Inleiding in Criminologie hc 4

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/128

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:23 PM on 10/13/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

129 Terms

1
New cards

Etiologie

De studie naar het verklaren van criminaliteit: welke factoren (biologisch, psychologisch, sociaal) dragen bij aan crimineel gedrag.

2
New cards

Individuele factoren (etiologie)

Factoren binnen het individu die criminaliteit kunnen beïnvloeden, zoals persoonlijkheid, biologie, cognitie, impulsiviteit of psychische stoornissen.

3
New cards

Moederdisciplines

De klassieke wetenschappelijke perspectieven die criminaliteit proberen te verklaren:

Biologisch; Psychologisch; Sociologisch.

Hierbij staan vooral biologische en psychologische factoren centraal.

4
New cards

Biologische factoren en criminaliteit

Factoren zoals genetica, hersenstructuur, hormonen, prenatale invloeden, temperament en neurobiologische afwijkingen die samenhangen met risico op crimineel gedrag.

5
New cards

Cesare Lombroso

19e‑eeuwse onderzoeker die dacht dat criminaliteit zichtbaar was in uiterlijke kenmerken (grote neus, brede kaak, asymmetrisch gezicht). Wordt gezien als een vroege grondlegger van biologische criminologie, maar zijn theorieën zijn achterhaald.

6
New cards

Nature

Het deel van gedrag dat wordt bepaald door biologische en genetische factoren.

7
New cards

Nurture

Het deel van gedrag dat wordt bepaald door omgeving, zoals opvoeding, sociale context, cultuur en ervaringen.

8
New cards

Nature-nurture interactie binnen criminologie

Crimineel gedrag ontstaat nooit volledig door nature of nurture alleen; het is altijd een interactie tussen aangeboren factoren en omgeving.

9
New cards

Prenatale ontwikkeling

Factoren die invloed hebben voor de geboorte, zoals alcohol- of drugsgebruik van de moeder, stress, voeding of blootstelling aan toxische stoffen.

10
New cards

Postnatale ontwikkeling

Factoren die invloed hebben na de geboorte, zoals opvoeding, hechting, school, vrienden, buurt en traumatische ervaringen.

11
New cards

Tweelingonderzoek

Onderzoeksmethode waarbij eeneiige (MZ) tweelingen worden vergeleken met twee‑eiige (DZ) tweelingen om te bepalen hoeveel crimineel gedrag genetisch of omgevingsgebonden is.

12
New cards

Uitkomsten tweelingonderzoek

MZ‑tweelingen delen 100% genetica, DZ‑tweelingen 50%;

Als MZ‑tweelingen meer op elkaar lijken dan DZ‑tweelingen → genetische invloed. Resultaat: concordantie voor criminaliteit is hoger bij MZ‑tweelingen.

13
New cards

Kanttekeningen tweelingonderzoek

MZ‑tweelingen worden vaak gelijker behandeld (omgevingsbias) en sekse‑effecten kunnen genetische effecten lijken (Mannen vertonen sneller antisociaal gedrag. Verschillen kunnen dus verklaart worden op basis van sekse) .

14
New cards

concordantie

(overeenstemming) tweelingen die hetzelfde kenmerk vertonen

15
New cards

discordantie

wanneer slechts één van de tweeling een kenmerk

16
New cards

Adoptiestudie

Onderzoeksmethode waarbij geadopteerde kinderen worden vergeleken met hun biologische ouders en adoptieouders om nature en nurture te onderscheiden. Lijkt antisociaal gedrag op biologische ouders → erfelijke invloed.

Lijkt het op adoptieouders → omgevingsinvloed.

17
New cards

Kanttekeningen adoptiestudie

Kinderen worden vaak geplaatst bij een gezin die lijkt op hun eigen oude omgeving;

Kinderen kunnen vaak niet gelijk na de geboorte in een adoptiegezin worden geplaatst, dus de tijd die ertussen zit kan de omgevingsinvloeden beïnvloeden;

18
New cards

Kiezen voor adoptiestudie of tweelingonderzoek?

Het beste is om te kijken naar tweelingkinderen die geadopteerd worden, en dat deze dan beide in een apart gezin terecht komen. Op deze manier kunnen de omgevingsinvloeden gevonden worden.

19
New cards

Epigenetica

Bestudeert alle processen die invloed hebben op de activiteit van genen.

Omgeving die genen aan‑ of uitzet, waardoor gedrag en biologische processen veranderen.

20
New cards

Omgevingsinvloeden

Op jonge leeftijd is de mens nog sterk door omgevingsinvloeden veranderbaar, maar naar mate hij ouder wordt, neemt dit af.

21
New cards

Psychische aandoeningen

komen relatief vaak voor bij individuen die antisociaal of crimineel gedrag vertonen, bijvoorbeeld drugsverslaving, depressie en ADHD.

22
New cards

biologische factoren

Hersenen + Neurotransmitters + Hormonen + Hartslag + Genen + Epigenetica

23
New cards

Hersenen en criminaliteit

Personen die ernstig antisociaal gedrag vertonen, zoals ernstige geweldscriminaliteit, hebben vaak afwijkingen in zowel de bouw als de werking van met name het voorste deel van de hersenen. Schade aan of een minder voorspoedige ontwikkeling van dit deel van de hersenen kan leiden tot problemen met zogeheten executieve functies.

24
New cards

MAOA‑gen

Gen dat invloed heeft op agressie regulatie; werkt alleen in combinatie met omgeving.

Uit een genetische analyse van bijna 800 misdadigers in Finland kwam dit gen naar voren als geassocieerd met gewelddadige criminaliteit.

25
New cards

CDH13‑gen

Gen dat samenhangt met impulscontrole; geen directe voorspeller van criminaliteit.

Werd eveneens geassocieerd met gewelddadige criminaliteit en heeft ook invloed op alcohol- en drugsmisbruik.

26
New cards

Serotine

Wordt afgegeven door zenuwcellen in de hersenen en is betrokken bij onder andere de regulatie van slaap, eetlust en stemming.

27
New cards

Genexpressie

Proces waarbij genen actief worden en eiwitten produceren; omgeving beïnvloedt dit.

28
New cards

Omgevingsstress

Factoren zoals mishandeling of trauma die agressie‑gerelateerde genen kunnen activeren

29
New cards

Prefrontale cortex

Hersengebied voor planning en impulscontrole; minder ontwikkeling verhoogt kans op antisociaal gedrag.

30
New cards

ADHD‑aanleg

Biologische kwetsbaarheid die impulsiviteit en risico op antisociaal gedrag verhoogt, maar niet bepaalt.

31
New cards

Neurotransmitters

Hersenboodschappers; laag serotonine hangt samen met verhoogde agressie.

32
New cards

Testosteron hormoon

Hormoon dat competitie, irritatie en agressie versterkt; speelt kleine rol in antisociaal gedrag.

33
New cards

Cortisol hormoon

Stresshormoon; lage cortisol maakt iemand minder angstgevoelig en verhoogt risico op antisociaal gedrag.

34
New cards

Lage hartslag

Fysiologische factor waarbij individuen met een lage hartslag in rusttoestand weinig angst voelen; verhoogt kans op risicovol en antisociaal gedrag.

35
New cards

Fysiologische factoren

hebben invloed op hoe je functioneert:

hersenen; neurotransmitters; hormonen; hartslag

36
New cards

Persoonlijkheidspsychologie

Mensen indelen op basis van hun stabiele gedragingen en persoonlijkheidskenmerken (traits).

37
New cards

Stabiele traits

Relatief vaste gedragsneigingen die iemand over langere tijd kenmerken.

38
New cards

Sensation Seeking Scale

Schaal waarbij de behoefte aan spanning centraal staat;

Model dat meet hoe sterk iemand risico's, spanning en nieuwe prikkels opzoekt.

39
New cards

subschalen van Spanningsbehoefte

Risicobereidheid (experience seeking);

Ervaringsgerichtheid (experience seeking);

Behoefte aan verandering (boredom susceptibility);

Ontremming (disinhibition)

40
New cards

Risicobereidheid

(thrill and adventure seeking): de neiging om activiteiten te ondernemen die een fysiek gevaar met zich meebrengen

Uit verschillende studies blijkt een verband tussen sensation seeking en criminaliteit.

41
New cards

Ervaringsgerichtheid

(experience seeking): de neiging tot een onconventionele manier van leven waarbij men gericht is op het opdoen van nieuwe ervaringen.

42
New cards

Behoefte aan verandering

(boredom susceptibility): de behoefte aan voortdurende afwisseling qua zowel omgeving als in contacten met mensen

43
New cards

Ontremming

(disinhibition): de behoefte om zich in sociale situaties te laten gaan door onder meer het drinken van alcohol.

44
New cards

Deliquenten bij risicobereidheid

scoren op de sub schalen van risicobereidheid en ontremming hoger dan niet-deliquenten

45
New cards
<p>Five‑Traits‑Model / big five model</p>

Five‑Traits‑Model / big five model

Model met de vijf belangrijkste persoonlijkheidskenmerken: openheid (openness); zorgvuldigheid (conscientiousness);

vriendelijkheid (agreeableness);

extraversie (extraversion);

neuroticisme (neuroticism).

46
New cards

Openheid (openness) voor ervaringen

Onderdeel van five traits en hexaco model. Nieuwsgierigheid, creativiteit en bereidheid om nieuwe dingen te proberen.

47
New cards

Zorgvuldigheid (Conscientiousness)

Onderdeel van five traits en hexaco model. Zelfdiscipline, plannen, impulscontrole en doelgericht gedrag; lage score verhoogt risico op antisociaal gedrag.

doelmatig nastreven van succes, gericht op het afmaken van taken.

48
New cards

Vriendelijkheid (Agreeableness)

Onderdeel van five traits en hexaco model. Oprechtheid, empathie en prosociaal gedrag; lage score verhoogt risico op antisociaal gedrag.

49
New cards

Extraversie-introversie (Extraversion)

Onderdeel van five traits en hexaco model. Mate waarin iemand sociale prikkels opzoekt of juist vermijdt.

50
New cards

Neuroticisme (Neuroticism)

Onderdeel van five traits en hexaco model. Emotionele instabiliteit; gevoeligheid voor stress, snel van slag zijn.

51
New cards

Antisociaal gedrag (Big Five)

Vooral lage zorgvuldigheid (conscientiousness) en lage vriendelijkheid (Agreeableness) hangen samen met verhoogd risico op antisociaal gedrag; dit is risicoverhogend, geen absolute voorspeller.

52
New cards
<p>HEXACO‑model</p>

HEXACO‑model

Uitgebreid persoonlijkheidsmodel gebaseerd op de Big Five, aangevuld met honesty‑humility.

53
New cards

Integriteit (Honesty-Humility)

Eerlijkheid, bescheidenheid en weinig neiging tot manipulatie of exploitatie; lage score hangt samen met antisociaal gedrag.

54
New cards

STOA

(Situatie-trek-opbrengst activatie) methode die stelt dat een persoonlijkheidstype bepaalde situaties activeert (situatieactivatie) doordat mensen met bepaalde persoonlijkheidstrekken eerder geneigd zijn bepaalde situaties op te zoeken en/of op te roepen.

55
New cards

persoonlijkheidsstoornissen

wanneer personen zo extreem scoren op bepaalde persoonlijkheidseigenschappen of combinaties ervan dat dit hun sociaal functioneren ernstig belemmert

56
New cards

3 persoonlijkheidsstoornis (DSM-5)

Antisociale persoonlijkheidsstoornis (Antisocial personality);

parafiele en hyper seksuele stoornissen;

narcistische persoonlijkheidsstoornis

57
New cards

Antisociale persoonlijkheidsstoornis

Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door antisociaal en onverantwoordelijk gedrag en door gebrek aan spijt van misdaden.

58
New cards

Kenmerken antisociale persoonlijkheidsstoornis

Kan worden gediagnosticeerd als er sprake is van drie of meer van de volgende gedragingen:

Niet aangepast gedrag, overtreding sociale normen; Misleiding, herhaaldelijk liegen, oplichting; Snel geïrriteerd en agressief; Roekeloos; Doorlopend onverantwoordelijk; Geen berouw of spijt en onverschilligheid schade; Intense en aanhoudende afwijkende seksuele interesse; Functionele beperkingen & schade bij zichzelf of anderen

59
New cards

Criteria antisociale persoonlijkheidsstoornis

Persoon is minimaal 18 jaar; de antisociale gedragsstoornis is begonnen voor het 16e levensjaar; het antisociale gedrag treedt niet uitsluitend op als onderdeel van een aanval van schizofrenie of tijdens een manische periode.

60
New cards

Parafiele stoornissen

Stoornissen met intense, aanhoudende en afwijkende seksuele interesses die leiden tot beperkingen of schade bij zichzelf of anderen.

61
New cards

Hyperseksuele stoornis

Overmatige seksuele drang of gedrag dat leidt tot controleverlies, problemen of schade.

62
New cards

Narcistische persoonlijkheidsstoornis

Pervasief patroon van grandiositeit, behoefte aan

bewondering en gebrek aan empathie

63
New cards

Narcisme

gekenmerkt door een patroon van grandiositeit (opgeblazen gevoel van eigen waarde), behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie.

64
New cards

oppositioneel-opstandige gedragsstoornis

Een psychische stoornis tijdens de jeugd die wordt gekenmerkt door excessieve opstandigheid of door te weigeren zich te voegen naar verzoeken of regels van ouders en anderen

65
New cards

Parent-child interaction therapy (PCIT)

een therapievorm die ouders systematisch aanleert om sensitiever te zijn en consequent te disciplineren

Het doel is het Terugdringen van (risico's op) opvoedingsproblematiek voor het zevende levensjaar door jonge kinderen met gedragsproblemen vroegtijdig te behandelen.

onderzoek laat zien dat dit Effectief is.

Richt zich op basale interacties:

Kindergerichte interacties (KGI) en oudergerichte interacties (OGI)

66
New cards

Kindgerichte interactie (KGI)

Behandeling waarbij ouders met hun kind spelen met als doel de ouder-kind band te versterken.

67
New cards

Oudergerichte interactie (OGI)

behandeling waarbij ouders specifieke gedragstechnieken leren om met negatief gedrag van hun kind om te gaan als zij ermee aan het spelen zijn.

68
New cards

evaluatie onderzoek over PCIT

Evaluatieonderzoek van PCIT laat zien dat het een effectieve therapie is.

Verminderd gedragsproblemen van kinderen;

Leidt tot terugdring van kindermishandeling en verwaarlozing;

leidt tot terugdringen van antisociaal gedrag en jeugdcriminaliteit op latere leeftijd

69
New cards

Psychopathie

manipulatief gedrag, ongevoeligheid, onbetrouwbaarheid, vijandigheid, riskant gedrag, impulsiviteit en onverantwoordelijk gedrag, aanleg voor verveling en het ontbreken van zichtbare emoties zijn kenmerkend

70
New cards

Grandiositeit

Overdreven gevoel van eigen belangrijkheid en superioriteit; kenmerk van narcistische persoonlijkheidsstoornis.

71
New cards

Functionele psychopathie

Vorm van psychopathie waarbij iemand kenmerken zoals koelbloedigheid, risico nemen en stressbestendigheid functioneel inzet zonder antisociaal gedrag te vertonen.

72
New cards

Intelligentie

het algemeen vermogen tot begrijpen en redeneren dat zich op vele manieren manifesteert.

Uit onderzoek blijkt dat delinquenten vaak een lager IQ hebben dan nietdelinquenten. Ook scoren ze op verschillende aspecten van cognitieve vaardigheden laag.

73
New cards

Zelfcontrole

Vermogen om impulsen te beheersen, vooruit te denken en korte‑termijnverleiding te weerstaan; essentieel voor prosociaal gedrag.

74
New cards

zelfbeheersing

Gebrek hieran zou volgens Gottfredson en Hirishi in hoofdzaak berusten op een inadequate opvoeding;

Ze zijn van mening dat zelfcontrole vóór de leeftijd van 18 jaar moet worden aangeleerd;

Indien het kind op zn 10e nog geen zelfbeheersing heeft geleerd, zal de betrokkene de rest van zijn leven gebrek aan zelfbeheersing hebben.

75
New cards

Impulsiviteit

Neiging om snel te handelen zonder na te denken; verhoogt risico op antisociaal gedrag en slechte beslissingen.

76
New cards

Impulsiviteit bij deliquenten

Uit onderzoek blijkt dat het impulsiviteitsniveau bij zowel geregistreerde als niet-geregistreerde delinquenten aanzienlijk hoger liggen dan bij de controlegroep.

77
New cards

Generality od Deviance thesis

(Gottfredson en Hirishi ): individuen die vanwege hun gebrekkige zelfbeheersing op het ene gebied deviant zijn, zijn vaak ook op andere gebieden deviant.

Delinquenten zijn vaker betrokken bij ongevallen;

Zelfcontrole blijkt een belangrijke voorspeller voor middelenmisbruik, lichamelijke gezondheid en criminaliteit.

78
New cards

General Theory of Crime

Theorie van Gottfredson & Hirschi: criminaliteit ontstaat door lage zelfcontrole en impulsiviteit, niet door sociale omstandigheden

79
New cards

Lage zelfcontrole

Gebrek aan planning, geduld en toekomstgericht denken; verhoogt risico op criminaliteit, middelengebruik, relatieproblemen en schooluitval.

80
New cards

Impulsdilemma

Situatie waarin iemand moet kiezen tussen directe beloning (stappen) en lange‑termijnvoordeel (studeren); test van zelfcontrole.

81
New cards

Hoe wordt crimineel gedrag aangeleerd?

Klassiek leren;

Instrumenteel leren;

Sociaal leren;

Opvoeding en ontwikkeling

82
New cards

Klassiek conditionering

Een neutrale stimulus kan worden verbonden met een reactie die oorspronkelijk geen enkele relatie met die prikkel heeft. Het afleren van sociaal ongewenst gedrag door bestraffing ervan kan worden opgevat als klassieke conditionering.

De aandrang om verboden gedrag te vertonen (de neutrale stimulus) roept spontaan herinneringen (associaties) op aan de dreiging van straf (de significante stimulus). De betrokkenen ervaart angst door deze associaties en ziet af van het ongewenste gedrag

83
New cards

Pavlov‑effect

Een neutrale stimulus (bijv. geluid) leidt door herhaalde koppeling met een significante stimulus (bijv. voedsel) tot een automatische reactie (bijv. kwijlen).

84
New cards

Stimulus

datgene wat een mens of dier waarneemt

85
New cards

Respons

Gedrag wat een mens of dier laat zien na een stimulus/prikkel

86
New cards

kanttekeningen klassieke conditionering

Als de straf niet onmiddellijk na het gedrag wordt opgelegd, maar pas maanden later. In de tussentijd is het gedrag niet enkel onbestraft gebleven, maar misschien ook wel beloond. Op deze wijze komt er geen conditionering tot stand.

87
New cards

Instrumenteel leren

(operante conditionering)

Leren door gevolgen van gedrag: gedrag wordt versterkt door beloning (bekrachtiging) of verminderd door straf.

Het gaat echt om doelgericht gedrag dat wordt gevormd door de gevolgen van het gedrag.

Veel crimineel gedrag is zeer voor de hand liggend. bvb succesvolle vermogenscriminaliteit = duidelijke beloning

88
New cards

klassiek leren vs instrumenteel leren

Bij instrumenteel leren gaat het niet om de associatie die, gewild of ongewild, door de omgeving wordt gelegd tussen stimuli (zoals bij klassiek conditioneren), maar om doelgericht gedrag dat wordt gevormd door de gevolgen van het gedrag.

89
New cards

Reinforcements / reinforcers

De wijze waarop de ontwikkeling van gedrag plaatsvindt wordt bepaald door dit.

Je kan denken aan belonen, maar ook straffen (negatieve reinforcers)

90
New cards

negative reinforcements / reinforcers

bestraffers

91
New cards

Sociaal leren

Leren door observatie van anderen; gedrag wordt beïnvloed door belangrijke personen in de omgeving.

Gaat door middel van verschillende geheugensystemen. Mensen met amnesie kunnen wel gedragingen aanleren door middel van conditionering, maar niet door middel van sociaal leren.

92
New cards

Bandura: leren door obeservatie

gedrag kan zijn ontstaan door het observeren van het gedrag en de gevolgen daarvan bij anderen.

Door middel van observeren en dus niet door direct reinforcement.

Hoe belangrijker een model voor iemand is, des te sterker zal volgens Bandura de invloed van de persoon zijn op iemand.

Door digitalisering vind observationeel leren nu ook plaats in de cyberspace.

93
New cards

Sutherland: differentiële associatie

theorie die ervan uit gaat dat crimineel gedrag niet op erfelijke aandacht is berust, maar wordt aangeleerd door contacten met anderen.

criminaliteit wordt aangeleerd via contacten waarin technieken, attitudes en rationalisaties worden overgedragen.

Het leerproces verloopt door middel van observeren, imiteren en internaliseren.

94
New cards

Bekrachtiging

Beloning die gedrag versterkt; effectiever dan straffen bij gedragsverandering.

95
New cards

Bestraffing

Negatieve consequentie die gedrag moet verminderen; effect hangt vooral af van de strafkans.

96
New cards

Strafkans

De mate waarin iemand verwacht gestraft te worden; belangrijker dan strafhoogte voor afschrikking.

97
New cards

Veelplegers

Personen die ondanks straf of negatieve gevolgen weinig leren van consequenties; lage gevoeligheid voor straf.

98
New cards

Bandura‑model

Leren door observatie en imitatie; hoe belangrijker iemand is, hoe sterker de invloed op gedrag.

99
New cards

Sociale normen

Gedragsregels die binnen een groep gelden; mensen passen zich aan (bijv. lift‑experiment).

100
New cards

opvoeding en ontwikkeling

opvoeding is het afleren van agressie en het aanleren van sociaal gedrag.