve tomorrow.
Wanneer komt jouw schoonmoeder?
When is your mother in law coming?
Houd je nog steeds van je ex?
Do you still love your ex?
Ik praat bijna nooit met mijn schoonzus.
I almost never talk with my sister-in-law.
Haar kleinkind is een klein kind.
Her grandchild is a small child.
Wil je dat Duo je stiefvader wordt?
Do you want Duo to become your stepfather?
Hoe oud is jouw halfbroer?
How old is your half-brother?
hoe gaat het met jou
How are you doing?
Ik heb een kaart nodig.
I need a map.
Min huis staat op een heuvel.
My house is on a hill
Waar zijn de rotsen?
Where are the rocks?
Wees snel!
Be fast!
Kom binnen!
come in!
Ruim het op!
Clean it up!
Wacht op mij!
Wait for me!
Blif zitten.
Stay seated
Wacht hier totdat ik terugkom.
Wait here until I come back.
Blijf bij ons.
Stay with us.
Lees het menu.
Read the menu.