1/34
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Introductie in de psychometrie: gedrag is functie van niet-observeerbare persoonseigenschap en situatie
--> van de respondent gevraagde activiteit
a = Van een gevraagde activiteit (s), b = bekomen we de vorm van het antwoord (g), c= dewelke we gaan kwantificeren
a = van de respondent gevraagde activiteit
Theoretische opdrachten : cognitieve capaciteiten vs vaardigheden
Stellingen : ph-trekken, attitudes & voorkeuren
Vragen : opinies, houdingen en voorkeuren
Praktijkproeven : capaciteiten, vaardigheden en persoonlijkheidseigenschappen
respectievelijk: prestatieniveau, gedragswijze, gedragswijze, combinatie van prestatieniveau en gedragswijze
b = itemvormen (het antwoord)
1) keuze tussen open vs gesloten vraagvorm
- respondent bepaalt vs. kiest
- po = essay, go = rollenspel, pg= mpc, gg = antwoordschaal
itemanalyse
Deductief, top-down proces:
--> a priori indeling van items kijken of antwoorden van ppn steun bieden voor bepaald itemdesign. Somscores onderzoeken om te kijken of er evidentie is voor achterliggende meetschalen
kenmerken item:
univariate kenmerken: gemiddelde (p- en a-waarden) en variantie (P(P-1))
Samenhang met meetschaal: item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie --> absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems
kenmerken test:
univariate kenmerken: gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)
chronbach's alpha: maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen
- alpha if item deleted:
- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden
Kenmerken item binnen itemanalyse
Univariate kenmerken: gemiddelde (p- en a-waarden) en variantie (P(P-1))
Samenhang met meetschaal: item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie --> absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems
Item-totaalcorrelatie en item-restcorrelatie
absolute waarde van de correlatie = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie in de test (wanneer negatief: bij prestatieniveau: weglaten, bij gedragswijze: spiegelitems
Kenmerken test bij itemanalyse
univariate kenmerken: gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)
chronbach's alpha: maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen
- alpha if item deleted:
- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden
Univariate kenmerken bij test mbt itemanalyse
gemiddelde (vloer-plafond effect) & variantie (spreiding ~ ander criterium en dus predictief of andere tests en dus begripsvaliditeit)
Chronbach's Alpha
maat voor interne consistentie: f(inter-itemcorrelatie) & f(aantal items) - indien hoge inter-item: meten de items waarschijnlijk hetzelfde onderliggende construct. Indien dit laag is kan je aan de hand van je aantal items de betrouwbaarheid doen stijgen
- alpha if item deleted:
- stijgt = weglaten, stabiel: ofwel weglaten of wel behouden, daalt: item behouden
Factoranalyse
inductief, bottom-up proces: vertrekken vanuit de antwoorden van ppn en kijken hoe deze het best kunnen worden samengevat obv achterliggende dimensies of factoren
Evaluatie kwaliteit van samenvatting:
- itemniveau = communaliteit: proportie variantie van item dat verklaart wordt door factormodel (kwadraat van correlatie tussen item en factorscore) --> vergeleken met 1 (gekwadrateerde factorlading)
- factorniveau = eigenwaarde = hoeveelheid variantie in alle items verklaart wordt door factormodel --> vergeleken met I (som van gekwadrateerde ladingen)
- niveau van dataset = proportie verklaarde variantie = proportie van totale variantie gevat/verklaart door factormodel --> vergeleken met I
Basisformule: X = F.A + E (F ongecorreleerd en scores op factor = gestandaardiseerd + geen correlatie tussen F & E)
ladingen: COR (Xi, Ff) - hoog = gemeenschappelijk, nul-lading = afwezigheid betekenis, negatieve lading = tegengestelde betekenis
samenhang tussen items: voorspelde/gereproduceerde r = product van de ladingen - vergelijken: geobserveerde - voorspelde = residuele
Manieren om kwaliteit na te gaan bij factoranalyse
communilaiteit, eigenwaarde en gereproduceerde correlatie
betrouwbaarheid
Mate waarin je consistent iets meet en dus metingen herhaalbaar zijn. Noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor validiteit
Validiteit
Mate waarin test aan zijn doel beantwoord
Mate waarin het gerechtvaardigd is om uitspraken te doen over persoon die verder gaan dan geobserveerd gedrag
Predictieve validiteit
Test als voorspeller van ander gedrag dat buiten de test ligt = voorspellen (gaat over wat we kunnen voospellen, minder over wat we precies meten)
validiteitscoëfficient = r(X,Y)
Praktisch onderscheid ifv tijdsgeest: predictie, paradictie, postdictie
begripsvaliditeit
Test als operationalisering van een psychologisch begrip (meer over wat we precies meten) = vaststellen
Concurrente validiteit
Gelijktijdige validiteit (paradictie) = r(test, gelijktijdig beschikbaar criterium)
construct validiteit
Welke psychologische begrippen worden door de test gemeten?
- betekenisanalyse = wat betekent het
- betekenisvalidering = hoe biedt je daar evidentie voor (confirmerende vs discriminante)
inhoudsvaliditeit
representativiteit van items voor het domein (samenstelling van test representatief?)
op basis van expertoordelen (argumentatieve validiteit)
Synthetische validiteit
mate waarin geheel voorspelbaar is op basis van de delen (analyse - synthetiseren)
Incremental validity
Toegevoegde waarde van de test
r(test, criterium) > r(andere gegevens, criterium)
3 types criterium
OUT:
- onmiddelijk
- uiteindelijk
- tussentijds
(probleem: tijdsindicatie & abstractieniveau)
Alternatief onderscheid voor criterium
Doel van de organisatie
conceptueel criterium (Taak = waarneembaar, registreerbaar en relevant)
criteriumgedrag (taak = kwantificeren)
criteriummaat (= gekwantificeerd)
restriction of range
probleem bij longitudinaal onderzoek: beperkte spreiding omwille van uitval respondenten
Gevaren bij longitudinaal onderzoek
Restriction of range
Contaminatie criterium
Contiminatie criterium
Probleem bij longitudinaal onderzoek: adhv pygmalion effect, self-fulfilling prophecy de correlatie tussen test en criterium zal toenemen
4 factoren binnen vaststellen van validiteit
aard van het verband:
- kromlijnig: voor elke waarde van X meest waarschijnlijke waarde van Y als voorspelling
- heteroscedasticiteit: gegeven dat X stijgt zal de variantie van Y mee stijgen
suppressorvariabele = een variabele die voor een deel correleert met je oorspronkelijke die niet samenhangt met Y = betere voorspelling
moderatorvariabele = variabele die de relatie tussen X & Y wijzigt
Moderated regression: X1 en X2 hangen afzonderlijk samen met Y, maar de combinatie en dus interactie-effect ook
heteroscedasticiteit
gegeven dat X stijgt zal de variantie van Y mee stijgen
numerus fixus
Van wie slaagt op examen wordt enkel een vast aantal toegelaten
numerus clausus
enkel wie slaagt wordt toegelaten
selectieratio
Proportie personen die worden aangenomen (B+D)/(A+B+C+D)
succesratio
Proportie personen die boven kritische testscore zitten, die ook daadwerkelijk boven criterium scoren B/(B+D)
Toevalskans
Proportie personen die boven criterium zitten in realiteit. Kans dat iemand random het criterium behaalt: (A+B)/(A+B+C+D)
Sensitiviteit
kans dat iemand met een (ziekte)verschijnsel ook door een test of vragenlijst wordt aangemerkt als positief (B)/(A+B)
specificiteit
Kans dat iemand zonder stoornis ook als zodanig uit de test komt. (C)/(C+D)
beïnvloedende factoren succesratio
r(test, criterium) indien 1 = maximale succesratio indien 0 --> succesratio = toevalskans
toevalskans: indien dit stijgt dan stijgt succesratio (omwille van goede kandidaten of criterium daalt)
selectieratio: indien dit daalt stijgt succesratio