1/97
Looks like no tags are added yet.
un légume
een groente
une salade
een sla
une tomate
een tomaat
une carotte
een wortel
un champignon
een paddenstoel
un fruit
een stuk fruit
une pomme
een appel
une poire
een peer
une banane
een banaan
une orange
een sinaasappel
un kiwi
een kiwi
un pain
een brood
une baguette
een stokbrood
un croissant
een croissant
la viande
het vlees
la charcuterie
de fijne vleeswaren
le jambon
de hesp
une tartine
een boterham
la confiture
de jam
le fromage
de kaas
le beurre
de boter
un œuf
een ei
le sucre
de suiker
la soupe
de soep
un poisson
een vis
des frites
frieten
une pomme de terre
een aardappel
des spaghettis
spaghetti
une pizza
een pizza
une sauce
een saus
la mayonnaise
de mayonaise
un dessert
een dessert
une glace
een ijsje
le chocolat
de chocolade
manger
eten
Je voudrais du pain.
Ik zou (graag) brood willen.
Je voudrais de la salade.
Ik zou (graag) sla willen.
Je voudrais des croissants.
Ik zou (graag) croissants willen.
J'ai envie de / d'
Ik heb zin in
J'ai envie de chocolat.
Ik heb zin in chocolade.
J'ai envie d'eau.
Ik heb zin in water.
J'ai mangé du jambon.
Ik heb hesp gegeten.
J'ai mangé de la viande.
Ik heb vlees gegeten.
J'ai mangé des champignons.
Ik heb paddenstoelen gegeten.
le vin
de wijn
l'eau
het water
le lait
de melk
une bière
een bier(tje)
une limonade
een limonade
un coca
een cola
un jus de fruit(s)
een fruitsap
un café
een koffie
un thé
een thee
un chocolat chaud
een warme chocolademelk
boire
drinken
Santé! (f.)
Gezondheid! / Proost!
un verre de
een glas
une tasse de
een kopje
une bouteille de
d'... / een fles ...
un repas
een maaltijd
un petit déjeuner
een ontbijt
un dîner
een middagmaal
un souper
een avondmaal
un menu
een menu
une assiette
een bord
une tasse
een kopje
une fourchette
een vork
une cuillère
une cuiller / een lepel
un couteau
een mes
un restaurant
een restaurant
mettre la table
de tafel dekken
avoir faim
honger hebben
avoir soif
dorst hebben
A table!
Aan tafel!
Bon appétit!
Smakelijk!
Passe-moi la viande, s'il te plaît.
Geef mij het vlees door, a.u.b.
Encore un peu de?
Nog een beetje?
C'est bon!
Het is lekker! / Het is goed!
J'ai faim.
Ik heb honger.
J'ai soif.
Ik heb dorst.
un magasin
een winkel
un supermarché
een supermarkt
le prix
de prijs
la caisse
de kassa
un euro
een euro
un cent
een (euro)cent
une bouteille
een fles
un cadeau
een geschenk
Je voudrais
Ik wil graag / Ik zou (graag) willen
Ça fait combien?
Hoeveel kost het?
Ça fait huit euros.
Het kost acht euro.
ouvert
open
fermé
gesloten
acheter
kopen
vendre
verkopen
payer
betalen
Un kilo de
Een kilo
Cent grammes de
Honderd gram