1/92
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
producir
(tr) opbrengen, opleveren, veroorzaken, (-se) zich voordoen, gebeuren, (tr) produceren
comenzar
(tr, intr) aanvangen, beginnen
echar
(se a) beginnen, starten, (se) gaan liggen, (tr) gooien, wegsturen, werpen, (tr) ontslaan
estar a punto de
op het punt staan om
aparecer
(intr) verschijnen
mantener
(-se) blijven duren, blijven, (tr) handhaven, aanhouden, (tr) onderhouden
tardar
(intr) duren, lang duren, dralen
continuar
(tr) doorgaan, vervolgen, voortgaan, voortzetten
parar
(tr) ophouden, stoppen, (-se) stilstaan, (tr) tegenhouden
producir
(se) zich voordoen, gebeuren, (tr) produceren, (tr) opbrengen, opleveren, veroorzaken
ser
(intr) zijn
existir
(intr) bestaan, leven
deaparecer
(intr) verdwijnen, uitsterven
funcionar
(intr) functioneren, werken
cumplir
(tr) nakomen, vervullen
marchar
(intr) functioneren, werken, (-se) weggaan, (intr) lopen
conseguir
(tr) verkrijgen, slagen in iets
irse a pique
om zeep gaan
evaporar
(se) verdampen, vervliegen
tener prisa
zich haasten
tener tiempo
tijd hebben
practicar
(tr) beoefenen, uitvoeren, (tr) oefenen, trainen
organizar
(tr) ordenen, organiseren, regelen
desorganizar
(tr) desorganiseren
anular
(tr) afgelasten, annuleren, terugdraaien
cancelar
(tr) annuleren, terugdraaien
instalar
(tr) inrichten, plaatsen, (-se) zich bevinden, (tr) installeren
adoptar
(tr) aannemen, goedkeuren, (tr) adopteren
atender
(tr) bijwonen, (tr) klant bedienen, helpen
inscribir
(se) zich inschrijven, (tr) boeken, inschrijven, registreren, vastleggen
ingresar
(intr) binnengaan, inschrijven, (tr) storten, overschrijven, verdienen
matricular
(tr) inschrijven, (-se) zich inschrijven
realizar
(tr) realiseren, uitvoeren, verwezenlijken
fabricar
(tr) fabriceren, vervaardigen, maken
crear
(tr) creëren, maken, scheppen
introducir
(tr) introduceren, invoeren, (tr) inleiden, voorstellen
copiar
(tr) nabootsen, overschrijven, (tr) kopiëren
arreglar
(tr) repareren, in orde brengen, (tr) opruimen
destruir
(tr) vernielen, vernietigen, verwoesten
quemar
(tr) branden, verbranden, (-se) aanbranden, (-se) zich verbranden
estar de pie
rechtstaand
echar
(se) gaan liggen, (se a) beginnen, starten, (tr) gooien, wegsturen, werpen, (tr) ontslaan
tender
(se) gaan liggen, (intr a) neigen tot, (tr) de was ophangen, ophangen
estar sentado
(se) zitten
caer
(-se) omver vallen, omvallen, op de grond vallen, (intr) vallen
caer de culo
op je kont vallen
marchar
(-se) weggaan, (intr) lopen, (intr) functioneren, werken
darse una vuelta
korte wandeling maken
parar
(se) stilstaan, stoppen, (tr) tegenhouden, (tr) ophouden
mover
(se) bewegen, een beweging maken, (tr) verplaatsen
acercar
(se) benaderen, naderen, (tr) dichterbij brengen
alejar
(se) weggaan, zich verwijderen, (tr) verwijderen, weghouden, wegjagen
saltar
(tr) springen
escapar
(tr) ontgaan, ontkomen, ontsnappen
meter
(tr) plaatsen, (-se) zich bemoeien
soportar
(tr) dragen, ondersteunen, (tr) verdragen, uithouden
tirar
(intr de) trekken, (intr) schieten, vuren, (tr) wegwerpen
sacar
(tr) tevoorschijn halen, nemen, (-se) behalen
soltar
(tr) loslaten, losmaken, laten zien, losgeraken, lossen
abrazar
(tr) omarmen, omhelzen
pegar
(tr) slaan, (-se) kleven, (tr) plakken
batir
(tr) kloppen, slaan, (tr) opkloppen, (tr) verslaan
intercambiar
(tr) ruilen, uitwisselen
recoger
(tr) ophalen, oprapen, (tr) opruimen, vuil verwijderen, (tr) plukken, verzamelen, oogsten
contar
(intr con) hebben, beschikken over, (intr con) rekenen op, (tr) tellen, (tr) vertellen
aceptar
(tr) aannemen, ontvangen, (tr) aanvaarden, accepteren
guardar
(tr) bewaren, opbergen, (tr) saven, (tr) behoeden, bewaken
ofrecer
(tr) aanbieden, bieden
encontrar
(tr) vinden, (-se con) aantreffen, ontmoeten, tegenkomen (-se) zich voelen, (-se) zich bevinden
ligar
(tr) knopen, vastmaken, verbinden, (tr) iemand versieren
usar
(tr) aanwenden, benutten, gebruiken
envolver
(tr) inpakken, insluiten, verwikkelen
secar
(tr) bevochtigen, vochtig maken, (tr) afdrogen, drogen, droogmaken
llenar
(tr) opvullen, vullen
vaciar
(tr) ledigen, legen, ruimen
mantener
(tr) onderhouden, (-se) blijven duren, blijven, (tr) handhaven, aanhouden
romper
(tr) breken, (-se) stuk gaan
colgar
(tr tr) hangen, ophangen, opknopen, (tr) telefoongesprek afsluiten
pegar
(tr) kleven, plakken, (tr) slaan
esperar
(tr) hopen, verwachten, vooruitzien, (tr) afwachten, wachten
tender
(intr a) neigen tot, (-se) gaan liggen, (tr) de was ophangen, ophangen
solicitar
(tr) verzoeken, vragen, (tr) solliciteren voor een job
aceptar
(tr) aanvaarden, accepteren, (tr) aannemen, ontvangen
intentar
(tr) proberen, uitproberen
probar
(tr) proberen, (tr) bewijzen, (tr) proeven, (tr) passen
tratar
(intr de) proberen, (-se de) gaan over, (tr) behandelen, (tr) omgaan met, (tr) betreffen, handelen over
caber
(intr) moeten, (intr) passen in
desviar
(se de) afdwalen, afwijken, verschillen, (tr) afleiden, van richting doen veranderen
comparar
(tr) vergelijken
parecer
(se a) op elkaar lijken, op iets lijken, (intr) lijken, schijnen
depender
(intr de) afhangen
relacionar
(-se) zich verhouden, (tr) verenigen, verbinden, (tr) vertellen