Kaarten: Psychometrie | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/34

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:38 AM on 8/6/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

35 Terms

1
New cards

Introductie in de psychometrie: gedrag is functie van niet-observeerbare persoonseigenschap en situatie

--> van de respondent gevraagde activiteit

a = Van een gevraagde activiteit (s), b = bekomen we de vorm van het antwoord (g), c= dewelke we gaan kwantificeren

2
New cards

a = van de respondent gevraagde activiteit

Theoretische opdrachten : cognitieve capaciteiten vs vaardigheden

Stellingen : ph-trekken, attitudes & voorkeuren

Vragen : opinies, houdingen en voorkeuren

Praktijkproeven : capaciteiten, vaardigheden en persoonlijkheidseigenschappen

respectievelijk: prestatieniveau, gedragswijze, gedragswijze, combinatie van prestatieniveau en gedragswijze

3
New cards

b = itemvormen (het antwoord)

1) keuze tussen open vs gesloten vraagvorm

- respondent bepaalt vs. kiest

- po = essay, go = rollenspel, pg= mpc, gg = antwoordschaal

4
New cards

itemanalyse

Deductief, top-down proces:

--> a priori indeling van items kijken of antwoorden van ppn steun bieden voor bepaald itemdesign. Somscores onderzoeken om te kijken of er evidentie is voor achterliggende meetschalen

kenmerken item:

univariate kenmerken: gemiddelde (p- en a-waarden) en variantie (P(P-1))

Samenhang met meetschaal: item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie --> absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems

kenmerken test:

univariate kenmerken: gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)

chronbach's alpha: maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen

- alpha if item deleted:

- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden

5
New cards

Kenmerken item binnen itemanalyse

Univariate kenmerken: gemiddelde (p- en a-waarden) en variantie (P(P-1))

Samenhang met meetschaal: item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie --> absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems

6
New cards

Item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie

absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems

7
New cards

Kenmerken test bij itemanalyse

univariate kenmerken: gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)

chronbach's alpha: maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen

- alpha if item deleted:

- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden

8
New cards

Univariate kenmerken bij test mbt itemanalyse

gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)

9
New cards

Chronbach's Alpha

maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen

- alpha if item deleted:

- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden

10
New cards

Factoranalyse

inductief, bottom-up proces: vertrekken vanuit de antwoorden van ppn en kijken hoe deze het best kunnen worden samengevat obv achterliggende dimensies of factoren

Evaluatie kwaliteit van samenvatting:

- itemniveau = communaliteit: proportie variantie van item dat verklaart wordt door factormodel (kwadraat van correlatie tussen item en factorscore) --> vergeleken met 1 (gekwadrateerde factorlading)

- factorniveau = eigenwaarde = hoeveelheid variantie in alle items verklaart wordt door factormodel --> vergeleken met I (som van gekwadrateerde ladingen)

- niveau van dataset = proportie verklaarde variantie = proportie van totale variantie gevat/verklaart door factormodel --> vergeleken met I

Basisformule: X = F.A + E (F ongecorreleerd en scores op factor = gestandaardiseerd + geen correlatie tussen F & E)

ladingen: COR (Xi, Ff) - hoog = gemeenschappelijk, nul-lading = afwezigheid betekenis, negatieve lading = tegengestelde betekenis

samenhang tussen items: voorspelde/gereproduceerde r = product van de ladingen - vergelijken: geobserveerde - voorspelde = residuele

11
New cards

Manieren om kwaliteit na te gaan bij factoranalyse

communilaiteit, eigenwaarde en gereproduceerde correlatie

12
New cards

betrouwbaarheid

Mate waarin je consistent iets meet en dus metingen herhaalbaar zijn. Noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor validiteit

13
New cards

Validiteit

Mate waarin test aan zijn doel beantwoord

Mate waarin het gerechtvaardigd is om uitspraken te doen over persoon die verder gaan dan geobserveerd gedrag

14
New cards

Predictieve validiteit

Test als voorspeller van ander gedrag dat buiten de test ligt = voorspellen (gaat over wat we kunnen voospellen, minder over wat we precies meten)

validiteitscoëfficient = r(X,Y)

Praktisch onderscheid ifv tijdsgeest: predictie, paradictie, postdictie

15
New cards

begripsvaliditeit

Test als operationalisering van een psychologisch begrip (meer over wat we precies meten) = vaststellen

16
New cards

Concurrente validiteit

Gelijktijdige validiteit (paradictie) = r(test, gelijktijdig beschikbaar criterium)

17
New cards

construct validiteit

Welke psychologische begrippen worden door de test gemeten?

- betekenisanalyse = wat betekent het

- betekenisvalidering = hoe biedt je daar evidentie voor (confirmerende vs discriminante)

18
New cards

inhoudsvaliditeit

representativiteit van items voor het domein (samenstelling van test representatief?)

op basis van expertoordelen (argumentatieve validiteit)

19
New cards

Synthetische validiteit

mate waarin geheel voorspelbaar is op basis van de delen (analyse - synthetiseren)

20
New cards

Incremental validity

Toegevoegde waarde van de test

r(test, criterium) > r(andere gegevens, criterium)

21
New cards

3 types criterium

OUT:

- onmiddelijk

- uiteindelijk

- tussentijds

(probleem: tijdsindicatie & abstractieniveau)

22
New cards

Alternatief onderscheid voor criterium

Doel van de organisatie

conceptueel criterium (Taak = waarneembaar, registreerbaar en relevant)

criteriumgedrag (taak = kwantificeren)

criteriummaat (= gekwantificeerd)

23
New cards

restriction of range

probleem bij longitudinaal onderzoek: beperkte spreiding omwille van uitval respondenten

24
New cards

Gevaren bij longitudinaal onderzoek

Restriction of range

Contaminatie criterium

25
New cards

Contiminatie criterium

Probleem bij longitudinaal onderzoek: adhv pygmalion effect, self-fulfilling prophecy de correlatie tussen test en criterium zal toenemen

26
New cards

4 factoren binnen vaststellen van validiteit

aard van het verband:

- kromlijnig: voor elke waarde van X meest waarschijnlijke waarde van Y als voorspelling

- heteroscedasticiteit: gegeven dat X stijgt zal de variantie van Y mee stijgen

suppressorvariabele = een variabele die voor een deel correleert met je oorspronkelijke die niet samenhangt met Y = betere voorspelling

moderatorvariabele = variabele die de relatie tussen X & Y wijzigt

Moderated regression: X1 en X2 hangen afzonderlijk samen met Y, maar de combinatie en dus interactie-effect ook

27
New cards

heteroscedasticiteit

gegeven dat X stijgt zal de variantie van Y mee stijgen

28
New cards

numerus fixus

Van wie slaagt op examen wordt enkel een vast aantal toegelaten

29
New cards

numerus clausus

enkel wie slaagt wordt toegelaten

30
New cards

selectieratio

Proportie personen die worden aangenomen (B+D)/(A+B+C+D)

31
New cards

succesratio

Proportie personen die boven kritische testscore zitten, die ook daadwerkelijk boven criterium scoren B/(B+D)

32
New cards

Toevalskans

Proportie personen die boven criterium zitten in realiteit. Kans dat iemand random het criterium behaalt: (A+B)/(A+B+C+D)

33
New cards

Sensitiviteit

kans dat iemand met een (ziekte)verschijnsel ook door een test of vragenlijst wordt aangemerkt als positief (B)/(A+B)

34
New cards

specificiteit

Kans dat iemand zonder stoornis ook als zodanig uit de test komt. (C)/(C+D)

35
New cards

beïnvloedende factoren succesratio

r(test, criterium) indien 1 = maximale succesratio indien 0 --> succesratio = toevalskans

toevalskans: indien dit stijgt dan stijgt succesratio (omwille van goede kandidaten of criterium daalt)

selectieratio: indien dit daalt stijgt succesratio