1/45
Begrippenkaartjes ter voorbereiding op het tentamen Ethiek over klassiek utilisme, theorieën over welzijn en geluk, en Kants deontologische moraalfilosofie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Waardenleer
Het evaluatieve, brede onderdeel van een normatieve ethische theorie dat beantwoordt wat intrinsiek goed is en gradaties van goedheid onderscheidt.
Plichtenleer
Het prescriptieve, strikte en smalle onderdeel van een ethische theorie dat voorschrijft wat je behoort te doen en welke handelingen vereist of verboden zijn.
Deugdenleer
Het onderdeel van een ethische theorie dat zich richt op karaktereigenschappen en beschrijft wat voor soort persoon iemand moet zijn.
Jeremy Bentham (1748-1832)
Engelse strafrechthervormer ('radical'), grondlegger van het klassieke utilisme en auteur van 'An Introduction to the Principles of Morals and Legislation' (1789).
Nutsprincipe (Bentham)
Het principe dat elke handeling goedkeurt of afkeurt naargelang haar neiging om het geluk van de belanghebbende partij te vergroten of juist te verkleinen.
John Stuart Mill (1806-1873)
Utilistisch filosoof en zoon van James Mill; auteur van onder meer 'On Liberty' (1859) en 'Utilitarianism' (1863), waarin hij het Greatest Happiness Principle uiteenzette.
Greatest Happiness Principle
Het morele fundament van J.S. Mill dat stelt dat handelingen juist zijn naarmate ze geluk bevorderen, en onjuist naarmate ze het tegendeel van geluk teweegbrengen.
Monisme (in de waardenleer)
De filosofische positie binnen het klassieke utilisme dat er slechts één enkel ding intrinsiek waardevol is, namelijk geluk of nut.
Hedonisme
De waardenleer ('epicurisme') die stelt dat het hoogste goed uitsluitend bestaat uit een specifieke plezierige mentale bewustzijnstoestand en de afwezigheid van pijn.
Consequentialisme
Een structuur van de plichtenleer waarin de juistheid van een handeling volledig afhangt van de toestanden die zij in de wereld teweegbrengt ('het juiste is een functie van het goede').
Onpartijdigheidsbeginsel (utilisme)
Het utilistische principe dat het moreel niet uitmaakt wiens geluk wordt bevorderd; ieder telt voor één ('No magic in the pronoun mine' - William Godwin).
Maximaliserend karakter van de plicht
De eis binnen het klassieke utilisme dat een handelende persoon altijd verplicht is om die handeling te kiezen die het meeste geluk oplevert (onverzadigbaarheid).
Foundationalisme (in de ethiek)
De epistemologische positie dat de juistheid van morele oordelen berust op axiomatische 'eerste principes' die zelf geen diepere fundering behoeven (volgens Bentham het nutsprincipe).
Regelutilisme
Een vorm van utilisme waarbij niet individuele handelingen direct getoetst worden, maar regels waarvan algemene navolging het totale geluk maximaliseert.
Regelfetishisme ('rule worship')
Het bezwaar tegen regelutilisme dat men star vasthoudt aan een gevestigde regel, zelfs in uitzonderlijke situaties waarin het breken van die regel tot aanzienlijk meer geluk leidt.
Motief-utilisme
Een variant van indirect utilisme waarin men handelt volgens dat motief dat bij algemene navolging het meeste welzijn of geluk teweegbrengt.
Indirect utilisme
Utilistische theorieën waarin het nutsprincipe niet direct wordt toegepast op losse handelingen, maar indirect via regels, motieven, emoties of een morele taakverdeling.
Besluitvormingsprocedure vs. Evaluatieprocedure
Het onderscheid tussen een deliberatiemethode in de eerste persoon om tot een handeling te komen, en een derdepersoonscriterium om achteraf vast te stellen of een handeling juist was.
Supererogatie
Handelingen die buitengewoon goed zijn maar verder gaan dan wat strikt moreel verplicht is; een categorie die een maximaliserend utilisme principieel niet kan erkennen.
Negatieve verantwoordelijkheid
Het consequentialistische principe (besproken door Bernard Williams) dat stelt dat iemand net zo verantwoordelijk is voor de gevolgen van wat hij nalaat als voor wat hij zelf direct doet.
Hedonistische paradox
Het verschijnsel dat doelbewust en krampachtig streven naar geluk er vaak toe leidt dat geluk juist niet bereikt of ervaren wordt.
Kwalitatief hedonisme
De opvatting van Mill dat pleziertypes kwalitatief van elkaar verschillen (zoals intellectueel genot versus fysiek genot), wat leidt tot hedonistisch pluralisme en commensurabiliteitsproblemen.
Ervaringsmachine (Nozick)
Een gedachte-experiment van Robert Nozick dat aantoont dat mensen niet louter virtuele plezierige ervaringen wensen, maar hechten aan feitelijk contact met de werkelijkheid.
Verlangentheorie van het welzijn
De theorie die stelt dat het goede leven bestaat uit de feitelijke vervulling van verlangens, begrepen als disposities om in te grijpen in de wereld wanneer het gewenste ontbreekt.
Geïnformeerde verlangens
Verlangens gecorrigeerd voor fouten, bestaande uit de verlangens die iemand zou hebben indien diegene beschikte over volledige informatie en correcte redeneringen.
Ideale-adviseurtheorie
De opvatting dat wat goed voor jou is samenvalt met datgene wat een volledig geïnformeerde en rationele adviseur jou zou aanraden te verlangen.
Objectieve lijsttheorie
De theorie (geïllustreerd door o.a. G.E. Moore en Kazez) dat bepaalde zaken zoals vriendschap, kennis en kunst objectief waardevol zijn, onafhankelijk van subjectieve ervaringen of voorkeuren.
Deontologie
Een niet-consequentialistische ethiek ('deon' = plicht) waarin de morele plicht primair is en onafhankelijk van het goede functioneert; plichten zijn niet teleologisch.
Constraints en Options
Deontologische kernconcepten: constraints zijn absolute verboden op bepaalde typen handelingen; options zijn moreel toegestane handelingsruimtes waarin men vrij is eigen plannen te volgen.
Immanuel Kant (1724-1804)
Duitse filosoof uit Königsberg en auteur van de 'Grundlegung zur Metaphysik der Sitten' (1785), die betoogde dat morele wetten a priori en met absolute noodzaak gefundeerd zijn in de zuivere rede.
Goede wil (Kant)
Het enige dat zonder restrictie goed is, omdat het zowel onvoorwaardelijk goed is (niet corrumpeerbaar door slechte intenties) als noodzakelijk goed (schittert op zichzelf, los van resultaten).
Handelen uit plicht (omwille van de plicht)
Handelen waarbij achting voor de morele wet het directe motief vormt; volgens Kants eerste propositie bezit uitsluitend een dergelijke handeling morele waarde.
Plichtmatig handelen
Handelen dat uiterlijk in overeenstemming is met de morele plicht, maar gemotiveerd wordt door een neiging, sympathie of eigenbelang, waardoor het zedelijk gehalte ontbreekt.
Maxime
Het subjectieve handelingsprincipe of persoonlijke plan (de premisse van een praktisch syllogisme) op grond waarvan een rationeel wezen daadwerkelijk besluit te handelen.
Achting voor de wet (Achtung)
Het zuiver rationele, niet door neigingen ingegeven ontzag voor de zedenwet dat de handelende persoon motiveert om te handelen volgens Kants derde propositie van de plicht.
Categorische imperatief
Het onvoorwaardelijke, apodiktische bevel van de praktische rede dat maximes toetst aan algemene wetmatigheid, onafhankelijk van specifieke verlangens of doelen.
Hypothetische imperatief
Een voorwaardelijk handelingsvoorschrift van de rede dat aangeeft welke handeling vereist is als middel om een specifiek doel (problematisch doel of het assertorische doel geluk) te bereiken.
Formulering van de algemene natuurwet (CI 1)
Kants formulering: 'Handel zo alsof de maxime van jouw handeling door jouw wil tot algemene natuurwet moest worden.'
Formulering van het menszijn (CI 2)
Kants formulering: 'Handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.'
Formulering van autonomie (CI 3)
Kants formulering: 'Handel zo dat je wil zich, vanwege haar maximes, kan beschouwen als een wetgever van universele wetten.'
Formulering van het rijk der doelen (CI 4)
Kants formulering: 'Handel volgens maximes van een lid dat algemene wetten maakt voor een slechts mogelijk rijk van de doelen.'
Conceptuele contradictie
Een uitkomst van de CI-test waarbij een maxime ondenkbaar wordt zodra deze universeel wordt gemaakt (de praktijk heft zichzelf op, zoals bij valse beloftes); fundeert een volkomen plicht.
Contradictie in het willen
Een uitkomst van de CI-test waarbij een universele maxime wel denkbaar is, maar een redelijk wezen rationeel niet kan willen dat deze wet bestaat (zoals talenten verwaarlozen); fundeert een onvolkomen plicht.
Volkomen vs. Onvolkomen plichten
Volkomen plichten gelden strikt en kunnen slechts op één welomschreven manier worden nageleefd; onvolkomen plichten laten keuze en speelruimte toe in de concrete uitoefening.
Prima facie plichten (Ross)
Deontologische, pro tanto plichten (zoals trouw, herstel, dankbaarheid en rechtvaardigheid) die op het eerste gezicht bindend zijn, maar bij onderlinge strijdigheid afgewogen moeten worden.
Kants verbod op liegen (moordenaar aan de deur)
Kants absolute stelling dat liegen principieel verboden blijft, zelfs tegenover een moordenaar, omdat men uitsluitend morele verantwoordelijkheid draagt voor de eigen daad en niet voor andermans kwaad.