Economie begrippen H1 en H2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/35

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

VWO 3

36 Terms

1
New cards

accijns

Een indirecte belasting die wordt geheven op producten met als doel het gebruik van die producten af te remmen. Bijvoorbeeld: accijns op tabak.

2
New cards

begroting

Overzicht van verwachte ontvangsten en verwachte uitgaven voor een komende periode.

3
New cards

belasting toegevoegde waarde (btw)

Als consument betaal je belasting over de verkoopprijs. Dit is een indirecte belasting.

4
New cards

budgetlijn

Een budgetlijn geeft verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden aan bij een bepaald budget.

5
New cards

chartaal geld

Munten en bankbiljetten in handen van het publiek.

6
New cards

directe belastingen

Directe belastingen worden geheven over de inkomens van burgers en bedrijven: de loon- en inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

7
New cards

giraal geld

Geld van mensen op een rekening bij de bank waarover zij direct kunnen beschikken.

8
New cards

huishoudelijke uitgaven

De (dagelijkse) uitgaven aan boodschappen, zoals levensmiddelen, huisdieren, cadeaus en bloemen, aanschaffen van kleine huishoudelijke spullen, uitgaan. Ook het zakgeld voor de verschillende gezinsleden valt hieronder.

9
New cards

huishouden

Een persoon of meer personen samen vormen een huishouden als ze alleen of gezamenlijk economische beslissingen nemen.

10
New cards

indirecte belastingen

(= kostprijsverhogende belastingen) Belastingen die worden geheven over de aankoop van goederen en diensten, zoals btw.

11
New cards

kasboek

Een overzicht alle uitgaven die je gedurende een periode doet.

12
New cards

Miljoenennota

Algemene toelichting op de rijksbegroting.

13
New cards

Nibud

Een onafhankelijke stichting die informatie en adviezen geeft over financiën aan huishoudens en bedrijven.

14
New cards

reserveren

Het bewaren van geld voor later. Bijvoorbeeld om later een auto te kopen.

15
New cards

Rijksbegroting

De plannen van de regering, met inkomsten en uitgaven.

16
New cards

sluitende begroting

Een begroting die in evenwicht is, waarbij de verwachte ontvangsten gelijk zijn aan de verwachte uitgaven.

17
New cards

sparen

Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

18
New cards

vaste lasten

De maandelijks (of jaarlijks) terugkerende uitgaven (lasten) zoals de uitgaven voor de huur van het huis, het afbetalen van een lening, de uitgaven voor water en stroom, et cetera.

19
New cards

vennootschapsbelasting

Belasting die geheven wordt over de winst van een bv en nv.

20
New cards

zakgeld

Geld dat kinderen wekelijks of maandelijks van hun ouders ontvangen.

21
New cards

zwart werk

Werk waarvan de inkomsten niet opgegeven worden aan de Belastingdienst.

22
New cards

arbeid

De inzet van menselijke capaciteit voor het produceren van goederen en diensten.

23
New cards

bruto binnenlands product (bbp)

De waarde van de totale binnenlandse productie van een land.

24
New cards

cumuleren

Het optellen van vorige waarden.

25
New cards

groeipercentages

Percentages die aangeven hoeveel procent een bepaalde variabele veranderd is ten opzichte van het jaar daarvoor.

26
New cards

groen bbp

Welvaartsbegrip waarbij naast het bbp ook rekening wordt gehouden met het milieu. Anders gezegd: maatstaf voor welvaartsgroei die rekening houdt met de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en het milieu.

27
New cards

human development index (HDI)

Welvaartsbegrip waarbij naast het bbp ook rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau van de bevolking en met de gezondheidszorg.

28
New cards

kapitaal

De productiefactor kapitaal omvat de fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie worden ingezet. Men onderscheidt kapitaalgoederen en geldkapitaal.

29
New cards

lorenzcurve

(lorenzkromme) Een grafiek die de (on)gelijkmatigheid van een verdeling weergeeft, bijvoorbeeld van de verdeling van het totale inkomen over personen of huishoudens.

30
New cards

nationaal inkomen

Inkomens van alle mensen in een land bij elkaar opgeteld in een bepaalde periode.

31
New cards

natuur

Een productiefactor die lucht, zonlicht, aarde, water, de mineralen, gas, olie, kolen, de ligging, het reliëf, de bodemgesteldheid, de rivieren, meren en kusten omvat die bij de productie worden ingezet.

32
New cards

ondernemerschap

De kennis, het inzicht en het risico durven nemen om een onderneming te starten en te runnen. Een productiefactor die beloond wordt voor het draging van de economische risico’s die ontstaan door het combineren van de andere productiefactoren (arbeid, natuur, kapitaal).

33
New cards

overdrachtsinkomens

Dat deel van het inkomen dat mensen krijgen zonder deelname aan het productieproces. Het bestaat uit de uitkeringen en subsidies/toeslagen.

34
New cards

primair inkomen

Het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Voorbeelden: loon, rente, huur, pacht en winst.

35
New cards

productiefactoren

De middelen waarmee wordt geproduceerd, namelijk arbeid, ondernemerschap, kapitaal(goederen) en natuur(lijke hulpbronnen).

36
New cards

welvaart

De mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.