1/43
Een overzicht van vaktermen en definities uit de cursus natuurwetenschappen over homeostase, feedbackmechanismen, zintuiglijke verwerking en reacties bij mens, dier en plant.
Organisme
Een levend wezen (zoals mens of dier) dat opgebouwd is uit verschillende organisatieniveaus.
Organisatieniveaus
De hiërarchische opbouw van een levend wezen van groot naar klein: organisme → stelsel → orgaan → weefsel → cel.
Stelsel
Een groep van diverse organen die samenwerken aan eenzelfde functie.
Weefsel
Een groep van cellen die dezelfde kleur, vorm en functie hebben.
Cel
De kleinste levende bouwsteen waaruit een organisme is opgebouwd.
Homeostase
Het behouden van het inwendig evenwicht van een organisme ondanks veranderingen in de omgeving, waardoor het organisme optimaal kan functioneren.
Positieve feedback
Een regelsysteem met een versterkend effect of versterkende werking op de reactie.
Negatieve feedback
Een regelsysteem met een afremmend of afzwakkend effect om het evenwicht te herstellen.
Prikkel
Een verandering in een organisme of in de omgeving van een organisme die men kan waarnemen met de zintuigen.
Reactie
De manier waarop een organisme reageert op een waargenomen prikkel (het gevolg van de prikkel).
Inwendige prikkel
Een prikkel die binnen in het lichaam van het organisme plaatsvindt (zoals pijn, honger of dorst).
Uitwendige prikkel
Een prikkel die zich in de omgeving buiten het lichaam bevindt (zoals zonlicht, geluid of een geur).
Chemische prikkels
Uitwendige prikkels die je kunt ruiken en proeven (smaakstoffen en geurstoffen).
Fysische prikkels
Uitwendige prikkels die je kunt zien, horen en voelen.
Receptoren
Gespecialiseerde zintuigcellen in de zintuigen die specifieke prikkels waarnemen en omzetten in impulsen.
Fonoreceptoren
Geluidsreceptoren die zich in het oor bevinden en geluidsprikkels registreren.
Fotoreceptoren
Lichtreceptoren die zich in het oog bevinden (of lichtgevoelige moleculen zoals chlorofyl in planten) en lichtprikkels registreren.
Thermoreceptoren
Zintuigcellen in de huid en de tong die temperatuurverschillen registreren.
Chemoreceptoren
Zintuigcellen in de tong, neus of inwendige organen die smaak- en geurveranderingen of concentraties van chemische stoffen registreren.
Mechanoreceptoren
Zintuigcellen in de huid, tong en inwendige organen die drukverschillen registreren.
Pijnreceptoren
Zintuigcellen in onder andere de huid die pijn registreren bij weefselbeschadiging.
Drempelwaarde (prikkeldrempel)
De minimale intensiteit of sterkte die een prikkel moet hebben om door de receptoren geregistreerd te worden.
Gewenning
Een bescherming tegen overprikkeling waarbij men na verloop van tijd aan een aanhoudende prikkel gewend raakt en deze niet meer waarneemt.
Conductoren
Stelsels die signalen en impulsen opnemen, verwerken en doorgeleiden; gevormd door het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel.
Effectoren
Spieren en klieren die vanuit de conductoren impulsen ontvangen en de uiteindelijke reactie tot stand brengen.
Thermoregulatie
Het handhaven van een constante lichaamstemperatuur rond +/- 37∘C, geregeld vanuit de hypothalamus in de hersenen.
Insuline
Hormoon geproduceerd door de β-cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier dat de bloedsuikerspiegel verlaagt door glucose om te zetten in glycogeen.
Glucagon
Hormoon geproduceerd door de α-cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier dat de bloedsuikerspiegel verhoogt door glycogeen om te zetten in glucose.
Hyperglycemie
Een te hoge bloedsuikerspiegel met een waarde boven 120mg/dl bloed.
Hypoglycemie
Een te lage bloedsuikerspiegel met een waarde onder 70mg/dl bloed.
Diabetes type 1
Een niet-geneesbare auto-immuunziekte waarbij het afweersysteem de bètacellen in de alvleesklier afbreekt, waardoor er geen of nauwelijks insuline wordt geproduceerd.
Diabetes type 2
Een aandoening waarbij het lichaam wel insuline aanmaakt, maar de lichaamscellen ongevoelig zijn geworden voor dit hormoon (volgens het sleutel-slotprincipe).
Zwangerschapsdiabetes
Een tijdelijke vorm van diabetes tijdens de zwangerschap waarbij het lichaam tijdelijk minder goed op insuline reageert, wat meestal binnen een dag na de bevalling verdwijnt.
Tropie
Een trage, onomkeerbare krommingsbeweging of groeireactie van een plantendeel die veroorzaakt en gericht wordt door een uitwendige prikkel.
Nastie
Een snelle, omkeerbare beweging van een plantendeel die veroorzaakt wordt door een prikkel, maar waarvan de bewegingsrichting niet door de prikkelrichting wordt bepaald.
Fototropie
Een groeibeweging van een plantendeel die veroorzaakt en gericht wordt door het licht (stengels groeien positief fototroop naar het licht toe).
Gravitropie (geotropie)
Een groeibeweging die beïnvloed en gericht wordt door de zwaartekracht (wortels zijn positief geotroop, stengels negatief geotroop).
Thermonastie
Een niet-gerichte beweging van plantendelen onder invloed van temperatuurveranderingen (bloemen openen bij warmte en sluiten bij koude).
Fotonastie
Een niet-gerichte beweging van plantendelen die veroorzaakt wordt door licht (bijvoorbeeld het openen van paardenbloemen bij licht).
Thigmonastie
Een snelle omkeerbare beweging van een plantendeel als gevolg van aanraking of mechanisch contact (zoals bij het kruidje-roer-mij-niet).
Nyctinastie
Het openen en sluiten van samengestelde bladeren of bloemen onder invloed van het dag- en nachtritme.
Auxine
Een plantenhormoon dat zorgt voor celstrekking en stengelgroei, en zich verplaatst naar de onbelichte zijde van de stengel.
Ethyleen
Een gasvormig plantenhormoon dat verantwoordelijk is voor vruchtrijping en het sturen van bloem- en bladverlies.
Huidmondjes
Openingen op het blad omgeven door sluitcellen waarlangs water verdampt (transpiratie) en gasuitwisseling (CO2 en O2) plaatsvindt.