1/61
Vocabulary flashcards covering French regular and irregular verbs across -ER, -IR, and -RE categories, with their classifications and translations.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
décrocher
De telefoon opnemen.
raccrocher
De telefoon neerleggen.
se trouver
Zich bevinden.
se débrouiller
Zich weten te redden.
allumer
Aansteken, doen branden.
se tromper
Zich vergissen.
se dépêcher
Zich haasten.
supporter
Verdragen, ondersteunen.
se passer
Gebeuren.
emporter
Iets meenemen (een voorwerp, iets abstracts van hier naar daar).
apporter
Iets meebrengen (een voorwerp, iets abstracts van daar naar hier).
amener
Een persoon of dier meebrengen (van daar naar hier).
emmener
Een persoon of dier meenemen (van hier naar daar).
sonner
Bellen, rinkelen (een bel, een wekker).
énerver
Op de zenuwen werken.
s'énerver
Zich druk maken.
casser
Breken.
se casser
Iets breken (een arm, been).
présenter
Iemand voorstellen.
proposer
Iets voorstellen.
s'orienter
Zich oriënteren.
traverser
Oversteken, doorkruisen.
monter
Naar boven gaan, instappen.
s'installer
Zich installeren, zich nestelen.
s'occuper de
Zich bezighouden met.
Verbes en -GER
Special category of -ER verbs including manger (eten), bouger (bewegen), nager (zwemmen), ranger (opruimen), changer (veranderen), interroger (ondervragen), voyager (reizen), protéger (beschermen), neiger (sneeuwen), corriger (verbeteren), déménager (verhuizen), plonger (duiken), loger (logeren), mélanger (mengen), échanger (uitwisselen, ruilen), and encourager (aanmoedigen).
Verbes en -CER
Special category of -ER verbs including lancer (werpen), commencer (beginnen), annoncer (aankondigen), dénoncer (verraden, verklikken), prononcer (uitspreken), remplacer (vervangen), déplacer (verplaatsen), avancer (vooruitgaan), and placer (plaatsen, zetten).
Verbes en -E.ER
Special category of -ER verbs including acheter (kopen), élever (grootbrengen), ramener (terugbrengen), se lever (opstaan), enlever (wegnemen), geler (vriezen), se promener (gaan wandelen), lever (opsteken, opheffen), peser (wegen), promener (rondleiden, uitlaten), achever (voltooien, afmaken), mener (leiden naar een plaats, een leven leiden), and semer (zaaien).
achever
Voltooien, afmaken.
mener
Leiden naar een plaats, een leven leiden.
semer
Zaaien.
dénoncer
Verraden, verklikken.
Verbes en -ELER/-ETER
Special category of -ER verbs including appeler (iemand roepen), rappeler (terugbellen), jeter (gooien, werpen), se rappeler (zich herinneren), and s'appeler (heten).
se rappeler
Zich herinneren.
tutoyer / vousvoyer
« jij », « u » zeggen.
Verbes en -YER
Special category of -ER verbs including essayer (proberen, passen), payer (betalen), nettoyer (schoonmaken), s'essuyer (zich afdrogen), essuyer (afdrogen), balayer (vegen), employer (gebruiken), ennuyer (vervelen), s'ennuyer (zich vervelen), appuyer (steunen), and effrayer (bang maken).
s'essuyer
Zich afdrogen.
appuyer
Steunen.
effrayer
Bang maken.
Verbes en -É.ER
Special category of -ER verbs including opérer (opereren), préférer (verkiezen), compléter (vervolledigen), répéter (herhalen), espérer (hopen), exagérer (overdrijven), célébrer (vieren), inquiéter (ongerust maken), posséder (bezitten), protéger (beschermen), sécher (drogen), précéder (voorafgaan), régler (regelen), and succéder à (voortbouwen op).
succéder à
Voortbouwen op.
précéder
Voorafgaan.
posséder
Bezitten.
LES VERBES EN -IR (Type finir)
A group of -IR verbs conjugated like finir, including remplir (vullen), finir (eindigen), rougir (blozen), kiezen (choisir), grandir (groeien), réagir (reageren), obéir (gehoorzamen), réussir (slagen), guérir (genezen), nadenken (réfléchir), and maigrir (vermageren).
rougir
Blozen.
obéir
Gehoorzamen.
guérir
Genezen.
maigrir
Vermageren.
LES VERBES EN -IR (Type partir)
A group of -IR verbs conjugated like partir, including servir (bedienen, opdienen), sortir (uitgaan, buitengaan), partir (vertrekken), dormir (slapen), mentir (liegen), voelen/ruiken (sentir), repartir (opnieuw vertrekken), and se sentir (zich voelen).
mentir
Liegen.
se sentir
Zich voelen.
LES VERBES EN -IR (Type ouvrir)
A group of -IR verbs conjugated like ouvrir, including ouvrir (openen), offrir (aanbieden), découvrir (ontdekken), couvrir (bedekken), and souffrir (lijden).
souffrir
Lijden.
découvrir
Ontdekken.
LES VERBES EN -RE (Type vendre)
A group of -RE verbs conjugated like vendre, including répondre (antwoorden), descendre (naar beneden gaan, uitstappen), entendre (horen), rendre (teruggeven), s'entendre avec qq'un (overeenkomen met iemand, goed opschieten met iemand), vendre (verkopen), attendre (wachten), perdre (verliezen), and correspondre (overeenkomen, corresponderen).
s'entendre avec qq'un
Overeenkomen met iemand, goed opschieten met iemand.
descendre
Naar beneden gaan, uitstappen.
rendre
Teruggeven.
LES VERBES EN -RE (Type conduire)
A group of -RE verbs conjugated like conduire, including conduire (rijden, besturen, leiden), détruire (vernietigen), produire (produceren), cuire (koken), introduire (inleiden), and traduire (vertalen).
détruire
Vernietigen.
cuire
Koken.
traduire
Vertalen.