French Verb Vocabulary and Classifications

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/61

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Vocabulary flashcards covering French regular and irregular verbs across -ER, -IR, and -RE categories, with their classifications and translations.

Last updated 7:13 PM on 10/12/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

62 Terms

1
New cards

décrocher

De telefoon opnemen.

2
New cards

raccrocher

De telefoon neerleggen.

3
New cards

se trouver

Zich bevinden.

4
New cards

se débrouiller

Zich weten te redden.

5
New cards

allumer

Aansteken, doen branden.

6
New cards

se tromper

Zich vergissen.

7
New cards

se dépêcher

Zich haasten.

8
New cards

supporter

Verdragen, ondersteunen.

9
New cards

se passer

Gebeuren.

10
New cards

emporter

Iets meenemen (een voorwerp, iets abstracts van hier naar daar).

11
New cards

apporter

Iets meebrengen (een voorwerp, iets abstracts van daar naar hier).

12
New cards

amener

Een persoon of dier meebrengen (van daar naar hier).

13
New cards

emmener

Een persoon of dier meenemen (van hier naar daar).

14
New cards

sonner

Bellen, rinkelen (een bel, een wekker).

15
New cards

énerver

Op de zenuwen werken.

16
New cards

s'énerver

Zich druk maken.

17
New cards

casser

Breken.

18
New cards

se casser

Iets breken (een arm, been).

19
New cards

présenter

Iemand voorstellen.

20
New cards

proposer

Iets voorstellen.

21
New cards

s'orienter

Zich oriënteren.

22
New cards

traverser

Oversteken, doorkruisen.

23
New cards

monter

Naar boven gaan, instappen.

24
New cards

s'installer

Zich installeren, zich nestelen.

25
New cards

s'occuper de

Zich bezighouden met.

26
New cards

Verbes en -GER

Special category of -ER verbs including manger (eten), bouger (bewegen), nager (zwemmen), ranger (opruimen), changer (veranderen), interroger (ondervragen), voyager (reizen), protéger (beschermen), neiger (sneeuwen), corriger (verbeteren), déménager (verhuizen), plonger (duiken), loger (logeren), mélanger (mengen), échanger (uitwisselen, ruilen), and encourager (aanmoedigen).

27
New cards

Verbes en -CER

Special category of -ER verbs including lancer (werpen), commencer (beginnen), annoncer (aankondigen), dénoncer (verraden, verklikken), prononcer (uitspreken), remplacer (vervangen), déplacer (verplaatsen), avancer (vooruitgaan), and placer (plaatsen, zetten).

28
New cards

Verbes en -E.ER

Special category of -ER verbs including acheter (kopen), élever (grootbrengen), ramener (terugbrengen), se lever (opstaan), enlever (wegnemen), geler (vriezen), se promener (gaan wandelen), lever (opsteken, opheffen), peser (wegen), promener (rondleiden, uitlaten), achever (voltooien, afmaken), mener (leiden naar een plaats, een leven leiden), and semer (zaaien).

29
New cards

achever

Voltooien, afmaken.

30
New cards

mener

Leiden naar een plaats, een leven leiden.

31
New cards

semer

Zaaien.

32
New cards

dénoncer

Verraden, verklikken.

33
New cards

Verbes en -ELER/-ETER

Special category of -ER verbs including appeler (iemand roepen), rappeler (terugbellen), jeter (gooien, werpen), se rappeler (zich herinneren), and s'appeler (heten).

34
New cards

se rappeler

Zich herinneren.

35
New cards

tutoyer / vousvoyer

« jij », « u » zeggen.

36
New cards

Verbes en -YER

Special category of -ER verbs including essayer (proberen, passen), payer (betalen), nettoyer (schoonmaken), s'essuyer (zich afdrogen), essuyer (afdrogen), balayer (vegen), employer (gebruiken), ennuyer (vervelen), s'ennuyer (zich vervelen), appuyer (steunen), and effrayer (bang maken).

37
New cards

s'essuyer

Zich afdrogen.

38
New cards

appuyer

Steunen.

39
New cards

effrayer

Bang maken.

40
New cards

Verbes en -É.ER

Special category of -ER verbs including opérer (opereren), préférer (verkiezen), compléter (vervolledigen), répéter (herhalen), espérer (hopen), exagérer (overdrijven), célébrer (vieren), inquiéter (ongerust maken), posséder (bezitten), protéger (beschermen), sécher (drogen), précéder (voorafgaan), régler (regelen), and succéder à (voortbouwen op).

41
New cards

succéder à

Voortbouwen op.

42
New cards

précéder

Voorafgaan.

43
New cards

posséder

Bezitten.

44
New cards

LES VERBES EN -IR (Type finir)

A group of -IR verbs conjugated like finir, including remplir (vullen), finir (eindigen), rougir (blozen), kiezen (choisir), grandir (groeien), réagir (reageren), obéir (gehoorzamen), réussir (slagen), guérir (genezen), nadenken (réfléchir), and maigrir (vermageren).

45
New cards

rougir

Blozen.

46
New cards

obéir

Gehoorzamen.

47
New cards

guérir

Genezen.

48
New cards

maigrir

Vermageren.

49
New cards

LES VERBES EN -IR (Type partir)

A group of -IR verbs conjugated like partir, including servir (bedienen, opdienen), sortir (uitgaan, buitengaan), partir (vertrekken), dormir (slapen), mentir (liegen), voelen/ruiken (sentir), repartir (opnieuw vertrekken), and se sentir (zich voelen).

50
New cards

mentir

Liegen.

51
New cards

se sentir

Zich voelen.

52
New cards

LES VERBES EN -IR (Type ouvrir)

A group of -IR verbs conjugated like ouvrir, including ouvrir (openen), offrir (aanbieden), découvrir (ontdekken), couvrir (bedekken), and souffrir (lijden).

53
New cards

souffrir

Lijden.

54
New cards

découvrir

Ontdekken.

55
New cards

LES VERBES EN -RE (Type vendre)

A group of -RE verbs conjugated like vendre, including répondre (antwoorden), descendre (naar beneden gaan, uitstappen), entendre (horen), rendre (teruggeven), s'entendre avec qq'un (overeenkomen met iemand, goed opschieten met iemand), vendre (verkopen), attendre (wachten), perdre (verliezen), and correspondre (overeenkomen, corresponderen).

56
New cards

s'entendre avec qq'un

Overeenkomen met iemand, goed opschieten met iemand.

57
New cards

descendre

Naar beneden gaan, uitstappen.

58
New cards

rendre

Teruggeven.

59
New cards

LES VERBES EN -RE (Type conduire)

A group of -RE verbs conjugated like conduire, including conduire (rijden, besturen, leiden), détruire (vernietigen), produire (produceren), cuire (koken), introduire (inleiden), and traduire (vertalen).

60
New cards

détruire

Vernietigen.

61
New cards

cuire

Koken.

62
New cards

traduire

Vertalen.