1/33
Een overzicht van alle biologische termen en definities uit Thema 1: Ecologie (Focus Biologie 4.2).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ecologie
De wetenschap die de complexe wisselwerking tussen organismen en hun biotoop bestudeert op verschillende organisatieniveaus.
Populatie
Een groep organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebied voorkomen en waar interactie tussen de individuen mogelijk is.
Levensgemeenschap
Een verzameling populaties van verschillende soorten die elkaar direct of indirect beïnvloeden.
Ecosysteem
Het geheel van interacties tussen alle biotische en abiotische factoren in een biotoop.
Biosfeer
Het deel van de aarde waar leven mogelijk is, bestaande uit de lithosfeer, hydrosfeer en atmosfeer.
Biotoop
Een min of meer homogeen gebied met welbepaalde fysische en chemische kenmerken.
Habitat
De specifieke plaats die aan alle voorwaarden voldoet zodat een organisme kan overleven, groeien en zich voortplanten.
Ecologische niche
De specifieke rol of functie die een organisme in een biotoop aanneemt door specialisatie.
Biodiversiteit
De verscheidenheid van het leven in al zijn vormen, onderverdeeld op genetisch niveau, soortniveau en ecosysteemniveau.
Determineren
Het op naam brengen van een organisme op basis van zijn kenmerken.
Inventariseren
Het noteren en kwantificeren van het aantal individuen van verschillende soorten in een gebied.
Indicatorsoorten
Soorten waarvan de aan- of afwezigheid specifieke informatie geeft over een bepaald kenmerk van het milieu.
Tredplanten
Planten die zijn aangepast om te overleven op een verdichte bodem met een slechte waterhuishouding.
Endemische soorten
Soorten die van nature op slechts één specifieke plaats op aarde voorkomen.
Voedselketen
Een lineaire opeenvolging van organismen waarbij elk organisme dient als voedselbron voor het volgende.
Voedselweb
Een geheel van meerdere onderling verbonden voedselketens binnen een ecosysteem.
Trofisch niveau
Het voedselniveau of de specifieke positie die een organisme inneemt binnen een voedselketen.
Autotrofe organismen
Organismen (zoals producenten) die zelf energierijke organische stoffen aanmaken uit anorganische stoffen.
Heterotrofe organismen
Organismen (zoals consumenten) die energierijke organische stoffen moeten opnemen uit hun omgeving.
Reducenten
Bacteriën en schimmels die dood organisch materiaal afbreken en omzetten in anorganische stoffen.
Detritivoren
Afvaleters die leven van dood organisch materiaal (detritus).
Mineralisatie
Het proces waarbij reducenten organisch afval omzetten in anorganische mineralen.
Piramide van aantallen
Een ecologische piramide die het aantal individuele organismen op elk trofisch niveau weergeeft.
Piramide van biomassa
Een ecologische piramide die de totale hoeveelheid droge massa aan organische stoffen per trofisch niveau weergeeft.
Piramide van energie
Een ecologische piramide die de hoeveelheid energie weergeeft die per trofisch niveau beschikbaar is.
Evaporatie
De verdamping van water vanaf het aardoppervlak, de bodem of open water.
Transpiratie
De verdamping van water via de bladeren van planten.
Koolstofassimilatie
Het proces waarbij anorganische koolstof (CO2) wordt omgezet en vastgelegd in organische glucose.
Stikstoffixatie
Het proces waarbij stikstofgas (N2) wordt omgezet in ammoniumionen (NH4+) of nitraationen (NO3−).
Stikstofassimilatie
Het proces waarbij planten anorganische stikstofionen uit de bodem opnemen en omzetten in plantaardige eiwitten.
Ammonificatie
Het omzetten van organische stikstofverbindingen uit afval en dode resten naar ammoniumionen (NH4+) door reducenten.
Nitrificatie
Het biologische proces waarbij nitrificerende bacteriën ammoniumionen (NH4+) omzetten in nitraationen (NO3−).
Denitrificatie
Het proces waarbij denitrificerende bacteriën nitraationen (NO3−) omzetten in stikstofgas (N2).
Ecosysteemdiensten
Alle goederen en diensten die door ecosystemen aan de mens worden geleverd.