1/41
Fiches de vocabulaire présentant les verbes irréguliers néerlandais (temps primitifs) avec leurs formes à l'imparfait (singulier et pluriel), leur participe passé et leur traduction en français.
Begrijpen
Comprendre (Imparfait : begreep, begrepen | Participe passé : heeft begrepen)
Bijten
Mordre (Imparfait : beet, beten | Participe passé : heeft gebeten)
Blijken
S'avérer, être évident (Imparfait : bleek, bleken | Participe passé : is gebleken)
Blijven
Rester (Imparfait : bleef, bleven | Participe passé : is gebleven)
Drijven
Flotter, pousser (Imparfait : dreef, dreven | Participe passé : heeft/is gedreven (1))
Glijden
Glisser (Imparfait : gleed, gleden | Participe passé : heeft/is gegleden (1))
Grijpen
Saisir (Imparfait : greep, grepen | Participe passé : heeft gegrepen)
Hijsen
Hisser (Imparfait : hees, hesen | Participe passé : heeft gehesen)
Kijken
Regarder (Imparfait : keek, keken | Participe passé : heeft gekeken)
Krijgen
Recevoir (Imparfait : kreeg, kregen | Participe passé : heeft gekregen)
Lijden
Souffrir (Imparfait : leed, leden | Participe passé : heeft geleden)
Lijken
Paraître, sembler (Imparfait : leek, leken | Participe passé : heeft geleken)
Rijden
Rouler (Imparfait : reed, reden | Participe passé : heeft/is gereden (1))
Schijnen
Briller, sembler (Imparfait : scheen, schenen | Participe passé : heeft geschenen)
Schrijven
Ecrire (Imparfait : schreef, schreven | Participe passé : heeft geschreven)
Smijten
Lancer (avec force) (Imparfait : smeet, smeten | Participe passé : heeft gesmeten)
Snijden
Couper (Imparfait : sneed, sneden | Participe passé : heeft gesneden)
Spijten
Causer du regret (Imparfait : Het speet me | Participe passé : Het heeft me gespeten)
Stijgen
Augmenter, s'élever (Imparfait : steeg, stegen | Participe passé : is gestegen)
Strijden
Combattre, lutter (Imparfait : streed, streden | Participe passé : heeft gestreden)
Verdwijnen
Disparaître (Imparfait : verdween, verdwenen | Participe passé : is verdwenen)
Wijzen
Montrer (Imparfait : wees, wezen | Participe passé : heeft gewezen)
Wrijven
Frotter (Imparfait : wreef, wreven | Participe passé : heeft gewreven)
Zwijgen
Se taire (Imparfait : zweeg, zwegen | Participe passé : heeft gezwegen)
Beginnen
Commencer (Imparfait : begon, begonnen | Participe passé : is begonnen)
Binden
Lier (Imparfait : bond, bonden | Participe passé : heeft gebonden)
Blinken
Briller (Imparfait : blonk, blonken | Participe passé : heeft geblonken)
Drinken
Boire (Imparfait : dronk, dronken | Participe passé : heeft gedronken)
Dwingen
Forcer (Imparfait : dwong, dwongen | Participe passé : heeft gedwongen)
Glimmen
Luire (Imparfait : glom, glommen | Participe passé : heeft geglommen)
Klimmen
Grimper (Imparfait : klom, klommen | Participe passé : heeft/is geklommen (1))
Klinken
Résonner (Imparfait : klonk, klonken | Participe passé : heeft geklonken)
Schrikken
S'effrayer (Imparfait : schrok, schrokken | Participe passé : is geschrokken)
Springen
Sauter (Imparfait : sprong, sprongen | Participe passé : heeft/is gesprongen (1))
Stinken
Puer (Imparfait : stonk, stonken | Participe passé : heeft gestonken)
Vinden
Trouver (Imparfait : vond, vonden | Participe passé : heeft gevonden)
Winnen
Gagner (Imparfait : won, wonnen | Participe passé : heeft gewonnen)
Zingen
Chanter (Imparfait : zong, zongen | Participe passé : heeft gezongen)
Zinken
Couler, sombrer (Imparfait : zonk, zonken | Participe passé : is gezonken)
Bedriegen
Tromper (Imparfait : bedroog, bedrogen | Participe passé : heeft bedrogen)
Bieden
Offrir (Imparfait : bood, boden | Participe passé : heeft geboden)
Genieten
Profiter (Imparfait : genoot, genoten | Participe passé : heeft genoten)