1/109
Woordenlijsten Grieks uit Pallas Tekstboek deel 3 (blok 1 t/m 4) voor de verdediging van de moord op Eufiletos.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
ἡγέομαι + aci
menen
δεῖ + aci / inf.
het is nodig
ἡ γυνή, γυναικός
vrouw
καί
οὔτε … οὔτε
noch … noch
πλήν + gen.
behalve
τὰ χρήματα, χρημάτων
bezit(tingen), geld
πλούσιος
rijk
ἡ τιμωρία
wraak, straf
ὁ νόμος
πράττω
handelen, doen
λέγω
zeggen, spreken (aor. εἶπον)
μόνος
als enige, alleen
ὁ ἀνήρ, ἀνδρός
man, hier mv. 'heren'
ὡς
ὁ / ἡ παῖς, παιδός
ἡ οἰκία
huis
οὐδείς, οὐδεμία, οὐδέν
ἕνεκα + gen.
terwille van, wegens (achterzetsel)
ἵνα + coni./opt.
opdat, om te (finaal)
γίγνομαι
κατά + acc.
τοίνυν
welnu, dus
ἡ ἀρχὴ
ἀληθής, ἀληθοῦς
waar, werkelijk
ἐάν = εἰ ἄν
indien, als (+coni. fut./iter.)
γάρ
want, immers
γαμέω
trouwen
ἄγω
leiden, brengen (aoristus ἤγαγον)
μήτε … μήτε
noch … noch
ποιέω
maken, doen
ὥσπερ
(net) zoals
εἶναι
zijn (infinitivus praesens van 'zijn')
ἐν + dat.
in, op, bij
ὁ χρόνος
tijd
καὶ …. καί
zowel … als
ἐπειδή + ind. v.t.
toen, nadat
ὥστε
ἐθέλω / θέλω
willen, bereid zijn
προσέχω τὸν νοῦν
de aandacht richten
πιστεύω + dat.
vertrouwen op
ἐμαυτοῦ
van mijzelf
παραδίδωμι
overlaten, toevertrouwen (aoristus παρέδωκα)
μέγιστος
grootste, zeer groot (superlativus van μέγας)
ἀκριβής, ἀκριβοῦς
nauwkeurig, precies
οὖν
dus, dan, nu
πρῶτος
eerste
βέλτιστος
beste (superlativus van ἀγαθός)
μοι
aan mij (persoonlijk vnw dat.)
τελευτάω
sterven
τὰ κακά
onheil, ongeluk, rampen
ἡ αἰτία
ὑπό + gen.
door (bij passieve werkwoordsvormen)
ἄνθρωπος
mens, man
ἡ ἀγορά
markt
ὁράω
zien
ἀπόλλυμι
te gronde richten
ἔχω
hebben, houden
λούω
wassen
ἤδη
πολλάκις
vaak, dikwijls
ὡς + acc.
naar
δίδωμι
geven (inf. aoristus δοῦναι)
ἡ μήτηρ
moeder
οὕτως
zo
καθεύδω
slapen
κάτω
naar beneden
βοάω
roepen, schreeuwen
πολύς, πολλή, πολύ
veel
οὐδέποτε
(en) nooit
οἴομαι
menen, vermoeden
ἥκω
gekomen zijn, komen
ἐκ / ἐξ
μετά + acc.
na
ἔνδον
binnen (bijwoord)
πυνθάνομαι
vernemen, horen
κελεύω
bevelen, opdragen
ἀπιέναι
weggaan (inf. praesens van ἀπείμι)
ὁ ἀγρός
veld, land, akker
τὸ δεῖπνον
(avond)maaltijd
μετά + gen.
samen met
ὕστερον
later (bijwoord)
παύομαι + gen.
ophouden te/met
κλάω
wenen, huilen
πρῶτον
eerst, in het begin (bijwoord)
ὀργίζομαι
boos zijn/worden
αὐτίκα
meteen
φημί
zeggen, spreken
ἐνταῦθα
in die situatie, dan
γελάω
lachen
πρότερον
eerder
ἀνίσταμαι
opstaan
ἰών, ἰοῦσα, ἰόν
gaand (participium praesens van εἶμι)
ἡ θύρα
deur
ἀνοίγνυμι
openen
ἐρωτάω
vragen
Τί;
wat? waarom?
εἶτα
daarna, dan
οὕτω(ς)
op die manier, zo
τὸ πρόσωπον
gezicht, gelaat