1/56
Flashcards met definities van microbiologische termen, celstructuren, microscopische technieken en genetische mechanismen op basis van het college.
Kapsel
Stijf materiaal buiten de celwand van sommige bacteriën dat beschermt tegen uitdroging en fagocytose, adhesie bevordert en dient als reservevoedsel.
Slijmlaag
Flexibel materiaal buiten de celwand met dezelfde functies als een kapsel, maar minder stijf van structuur.
Xanthaangom
Een verdikkingsmiddel dat in voeding zoals dressings wordt gebruikt, afkomstig uit het kapsel van Xanthomonas campestris.
Biofilm
Een structuur die ontstaat doordat bacteriën hechten aan een oppervlak, een monolaag en microkolonies vormen en zich omringen met een exopolymeermatrix.
Fimbriae (pili)
Korte draadvormige uitsteeksels (trilharen) bij prokaryoten, vaak verspreid over het hele oppervlak en meestal voorkomend bij gramnegatieve bacteriën; dienen voor hechting en beweging.
Seks-pili
Een langer type pili dat zorgt voor conjugatie, oftewel de overdracht van plasmiden tussen bacteriën.
Flagel
Bacterieel bewegingsorgaan opgebouwd uit het eiwit flagelline, aangedreven door een motor in het cytoplasmatisch membraan en roterend met een snelheid van 200 tot 1000rpm.
Taxis
Gerichte beweging van een bacterie als reactie op een prikkel, zoals chemotaxis, fototaxis, aerotaxis en magnetotaxis.
Hfr-cellen
Cellen waarbij de F-factor in het chromosoom is geïntegreerd, waardoor bij conjugatie een deel van het genoom wordt overgedragen naar de F-negatieve ontvanger.
Basische kleurstof
Positief geladen kleurstof zoals kristalviolet die wordt aangetrokken door het negatief geladen celmembraan.
Negatieve kleuring
Kleuringsprincipe waarbij gelijke ladingen elkaar afstoten; een zure (negatieve) kleurstof zoals nigrosine of Oost-Indische inkt wordt afgestoten door het negatief geladen celmembraan, waardoor het kapsel zichtbaar blijft als een heldere zone.
Spirillen
Spiraalvormige bacteriën zoals Campylobacter jejuni, met afmetingen van ongeveer 1,5μm diameter en 15μm lengte.
Spirocheten
Spiraalvormige bacteriën zoals Treponema pallidum en Borrelia burgdorferi, met afmetingen van 0,15μm diameter en tot 300μm lengte.
Vibrio
Kommavormige bacteriën, zoals bijvoorbeeld Vibrio cholerae.
Lipide A
Disaccharide waaraan vetzuren zijn veresterd in de buitenste laag van het buitenmembraan van gramnegatieve bacteriën; fungeert als het endotoxine dat koorts en shock veroorzaakt.
Core polysaccharide
De vaste kern van LPS bestaande uit een korte keten van suikers, die identiek is bij verschillende bacteriesoorten.
O-polysaccharide
Het deel van LPS dat uit de bacterie steekt en leidt tot de vorming van antistoffen.
Kokken
Bolvormige bacteriën met een diameter van 1μm, voorkomend als monococ, diplococci, streptococci (ketens), staphylococci (trossen), tetrad of sarcina (pakketjes).
Bacillen
Staafvormige bacteriën met een diameter van 0,5 tot 1μm en een lengte van 1 tot 3μm (zoals Escherichia coli en Bacillus cereus), voorkomend als coccobacillus, diplobacilli, streptobacilli of palissaden.
Filamenteuze bacteriën
Bacteriën met vertakte filamenten die lijken op een mycelium (bijvoorbeeld Actinomyces), belangrijk voor de productie van antibiotica.
Gramkleuring
Differentiële kleuring met kristalviolet, jodium, alcohol en safranine, waarbij grampositieve cellen paars blijven en gramnegatieve cellen ontkleuren door ethanol en roze tot rood kleuren met safranine.
Cytoplasma
Viskeuze waterige massa binnen het celmembraan bestaande uit meer dan 90% water, zonder organellen, bevattende enzymen voor het metabolisme, ribosomen, DNA en granules.
Ribosomen (prokaryoot)
Prokaryote ribosomen van 70S, opgebouwd uit een 30S en een 50S subunit met rRNA en eiwit; vormen een belangrijk doelwit voor antibiotica.
Granules
Osmotisch inactieve korreltjes in het cytoplasma bestemd voor de opslag van organische (vetten, koolhydraten) of anorganische (zwavel, fosfaten) reservematerialen.
Koolhydraatgranules
Cytoplasmatische korrels voor de opslag van koolhydraten onder de vorm van glycogeen, een vertakte keten van α-glucose.
Poly-β-hydroxyboterzuur
De belangrijkste reservemolecule in bacteriën die dient voor de opslag van vetten.
Volutinekorrels
Metachromatische granules met opgeslagen fosfaten, die dienen als bron van fosfaten en worden gebruikt bij waterzuivering.
Zwavelglobules
Insluitsels waarin sulfide (S2−) met energiewinst wordt omgezet in opgeslagen zwavel, dat bij uitputting van sulfide verder kan worden geoxideerd tot sulfaat (SO42−) met vrijkomen van energie.
Cytoplasmatisch membraan (CM)
Een 8nm dik semipermeabel membraan bestaande uit 50% eiwit en 50% fosfolipiden, dat dient als barrière en transportsysteem, locatie voor enzymatische reacties en energieproductie.
Peptidoglycaan
Een polymeer van afwisselend N-acetylglucosamine (NAG) en N-acetylmuraminezuur (NAM) met β(1,4)-bindingen, versterkt tot een stevig driedimensionaal netwerk door peptideverbindingen.
Lysozyme
Enzym dat de glycosidebinding tussen NAM en NAG verbreekt, waardoor de bacteriële celwand verzwakt en de cel kan lyseren.
Penicilline
Een β-lactam antibioticum dat bij de vorming van een nieuwe celwand de aanmaak van peptidelinken verhindert, waardoor de celwand verzwakt.
Grampositieve celwand
Celwand gekenmerkt door een dikke peptidoglycaanlaag van 20 tot 50nm voorzien van teichoïnezuren en lipoteichoïnezuren, zonder buitenmembraan.
(Lipo)teichoïnezuur
Moleculen die enkel voorkomen bij grampositieve bacteriën, naar buiten steken voor adhesie, extra stevigheid leveren en het cytoplasmatisch membraan verbinden met de celwand.
Gramnegatieve celwand
Celwand bestaande uit een dunne peptidoglycaanlaag van 2,5nm gelegen in de periplasmatische ruimte, omgeven door een buitenmembraan.
Periplasmatische ruimte
De ruimte tussen het cytoplasmatisch membraan en het buitenmembraan bij gramnegatieve bacteriën; bevat peptidoglycaan en een gelachtige oplossing met verteringsenzymen.
Buitenmembraan
Een lipidendubbellaag bij gramnegatieve bacteriën bestaande uit fosfolipiden, porines, lipoproteïnes die verbinden met peptidoglycaan, en een buitenlaag van voornamelijk LPS.
Porines
Eiwitten met poriën in het buitenmembraan van gramnegatieve bacteriën die doorgang bieden aan kleine stoffen.
Mycoplasma
Kleine, vervormbare, fragiele en intracellulaire bacteriën zonder celwand (zoals Mycoplasma pneumoniae), die gramnegatief kleuren.
Mycobacteriën
Bacteriën (zoals Mycobacterium tuberculosis) met een specifieke celwand bestaande uit peptidoglycaan, suikers, mycolzuren, polypeptiden en vrije lipiden, waardoor ze niet kleuren met de Gramkleuring.
Endosporen
Een slapende, niet-reproductieve toestand van sommige grampositieve bacteriën die hen beschermt tegen ongunstige omstandigheden.
Sporulatie
Proces waarbij bacterieel DNA repliceert, omgeven wordt door een dubbel membraan, een peptidoglycaanlaag en een dik eiwitomhulsel vormt, waarna de endospore vrijkomt.
Tyndaliseren
Sterilisatiemethode voor niet-autoclaveerbare producten waarbij het staal 3 keer gedurende 30min verhit wordt op 100∘C, met telkens 24uur tussenpoos.
Nucleoïde (kernzone)
Gebied in het cytoplasma van prokaryoten waar het naakte DNA (meestal één circulair chromosoom) vrij ligt zonder omhullend kernmembraan.
DNA-gyrase
Prokaryoot topoisomerase II dat via dubbelstrengsbreuken negatieve supercoiling in circulair DNA introduceert, cruciaal voor replicatie en transcriptie.
Supercoiling
Het proces van het opwinden van DNA; gebeurt bij prokaryoten door middel van DNA-gyrase en bij eukaryoten rond histonen.
Binaire fissie
De prokaryote celdeling waarbij na DNA-replicatie chromosoomsegregatie en cytokinese plaatsvinden.
Plasmiden
Extrachromosomale DNA-ringen van 100 tot 10000bp met een eigen ORI voor autonome replicatie, die coderen voor eigenschappen zoals antibioticaresistentie en toxineproductie.
Modificatie
Een verandering in het fenotype onder invloed van gewijzigde omgevingsomstandigheden zonder verandering in het DNA, zoals de temperatuurafhankelijke pigmentatie van Serratia marcescens bij 25∘C en 37∘C.
Missense mutatie
Puntmutatie waarbij één basenpaar verandert, wat resulteert in de inbouw van een ander aminozuur tijdens translatie.
Transposons (jumping genes)
DNA-elementen die van positie in het genoom wisselen via een cut-and-paste of copy-and-paste mechanisme en daarbij de sequentie onderbreken.
Transformatie
Vorm van genetische recombinatie waarbij een bacterie vrij DNA rechtstreeks opneemt uit de externe omgeving.
Experiment van Griffith
Historisch experiment waarbij niet-pathogene levende R-cellen samen met hittegedode pathogene S-cellen muizen doodden, wat aantoonde dat vrijgekomen kapsel-DNA door R-cellen werd opgenomen.
Transductie
Genetische uitwisseling tussen bacteriën waarbij bacterieel DNA wordt overgedragen via een bacteriofaag tijdens een lytische of lysogene cyclus.
Lysogene fase
Fase van een faaginfectie waarbij het virale DNA als profaag integreert in het bacteriële chromosoom en meerepliceert tijdens celdeling, tot eventuele inductie naar de lytische cyclus.
Conjugatie
De overdracht van genetisch materiaal (meestal plasmiden) tussen bacteriën via fysiek cel-celcontact door middel van een sekspilus.
F-plasmide (F-factor)
Conjugatief plasmide bij Escherichia coli dat codeert voor de vorming van een sekspilus, waardoor een donorcel (F+) DNA kan doorgeven aan een ontvanger (F−).