H1: Bloedgroepen en bloedtransfusie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/93

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

94 Terms

1
New cards

Antigeen

= Een stof/molecuul (eiwit, vet of koolhydraat) op het opp. v. een virus, bacterie of cel

→ Het kan specifiek herkend worden door antistoffen

2
New cards

Antistoffen (immuunglobuline of antilichaam)

= Eiwit dat door het afweesysteem wordt gemaakt als reactie op lichaamsvreemde stoffen (antigenen)

→ het bindt specifiek aan een bepaald antigeen

3
New cards

Genen

= Stukjes DNA die de erfelijke eigenschappen v.e. organisme bepalen en doorgeven aan het nageslacht

→ hebben vaste plek op het chromosoom (locus)

→ is altijd in 2 kopieën op het DNA aanwezig (1 moeder en 1 vader)

4
New cards

Allelen

= Verschillende uitingsvormen v.e. gen

5
New cards

Homozygoot

= Op het chromosomenpaar zijn de allelen v. hetzelfde gen identhiek

6
New cards

Heterozygoot

= De allelen v. hetzelfde gen zijn verschillend

7
New cards

Dominant

= het ene allel overheerst het andere volledig

→ Expressie v.h. eiwit v. dit gen

8
New cards

Recessief

= Het ene allel wordt door het andere onderdrukt

→ enkel expressie v.h. eiwit als het allel homozygoot aanwezig is

9
New cards

Co-dominantie

= Beide allelen komen tot uiting

→ Dit is het geval bij bijna alle genen die coderen voor bloedgroepen

→ fenotype zelfde als genotype

10
New cards

Stomme allelen

= Allelen komen NIET tot uiting

11
New cards

Genotype

= Combinatie v.d. 2 allelen v.e. gen op een chromosomenpaar

→ kan alleen op DNA niveau bepaald worden

12
New cards

Fenotype

= Het product v.d. 2 overeenkomstige allelen, het gevormde eiwit zoals wij het waarnemen

vb. de bloedgroep

13
New cards

Welke allelen zijn er?

Allelen A, B en H

14
New cards

Wat doen deze allelen?

= Coderen voor enzymen die de bloedgroep-antigenen produceren

15
New cards

Wat doet het H gen?

= Codeert voor een enzym dat fucose aan de grondsubstantie hecht

→Onafhankelijk v.h. ABO gen


<p>= Codeert voor een enzym dat fucose aan de grondsubstantie hecht</p><p>→Onafhankelijk v.h. ABO gen</p><p></p>
16
New cards

Wat doet het A-allel?

= Codeert voor een enzym dat N-acetyl-D-galactosaminegroep (GalNac of NAGA) hecht aan de galactose v.h. H-antigeen

<p>= Codeert voor een enzym dat N-acetyl-D-galactosaminegroep (GalNac of NAGA) hecht aan de galactose v.h. H-antigeen</p>
17
New cards

Wat doet het B-allel?

= Codeert voor een enzym dat D-galactose (Gal) hecht aan de galactose v.h. H-antigeen

<p>= Codeert voor een enzym dat D-galactose (Gal) hecht aan de galactose v.h. H-antigeen</p>
18
New cards

Samengevat tekening allel A, B en H-gen en ABO gen

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
19
New cards

Wat zijn de meest voorkomende allelen v.h. ABO gen?

  • A1

  • A2

  • B

  • O


20
New cards

Bij wie komt het H-antigeen voor?

Komt vrijwel bij iedereen voor

21
New cards

De allelen bij het H-antigeen

A = zet H-antigeen om in A-antigeen

B = Zet H-antigeen om in B-antigeen

Beide in bezit = heeft beide type antigenen

O = stom allel verandert het H-antigeen NIET

22
New cards

Wat zijn de meest bekende subgroepen van A?

  • A1 (80%)

  • A2 (20%)


23
New cards

Wat is het verschil van subgroep A1 en A2?

  • A1 enzym is sterker dan A2 enzym
    → het zet bijna alle H om in A
    → dus meer A1 antigenen op ery dan mensen met bloedgroep A2

  • Die met bloedgroep A1
    → hebben nog een extra antigeen dat ontbreekt bij mensen met A2 bloedgroep


24
New cards

Genotype, fenotype bloedgroep en antigenen op een tekening van de bloedgroepen

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
25
New cards

Bloedgroep, genotype, fenotype bloedgroep en antigenen en als hetero/homo op een tabel v.d. bloedgroepen

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
26
New cards

Wat zijn anti-A en anti-B?

= regulaire antistoffen, die natuurlijk voorkomend zijn

27
New cards

Hoe worden anti-A en anti-B gevormd?

  • Ze worden NIET gevormd na contact met lichaamsvreemde antigenen

    → maar worden gestimuleerd door darm bacteriën


28
New cards

Wanneer zijn anti-A en B aanwezig?

Altijd als het corresponderende antigeen ontbreekt

29
New cards

Wanneer worden anti-A en B geproduceerd?

Pas na de 3de tot 6de maand na de geboorte

30
New cards

Wat voor een soort antistoffen zijn anti-A en B? Wat is de vorm? Gebeurt een class switch?

  • IgM-antistoffen

  • Pentameer

  • Nee, gebeurt geen switch naar IgG → kunnen placenta NIET passeren


31
New cards

Tekening antistoffen van de bloedgroepen (genotype, fenotype, antigenen en antistoffen)

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
32
New cards

Wat veroorzaken anti-A en B

Veroorzaken altijd hemolytische transfusiereacties

33
New cards

Wat zijn anti-A en B nog voor een antistoffen? compleet of oncompleet? waarom?

Complete antistoffen

→ geven agglutinatie in fysiologisch zout zonder toevoeging v. hulpmiddelen

34
New cards

Waarbij zijn anti-A en B zeer actief?

  • 37 graden KT

  • 4 graden


35
New cards

Wat is anti-A eigenlijk? Wat doet het?

= anti-A totaal

→ reageert met zowel A1- als A2 ery

→ komt voor bij alle individuen met bloedgroep O en B

36
New cards

Kan anti-A1 voorkomen bij mensen met anti-A2?

Ja, reageert meestal NIET bij 37 graden

37
New cards

Wat hebben mensen die de bombay bloedgroep hebben?

= Individuen die GEEN H-allel hebben (zeer zeldzaam)

38
New cards

Wat gebeurt als je een bombay bloedgroep hebt?

= Antigenen v.h. ABO-systemen kunnen NIET tot expressie komen, ook al zijn de A- en B-allelen wel aanwezig

39
New cards

Hoe zien de ery’s uit bij de bombay bloedgroep?

  • Lijken op cellen met bloedgroep ‘‘O’’

  • Maar in het plasma komen naast anti-A en anti-B ook anti-H voor


<ul><li><p>Lijken op cellen met bloedgroep ‘‘O’’</p></li><li><p>Maar in het plasma komen naast anti-A en anti-B ook anti-H voor</p></li></ul><p></p>
40
New cards

Wat is bij een bloedtransfusie als je de bombay bloedgroep hebt?

  • Enkel met bloed v. donoren die ook Bombay bloedgroep hebben

  • Ingevroren voorraad


41
New cards

Het rhesus bloedgroepsysteem heeft 2 nauw gekoppelde genen. welke zijn deze?

  • CcEe-gen

  • D-gen


42
New cards

Kenmerken van deze 2 nauw gekoppelde genen bij rhesus

  • Beiden gelegen op chromosoom 1

  • Indeling rhesus (+) en (-) berust alleen op de aan- of afwezigheid v.h. D-antigeen


43
New cards

Hoeveel allelen en welke heeft het CcEe-gen?

4 allelen:

  • Ce

  • cE

  • CE

  • ce


44
New cards

Wat doen de allelen van CcEe-gen?

  • Die respectievelijk coderen voor de antigenen C, c, E en e

  • Coderen voor een eiwit waarop zowel een C- of c-antigeen, als een E- of e-antigeen aanwezig is


45
New cards

Wat zijn de allelen van CcEe-gen?

  • Codominant
    = komen beide tot expressie


46
New cards

Wat doet het D-gen?

= Codeert voor het D-eiwit

47
New cards

Wanneer de D-eiwit ontbreekt, welke 2 situaties komen dan voor?

Situatie 1:

  • spreken we v.h. D-allel (dit is GEEN echt allel)

  • maar staat voor de afwezigheid v.h. D-gen (er bestaat dus GEEN d-eiwit)

Situatie 2:

  • ontbreekt D-eiwit

  • persoon = rhesus D (-)

  • d-allel bestaat niet (als tegenhanger v. D)


48
New cards

Hoe wordt afwezigheid van D geschreven?

als kleine ‘‘d’’

49
New cards

Wat is met de 2 rhesus-genen CcEe en D?

Ze zijn nauw gekoppeld en worden gezamenlijk overgeërfd

50
New cards

Nomenclatuur

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
51
New cards

Wat zijn rhesus genen dominant, recessief of codominant?

Codominante genen → fenotype = genotype

52
New cards

Wat is het verschil tussen d- en D-antigeen?

d-antigeen:

  • Het bestaat NIET

  • kan dus serologisch NIET aangetoond worden


D-antigeen:

  • Kan wel serologisch aangetoond worden

  • heterozygoot of homozygoot kan alleen op gen niveau bepaalt worden


53
New cards

Wat is bij een verzwakt D-antigeen?

= Aantal D-antigenen op de erys is lager dan normaal

54
New cards

Eigenschappen van verzwakt D-antigeen

  • Aanwezigheid C en E
    → kan de expressie v.h. D-antigeen onderdrukken
    → sterkte neemt af in de volgorde: R0 > R2 > R1 > R2

  • Kwalitatief wijkt verzwakt D-antigeen NIET af v.e. normale
    → alleen de expressie is minder


55
New cards

Wat is een voorkomend foutieve labbepaling bij verzwakt D-antigeen?

Minder gevoelige test kan iemand onterecht rhesus (-) laten bepalen

→ indien die transfusie krijgt
→ is er geen probleem, kan die nog steeds rhesus (-) bloed krijgen


56
New cards

Wat is belangrijk bij bloeddonors met een zwak D-antigeen?

  • Dat die rhesus (+) bepaald worden

  • Want het zwakke D-antigeen is in staat een rhesus (-) persoon te immuniseren


57
New cards

Wat is een D-variant?

= Het D-antigeen heeft een afwijkende vorm

58
New cards

Wat gebeurt bij een D-variant?

= Het rhesus D-molecuul komt onvolledig tot expressie op de erys en er ontbreekt een stuk v.h. D-antigeen (rhesus D-variant)

59
New cards

Bloedtransfusie rhesus (+) bij D-variant

  • Brengen gehele D-antigeen tot expressie

  • Ontvanger kan antistoffen aanmaken tegen het onbekenste stuk v.h. D-molecuul


60
New cards

Wat is de meest voorkomende D-variant?

= D-variant klasse VI

61
New cards

Wat doet de variant klasse VI?

= Reageert niet met de gebruikelijke monoklonale IgM anti-D-reagentia

→ wordt dus met deze reagentia als rhesus (-) bepaald

62
New cards

Als je de bloedgroep/rhesus bepaalt welk reagentia is in de eerste 4 kolommen? Geef ook de kleur.

  1. anti-A (blauw)

  2. anti-B (geel)

  3. Anti-D (wit)

  4. Controle


63
New cards

Wat kun je nog bepalen uit anti-B van de kolom?

→ monoclonale reagentia zullen ook de subgroepen v. A en B kunnen aantonen

64
New cards

Wat kun je nog bepalen uit anti-D van de kolom?

  • Monoclonale reagentia (IgM) zullen ook de zwakke D kunnen aantonen
    → Reageren niet met de D-variant klasse VI

  • Polyclonale reagentia (IgG) kunnen ook de D-variant opsporen
    → kunnen zwakke D missen


65
New cards

Wat is belangrijk bij de controle in de kolom?

Hij moet negatief zijn

66
New cards

Wat wordt in de eerste 4 kolommen bij zo een buisjestest erin gedaan?

Worden erys v.d. patiënt toegevoegd

67
New cards

Wat wordt in de laatste 2 kolommen toegevoegd v.e. buisjestest? waarom wordt dit gedaan?

Wordt plasma/serum v.d. patiënt toegevoegd

→ hiermee wordt de aan- of afwezigheid v. anti-A en/of anti-B in het plasma/serum vastgesteld

68
New cards

Hoe bepaal je rhesusfenotypering/Kell? Geef schema wat erbij hoort en wat voor een bepaling het is.

Dit is een antigeenbepaling

  • CcEe- en K-antigenen op de erys
    → -kolom met daarin anti-C, -c, -E, -e en anti-K en controle

  • Hieraan worden erys v.d. patiënt toegevoegd


69
New cards

Welke bloedproducten zijn er?

  • ECLV (= Erytrocyten Concentraat Leuk’s verwijderd)

  • TC (= Trombocyten Concentraat leuko’s en erys verwijderd)

  • Omniplasma

  • Bestraalde bloedproducten


70
New cards

Kenmerkend bij ECLV?

Minimale hoeveelheid leuko’s blijft toch aanwezig

71
New cards

Kenmerkend bij TC?

  • Op de trombo’s zitten geen bloedgroep antigeen

  • Maar minimale hoeveelheid leuko’s en erys blijft toch aanwezig

  • Door aanwezigheid erys moet bij transfusie rekening gehouden worden bij de bloedgroep


72
New cards

kenmerken omniplasma?

  • pool v. ± 1000 donoren

  • hierdoor krijg je een grote verdunning v. eventueel aanwezige antistoftiters, allergenen enz.
    → voordeel minder kans op transfusiereactie


73
New cards

kenmerkend bij bestraalde producten?

  • Aanwezige leuko’s zijn inactief gemaakt

  • wordt aangevraagd bij bepaalde indicaties, zoals sommige leukemien of aangeboren afwijkingen in het immuunsysteem

  • opm: bestraalde eenheden dienen ook parvo B19 veilig te zijn


74
New cards

Wat is parvo B19?

  • 5de kinderziekte

  • Infectie met dit virus legt de rode cellijn in het beenmerg stil

  • 80% v.d. volwassenen heeft de ziekte doorgemaakt
    → heeft antistoffen tegen dit virus aangemaakt
    → bloed afkomstig v. deze personen is parvo B19 veilig


75
New cards

Compatibiliteitstabel EC en TC

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
76
New cards

Compatibiliteitstabel omniplasma

zie afbeelding

<p>zie afbeelding</p>
77
New cards

Welk soort antigenen zijn er bij overige bloedgroepen?

  • HFA
    = hoge frequentie antigenen
    → komen bij 99% v.d. kaukasische bevolking voor

  • LFA
    = lage frequentie antigenen
    → komen bij minder dan 1% v.d. kaukasische bevolking voor


78
New cards

Weetje over K-antigeen

  • Sterk immunogeen

  • Geeft gemakkelijk aanleiding tot antistofvorming


79
New cards

Malaria parasieten wat weet je hierover? Bij een beet van eentje.

  • Kunnen erys binnendringen via Fya en Fyb-antigenen

  • Het fenotype Fy (a-b) komt veel voor bij het negrode ras
    → natuurlijke bescherming tegen malaria


80
New cards

Wat kun je zeggen over lewis antigenen?

  • Worden NIET op de ery membraan zelf gevormd
    → maar geabsorbeerd uit het plasma


81
New cards

Welke antigeensystemen zijn vanaf geboorte ontwikkelt?

  • Kell-systeem

  • Duffy-systeem

  • Kidd-systeem

  • MN-systeem

  • Ss-systeem


82
New cards

Wat zijn irregulaire antistoffen?

= Zijn antistoffen die gevormd worden na immunisatie

83
New cards

Hoe ontstaan irregulaire antistoffen?

  • Zwangerschap

  • Transfusie

  • Transplantatie

  • Bacteriële infectie


84
New cards

Wat voor antistoffen zijn dit meestal bij irregulaire? (qua immunologie)

IgG antistoffen

85
New cards

Zijn irregulaire antistoffen incompleet of compleet?

incompleet

86
New cards

Waarom zijn irregulaire antistoffen incompleet?

  • Aantonen v. deze antistoffen d.m.v. agglutinatie kan enkel door toevoeging v. hulpmiddelen (= indirecte manier)

  • Na contact tussen antigeen en IgG worden erys wel gesensibiliseerd met de antistof (antistof hecht aan antigeen)


87
New cards

Waarom komt agglutinatie NIET tot stand bij de incomplete irregulaire antistoffen?

  • Erys zijn (-) geladen

  • In waterige opl. (NaCl)
    → watermantel v. kationen

  • Erys stoten elkaar af en blijven met afstand v. elkaar
    → Zèta-potentiaal

  • IgM kunnen deze afstand overbruggen

  • IgG
    → kunnen wel sensibiliseren
    → maar kunnen zonder hulpmiddelen NIET agglutineren


88
New cards

Wat zijn factoren die agglutinatie bevorderen?

  • Verhouding plasma/cellen

  • Temperatuur

  • Juiste pH

  • Centrifuge

  • Incubatietijd

  • Agglutinatie versterkers

  • Enzymen (papeine en ficine)


89
New cards

Verhouding plasma en cellen bij agglutinatie

  • Heidelbergcurve (equivalentiepunt)
    → evenveel AS als AG

  • Ery suspensie
    → voor buisjestechniek: 3-5%
    → voor kolomtechniek:0,8%


90
New cards

Wat doet de factor temperatuur die agglutinatie beïnvloeden?

  • IgG reageert optimaal bij 37 graden

  • IgM reageert beter bij lagere temp. (18-20 graden)


91
New cards

Wat doet de factor incubatietijd die agglutinatie beïnvloeden?

sensibilisatiefase: 10-15 minuten

92
New cards

Wat doet de factor agglutinatie versterkers die agglutinatie beïnvloeden?

= beinvloeden het zèta-potentiaal

  • door cellen te suspenderen in medium met lage ionsterkte (= LISS)

    • Hierdoor kunnen AS zich beter binden aan AG

    • vooral in kolomtechniek

  • Door toevoeging v. polyetyleenglycol (= PEG)

    • Is een H2O oplosbaar polymeer dat H2O uit de omgeving trekt

    • Hierdoor wordt de associatie tussen AG en AS bevorderd en AS conc. in het serum stijgt



93
New cards

De antiglobuline test hoe gaat die?

In vitro aan erys gebonden → antistoffen aantonen

94
New cards

Uit welke 4 fases bestaat de antiglobuline test?

  1. Sensibilisatie fase

  2. Was fase

  3. Antiglobuline fase

  4. Controle fase