1/54
Een overzicht van basisvocabulaire Frans naar Nederlands, georganiseerd rond thema's zoals persoonlijke gegevens, familie, het dagelijks leven, eten en drinken, tijd, natuur en algemene grammaticaonderdelen.
un anniversaire
Een verjaardag
une adresse
Een adres
la Belgique
België
le néerlandais
(het) Nederlands
téléphoner (à)
Telefoneren (naar)
des parents (m.)
Ouders
un frère
Een broer
une sœur
Een zus
un copain
Een vriend
des vêtements (m.)
Kleren
mettre
Aantrekken (bij kleding) of plaatsen, zetten
un médicament
Een geneesmiddel
un hôpital
Een ziekenhuis
un œil / des yeux
Een oog / ogen
des lunettes (f.)
Een bril
une salle de bains
Een badkamer
un étage
Een verdieping
un voyage
Een reis
faire du sport
Een sport beoefenen
un cahier
Een schrift
un devoir
Een huiswerk
apprendre
Leren
un carrefour
Een kruispunt
un rond-point
Een rotonde
acheter
Kopen
vendre
Verkopen
s’il vous plaît (svp)
Alstublief (aub)
heureux / heureuse
Gelukkig
triste
Droevig, triestig
amoureux / amoureuse
Verliefd
De rien !
Graag gedaan! Zonder dank!
un légume
Een groente
un champignon
Een paddenstoel
la charcuterie
De fijne vleeswaren
une tartine
Een boterham
mettre la table
De tafel dekken
avoir faim
Honger hebben
avoir soif
Dorst hebben
le printemps
De lente
l’automne (m.)
De herfst
l’après-midi (m.)
De namiddag
minuit (m.)
Middernacht
toujours
Altijd
jamais, ne … jamais
Nooit
la campagne
Het platteland
Quel temps fait-il?
Welk weer is het?
Il pleut.
Het regent.
comprendre
Begrijpen, verstaan
pouvoir
Mogen, kunnen
vouloir
Willen
pourquoi ?
Waarom?
tout le monde
Iedereen
premier, première
Eerste
dernier, dernière
Laatste