1/128
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Etiologie
De studie naar het verklaren van criminaliteit: welke factoren (biologisch, psychologisch, sociaal) dragen bij aan crimineel gedrag.
Individuele factoren (etiologie)
Factoren binnen het individu die criminaliteit kunnen beïnvloeden, zoals persoonlijkheid, biologie, cognitie, impulsiviteit of psychische stoornissen.
Moederdisciplines
De klassieke wetenschappelijke perspectieven die criminaliteit proberen te verklaren:
Biologisch; Psychologisch; Sociologisch.
Hierbij staan vooral biologische en psychologische factoren centraal.
Biologische factoren en criminaliteit
Factoren zoals genetica, hersenstructuur, hormonen, prenatale invloeden, temperament en neurobiologische afwijkingen die samenhangen met risico op crimineel gedrag.
Cesare Lombroso
19e‑eeuwse onderzoeker die dacht dat criminaliteit zichtbaar was in uiterlijke kenmerken (grote neus, brede kaak, asymmetrisch gezicht). Wordt gezien als een vroege grondlegger van biologische criminologie, maar zijn theorieën zijn achterhaald.
Nature
Het deel van gedrag dat wordt bepaald door biologische en genetische factoren.
Nurture
Het deel van gedrag dat wordt bepaald door omgeving, zoals opvoeding, sociale context, cultuur en ervaringen.
Nature-nurture interactie binnen criminologie
Crimineel gedrag ontstaat nooit volledig door nature of nurture alleen; het is altijd een interactie tussen aangeboren factoren en omgeving.
Prenatale ontwikkeling
Factoren die invloed hebben voor de geboorte, zoals alcohol- of drugsgebruik van de moeder, stress, voeding of blootstelling aan toxische stoffen.
Postnatale ontwikkeling
Factoren die invloed hebben na de geboorte, zoals opvoeding, hechting, school, vrienden, buurt en traumatische ervaringen.
Tweelingonderzoek
Onderzoeksmethode waarbij eeneiige (MZ) tweelingen worden vergeleken met twee‑eiige (DZ) tweelingen om te bepalen hoeveel crimineel gedrag genetisch of omgevingsgebonden is.
Uitkomsten tweelingonderzoek
MZ‑tweelingen delen 100% genetica, DZ‑tweelingen 50%;
Als MZ‑tweelingen meer op elkaar lijken dan DZ‑tweelingen → genetische invloed. Resultaat: concordantie voor criminaliteit is hoger bij MZ‑tweelingen.
Kanttekeningen tweelingonderzoek
MZ‑tweelingen worden vaak gelijker behandeld (omgevingsbias) en sekse‑effecten kunnen genetische effecten lijken (Mannen vertonen sneller antisociaal gedrag. Verschillen kunnen dus verklaart worden op basis van sekse) .
concordantie
(overeenstemming) tweelingen die hetzelfde kenmerk vertonen
discordantie
wanneer slechts één van de tweeling een kenmerk
Adoptiestudie
Onderzoeksmethode waarbij geadopteerde kinderen worden vergeleken met hun biologische ouders en adoptieouders om nature en nurture te onderscheiden. Lijkt antisociaal gedrag op biologische ouders → erfelijke invloed.
Lijkt het op adoptieouders → omgevingsinvloed.
Kanttekeningen adoptiestudie
Kinderen worden vaak geplaatst bij een gezin die lijkt op hun eigen oude omgeving;
Kinderen kunnen vaak niet gelijk na de geboorte in een adoptiegezin worden geplaatst, dus de tijd die ertussen zit kan de omgevingsinvloeden beïnvloeden;
Kiezen voor adoptiestudie of tweelingonderzoek?
Het beste is om te kijken naar tweelingkinderen die geadopteerd worden, en dat deze dan beide in een apart gezin terecht komen. Op deze manier kunnen de omgevingsinvloeden gevonden worden.
Epigenetica
Bestudeert alle processen die invloed hebben op de activiteit van genen.
Omgeving die genen aan‑ of uitzet, waardoor gedrag en biologische processen veranderen.
Omgevingsinvloeden
Op jonge leeftijd is de mens nog sterk door omgevingsinvloeden veranderbaar, maar naar mate hij ouder wordt, neemt dit af.
Psychische aandoeningen
komen relatief vaak voor bij individuen die antisociaal of crimineel gedrag vertonen, bijvoorbeeld drugsverslaving, depressie en ADHD.
biologische factoren
Hersenen + Neurotransmitters + Hormonen + Hartslag + Genen + Epigenetica
Hersenen en criminaliteit
Personen die ernstig antisociaal gedrag vertonen, zoals ernstige geweldscriminaliteit, hebben vaak afwijkingen in zowel de bouw als de werking van met name het voorste deel van de hersenen. Schade aan of een minder voorspoedige ontwikkeling van dit deel van de hersenen kan leiden tot problemen met zogeheten executieve functies.
MAOA‑gen
Gen dat invloed heeft op agressie regulatie; werkt alleen in combinatie met omgeving.
Uit een genetische analyse van bijna 800 misdadigers in Finland kwam dit gen naar voren als geassocieerd met gewelddadige criminaliteit.
CDH13‑gen
Gen dat samenhangt met impulscontrole; geen directe voorspeller van criminaliteit.
Werd eveneens geassocieerd met gewelddadige criminaliteit en heeft ook invloed op alcohol- en drugsmisbruik.
Serotine
Wordt afgegeven door zenuwcellen in de hersenen en is betrokken bij onder andere de regulatie van slaap, eetlust en stemming.
Genexpressie
Proces waarbij genen actief worden en eiwitten produceren; omgeving beïnvloedt dit.
Omgevingsstress
Factoren zoals mishandeling of trauma die agressie‑gerelateerde genen kunnen activeren
Prefrontale cortex
Hersengebied voor planning en impulscontrole; minder ontwikkeling verhoogt kans op antisociaal gedrag.
ADHD‑aanleg
Biologische kwetsbaarheid die impulsiviteit en risico op antisociaal gedrag verhoogt, maar niet bepaalt.
Neurotransmitters
Hersenboodschappers; laag serotonine hangt samen met verhoogde agressie.
Testosteron hormoon
Hormoon dat competitie, irritatie en agressie versterkt; speelt kleine rol in antisociaal gedrag.
Cortisol hormoon
Stresshormoon; lage cortisol maakt iemand minder angstgevoelig en verhoogt risico op antisociaal gedrag.
Lage hartslag
Fysiologische factor waarbij individuen met een lage hartslag in rusttoestand weinig angst voelen; verhoogt kans op risicovol en antisociaal gedrag.
Fysiologische factoren
hebben invloed op hoe je functioneert:
hersenen; neurotransmitters; hormonen; hartslag
Persoonlijkheidspsychologie
Mensen indelen op basis van hun stabiele gedragingen en persoonlijkheidskenmerken (traits).
Stabiele traits
Relatief vaste gedragsneigingen die iemand over langere tijd kenmerken.
Sensation Seeking Scale
Schaal waarbij de behoefte aan spanning centraal staat;
Model dat meet hoe sterk iemand risico's, spanning en nieuwe prikkels opzoekt.
subschalen van Spanningsbehoefte
Risicobereidheid (experience seeking);
Ervaringsgerichtheid (experience seeking);
Behoefte aan verandering (boredom susceptibility);
Ontremming (disinhibition)
Risicobereidheid
(thrill and adventure seeking): de neiging om activiteiten te ondernemen die een fysiek gevaar met zich meebrengen
Uit verschillende studies blijkt een verband tussen sensation seeking en criminaliteit.
Ervaringsgerichtheid
(experience seeking): de neiging tot een onconventionele manier van leven waarbij men gericht is op het opdoen van nieuwe ervaringen.
Behoefte aan verandering
(boredom susceptibility): de behoefte aan voortdurende afwisseling qua zowel omgeving als in contacten met mensen
Ontremming
(disinhibition): de behoefte om zich in sociale situaties te laten gaan door onder meer het drinken van alcohol.
Deliquenten bij risicobereidheid
scoren op de sub schalen van risicobereidheid en ontremming hoger dan niet-deliquenten

Five‑Traits‑Model / big five model
Model met de vijf belangrijkste persoonlijkheidskenmerken: openheid (openness); zorgvuldigheid (conscientiousness);
vriendelijkheid (agreeableness);
extraversie (extraversion);
neuroticisme (neuroticism).
Openheid (openness) voor ervaringen
Onderdeel van five traits en hexaco model. Nieuwsgierigheid, creativiteit en bereidheid om nieuwe dingen te proberen.
Zorgvuldigheid (Conscientiousness)
Onderdeel van five traits en hexaco model. Zelfdiscipline, plannen, impulscontrole en doelgericht gedrag; lage score verhoogt risico op antisociaal gedrag.
doelmatig nastreven van succes, gericht op het afmaken van taken.
Vriendelijkheid (Agreeableness)
Onderdeel van five traits en hexaco model. Oprechtheid, empathie en prosociaal gedrag; lage score verhoogt risico op antisociaal gedrag.
Extraversie-introversie (Extraversion)
Onderdeel van five traits en hexaco model. Mate waarin iemand sociale prikkels opzoekt of juist vermijdt.
Neuroticisme (Neuroticism)
Onderdeel van five traits en hexaco model. Emotionele instabiliteit; gevoeligheid voor stress, snel van slag zijn.
Antisociaal gedrag (Big Five)
Vooral lage zorgvuldigheid (conscientiousness) en lage vriendelijkheid (Agreeableness) hangen samen met verhoogd risico op antisociaal gedrag; dit is risicoverhogend, geen absolute voorspeller.

HEXACO‑model
Uitgebreid persoonlijkheidsmodel gebaseerd op de Big Five, aangevuld met honesty‑humility.
Integriteit (Honesty-Humility)
Eerlijkheid, bescheidenheid en weinig neiging tot manipulatie of exploitatie; lage score hangt samen met antisociaal gedrag.
STOA
(Situatie-trek-opbrengst activatie) methode die stelt dat een persoonlijkheidstype bepaalde situaties activeert (situatieactivatie) doordat mensen met bepaalde persoonlijkheidstrekken eerder geneigd zijn bepaalde situaties op te zoeken en/of op te roepen.
persoonlijkheidsstoornissen
wanneer personen zo extreem scoren op bepaalde persoonlijkheidseigenschappen of combinaties ervan dat dit hun sociaal functioneren ernstig belemmert
3 persoonlijkheidsstoornis (DSM-5)
Antisociale persoonlijkheidsstoornis (Antisocial personality);
parafiele en hyper seksuele stoornissen;
narcistische persoonlijkheidsstoornis
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door antisociaal en onverantwoordelijk gedrag en door gebrek aan spijt van misdaden.
Kenmerken antisociale persoonlijkheidsstoornis
Kan worden gediagnosticeerd als er sprake is van drie of meer van de volgende gedragingen:
Niet aangepast gedrag, overtreding sociale normen; Misleiding, herhaaldelijk liegen, oplichting; Snel geïrriteerd en agressief; Roekeloos; Doorlopend onverantwoordelijk; Geen berouw of spijt en onverschilligheid schade; Intense en aanhoudende afwijkende seksuele interesse; Functionele beperkingen & schade bij zichzelf of anderen
Criteria antisociale persoonlijkheidsstoornis
Persoon is minimaal 18 jaar; de antisociale gedragsstoornis is begonnen voor het 16e levensjaar; het antisociale gedrag treedt niet uitsluitend op als onderdeel van een aanval van schizofrenie of tijdens een manische periode.
Parafiele stoornissen
Stoornissen met intense, aanhoudende en afwijkende seksuele interesses die leiden tot beperkingen of schade bij zichzelf of anderen.
Hyperseksuele stoornis
Overmatige seksuele drang of gedrag dat leidt tot controleverlies, problemen of schade.
Narcistische persoonlijkheidsstoornis
Pervasief patroon van grandiositeit, behoefte aan
bewondering en gebrek aan empathie
Narcisme
gekenmerkt door een patroon van grandiositeit (opgeblazen gevoel van eigen waarde), behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie.
oppositioneel-opstandige gedragsstoornis
Een psychische stoornis tijdens de jeugd die wordt gekenmerkt door excessieve opstandigheid of door te weigeren zich te voegen naar verzoeken of regels van ouders en anderen
Parent-child interaction therapy (PCIT)
een therapievorm die ouders systematisch aanleert om sensitiever te zijn en consequent te disciplineren
Het doel is het Terugdringen van (risico's op) opvoedingsproblematiek voor het zevende levensjaar door jonge kinderen met gedragsproblemen vroegtijdig te behandelen.
onderzoek laat zien dat dit Effectief is.
Richt zich op basale interacties:
Kindergerichte interacties (KGI) en oudergerichte interacties (OGI)
Kindgerichte interactie (KGI)
Behandeling waarbij ouders met hun kind spelen met als doel de ouder-kind band te versterken.
Oudergerichte interactie (OGI)
behandeling waarbij ouders specifieke gedragstechnieken leren om met negatief gedrag van hun kind om te gaan als zij ermee aan het spelen zijn.
evaluatie onderzoek over PCIT
Evaluatieonderzoek van PCIT laat zien dat het een effectieve therapie is.
Verminderd gedragsproblemen van kinderen;
Leidt tot terugdring van kindermishandeling en verwaarlozing;
leidt tot terugdringen van antisociaal gedrag en jeugdcriminaliteit op latere leeftijd
Psychopathie
manipulatief gedrag, ongevoeligheid, onbetrouwbaarheid, vijandigheid, riskant gedrag, impulsiviteit en onverantwoordelijk gedrag, aanleg voor verveling en het ontbreken van zichtbare emoties zijn kenmerkend
Grandiositeit
Overdreven gevoel van eigen belangrijkheid en superioriteit; kenmerk van narcistische persoonlijkheidsstoornis.
Functionele psychopathie
Vorm van psychopathie waarbij iemand kenmerken zoals koelbloedigheid, risico nemen en stressbestendigheid functioneel inzet zonder antisociaal gedrag te vertonen.
Intelligentie
het algemeen vermogen tot begrijpen en redeneren dat zich op vele manieren manifesteert.
Uit onderzoek blijkt dat delinquenten vaak een lager IQ hebben dan nietdelinquenten. Ook scoren ze op verschillende aspecten van cognitieve vaardigheden laag.
Zelfcontrole
Vermogen om impulsen te beheersen, vooruit te denken en korte‑termijnverleiding te weerstaan; essentieel voor prosociaal gedrag.
zelfbeheersing
Gebrek hieran zou volgens Gottfredson en Hirishi in hoofdzaak berusten op een inadequate opvoeding;
Ze zijn van mening dat zelfcontrole vóór de leeftijd van 18 jaar moet worden aangeleerd;
Indien het kind op zn 10e nog geen zelfbeheersing heeft geleerd, zal de betrokkene de rest van zijn leven gebrek aan zelfbeheersing hebben.
Impulsiviteit
Neiging om snel te handelen zonder na te denken; verhoogt risico op antisociaal gedrag en slechte beslissingen.
Impulsiviteit bij deliquenten
Uit onderzoek blijkt dat het impulsiviteitsniveau bij zowel geregistreerde als niet-geregistreerde delinquenten aanzienlijk hoger liggen dan bij de controlegroep.
Generality od Deviance thesis
(Gottfredson en Hirishi ): individuen die vanwege hun gebrekkige zelfbeheersing op het ene gebied deviant zijn, zijn vaak ook op andere gebieden deviant.
Delinquenten zijn vaker betrokken bij ongevallen;
Zelfcontrole blijkt een belangrijke voorspeller voor middelenmisbruik, lichamelijke gezondheid en criminaliteit.
General Theory of Crime
Theorie van Gottfredson & Hirschi: criminaliteit ontstaat door lage zelfcontrole en impulsiviteit, niet door sociale omstandigheden
Lage zelfcontrole
Gebrek aan planning, geduld en toekomstgericht denken; verhoogt risico op criminaliteit, middelengebruik, relatieproblemen en schooluitval.
Impulsdilemma
Situatie waarin iemand moet kiezen tussen directe beloning (stappen) en lange‑termijnvoordeel (studeren); test van zelfcontrole.
Hoe wordt crimineel gedrag aangeleerd?
Klassiek leren;
Instrumenteel leren;
Sociaal leren;
Opvoeding en ontwikkeling
Klassiek conditionering
Een neutrale stimulus kan worden verbonden met een reactie die oorspronkelijk geen enkele relatie met die prikkel heeft. Het afleren van sociaal ongewenst gedrag door bestraffing ervan kan worden opgevat als klassieke conditionering.
De aandrang om verboden gedrag te vertonen (de neutrale stimulus) roept spontaan herinneringen (associaties) op aan de dreiging van straf (de significante stimulus). De betrokkenen ervaart angst door deze associaties en ziet af van het ongewenste gedrag
Pavlov‑effect
Een neutrale stimulus (bijv. geluid) leidt door herhaalde koppeling met een significante stimulus (bijv. voedsel) tot een automatische reactie (bijv. kwijlen).
Stimulus
datgene wat een mens of dier waarneemt
Respons
Gedrag wat een mens of dier laat zien na een stimulus/prikkel
kanttekeningen klassieke conditionering
Als de straf niet onmiddellijk na het gedrag wordt opgelegd, maar pas maanden later. In de tussentijd is het gedrag niet enkel onbestraft gebleven, maar misschien ook wel beloond. Op deze wijze komt er geen conditionering tot stand.
Instrumenteel leren
(operante conditionering)
Leren door gevolgen van gedrag: gedrag wordt versterkt door beloning (bekrachtiging) of verminderd door straf.
Het gaat echt om doelgericht gedrag dat wordt gevormd door de gevolgen van het gedrag.
Veel crimineel gedrag is zeer voor de hand liggend. bvb succesvolle vermogenscriminaliteit = duidelijke beloning
klassiek leren vs instrumenteel leren
Bij instrumenteel leren gaat het niet om de associatie die, gewild of ongewild, door de omgeving wordt gelegd tussen stimuli (zoals bij klassiek conditioneren), maar om doelgericht gedrag dat wordt gevormd door de gevolgen van het gedrag.
Reinforcements / reinforcers
De wijze waarop de ontwikkeling van gedrag plaatsvindt wordt bepaald door dit.
Je kan denken aan belonen, maar ook straffen (negatieve reinforcers)
negative reinforcements / reinforcers
bestraffers
Sociaal leren
Leren door observatie van anderen; gedrag wordt beïnvloed door belangrijke personen in de omgeving.
Gaat door middel van verschillende geheugensystemen. Mensen met amnesie kunnen wel gedragingen aanleren door middel van conditionering, maar niet door middel van sociaal leren.
Bandura: leren door obeservatie
gedrag kan zijn ontstaan door het observeren van het gedrag en de gevolgen daarvan bij anderen.
Door middel van observeren en dus niet door direct reinforcement.
Hoe belangrijker een model voor iemand is, des te sterker zal volgens Bandura de invloed van de persoon zijn op iemand.
Door digitalisering vind observationeel leren nu ook plaats in de cyberspace.
Sutherland: differentiële associatie
theorie die ervan uit gaat dat crimineel gedrag niet op erfelijke aandacht is berust, maar wordt aangeleerd door contacten met anderen.
criminaliteit wordt aangeleerd via contacten waarin technieken, attitudes en rationalisaties worden overgedragen.
Het leerproces verloopt door middel van observeren, imiteren en internaliseren.
Bekrachtiging
Beloning die gedrag versterkt; effectiever dan straffen bij gedragsverandering.
Bestraffing
Negatieve consequentie die gedrag moet verminderen; effect hangt vooral af van de strafkans.
Strafkans
De mate waarin iemand verwacht gestraft te worden; belangrijker dan strafhoogte voor afschrikking.
Veelplegers
Personen die ondanks straf of negatieve gevolgen weinig leren van consequenties; lage gevoeligheid voor straf.
Bandura‑model
Leren door observatie en imitatie; hoe belangrijker iemand is, hoe sterker de invloed op gedrag.
Sociale normen
Gedragsregels die binnen een groep gelden; mensen passen zich aan (bijv. lift‑experiment).
opvoeding en ontwikkeling
opvoeding is het afleren van agressie en het aanleren van sociaal gedrag.