20. Los procesos verbales (verbos) 2

0.0(0)
Studied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/92

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:04 PM on 10/5/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

93 Terms

1
New cards

producir

(tr) opbrengen, opleveren, veroorzaken, (-se) zich voordoen, gebeuren, (tr) produceren

2
New cards

comenzar

(tr, intr) aanvangen, beginnen

3
New cards

echar

(se a) beginnen, starten, (se) gaan liggen, (tr) gooien, wegsturen, werpen, (tr) ontslaan

4
New cards

estar a punto de

op het punt staan om

5
New cards

aparecer

(intr) verschijnen

6
New cards

mantener

(-se) blijven duren, blijven, (tr) handhaven, aanhouden, (tr) onderhouden

7
New cards

tardar

(intr) duren, lang duren, dralen

8
New cards

continuar

(tr) doorgaan, vervolgen, voortgaan, voortzetten

9
New cards

parar

(tr) ophouden, stoppen, (-se) stilstaan, (tr) tegenhouden

10
New cards

producir

(se) zich voordoen, gebeuren, (tr) produceren, (tr) opbrengen, opleveren, veroorzaken

11
New cards

ser

(intr) zijn

12
New cards

existir

(intr) bestaan, leven

13
New cards

deaparecer

(intr) verdwijnen, uitsterven

14
New cards

funcionar

(intr) functioneren, werken

15
New cards

cumplir

(tr) nakomen, vervullen

16
New cards

marchar

(intr) functioneren, werken, (-se) weggaan, (intr) lopen

17
New cards

conseguir

(tr) verkrijgen, slagen in iets

18
New cards

irse a pique

om zeep gaan

19
New cards

evaporar

(se) verdampen, vervliegen

20
New cards

tener prisa

zich haasten

21
New cards

tener tiempo

tijd hebben

22
New cards

practicar

(tr) beoefenen, uitvoeren, (tr) oefenen, trainen

23
New cards

organizar

(tr) ordenen, organiseren, regelen

24
New cards

desorganizar

(tr) desorganiseren

25
New cards

anular

(tr) afgelasten, annuleren, terugdraaien

26
New cards

cancelar

(tr) annuleren, terugdraaien

27
New cards

instalar

(tr) inrichten, plaatsen, (-se) zich bevinden, (tr) installeren

28
New cards

adoptar

(tr) aannemen, goedkeuren, (tr) adopteren

29
New cards

atender

(tr) bijwonen, (tr) klant bedienen, helpen

30
New cards

inscribir

(se) zich inschrijven, (tr) boeken, inschrijven, registreren, vastleggen

31
New cards

ingresar

(intr) binnengaan, inschrijven, (tr) storten, overschrijven, verdienen

32
New cards

matricular

(tr) inschrijven, (-se) zich inschrijven

33
New cards

realizar

(tr) realiseren, uitvoeren, verwezenlijken

34
New cards

fabricar

(tr) fabriceren, vervaardigen, maken

35
New cards

crear

(tr) creëren, maken, scheppen

36
New cards

introducir

(tr) introduceren, invoeren, (tr) inleiden, voorstellen

37
New cards

copiar

(tr) nabootsen, overschrijven, (tr) kopiëren

38
New cards

arreglar

(tr) repareren, in orde brengen, (tr) opruimen

39
New cards

destruir

(tr) vernielen, vernietigen, verwoesten

40
New cards

quemar

(tr) branden, verbranden, (-se) aanbranden, (-se) zich verbranden

41
New cards

estar de pie

rechtstaand

42
New cards

echar

(se) gaan liggen, (se a) beginnen, starten, (tr) gooien, wegsturen, werpen, (tr) ontslaan

43
New cards

tender

(se) gaan liggen, (intr a) neigen tot, (tr) de was ophangen, ophangen

44
New cards

estar sentado

(se) zitten

45
New cards

caer

(-se) omver vallen, omvallen, op de grond vallen, (intr) vallen

46
New cards

caer de culo

op je kont vallen

47
New cards

marchar

(-se) weggaan, (intr) lopen, (intr) functioneren, werken

48
New cards

darse una vuelta

korte wandeling maken

49
New cards

parar

(se) stilstaan, stoppen, (tr) tegenhouden, (tr) ophouden

50
New cards

mover

(se) bewegen, een beweging maken, (tr) verplaatsen

51
New cards

acercar

(se) benaderen, naderen, (tr) dichterbij brengen

52
New cards

alejar

(se) weggaan, zich verwijderen, (tr) verwijderen, weghouden, wegjagen

53
New cards

saltar

(tr) springen

54
New cards

escapar

(tr) ontgaan, ontkomen, ontsnappen

55
New cards

meter

(tr) plaatsen, (-se) zich bemoeien

56
New cards

soportar

(tr) dragen, ondersteunen, (tr) verdragen, uithouden

57
New cards

tirar

(intr de) trekken, (intr) schieten, vuren, (tr) wegwerpen

58
New cards

sacar

(tr) tevoorschijn halen, nemen, (-se) behalen

59
New cards

soltar

(tr) loslaten, losmaken, laten zien, losgeraken, lossen

60
New cards

abrazar

(tr) omarmen, omhelzen

61
New cards

pegar

(tr) slaan, (-se) kleven, (tr) plakken

62
New cards

batir

(tr) kloppen, slaan, (tr) opkloppen, (tr) verslaan

63
New cards

intercambiar

(tr) ruilen, uitwisselen

64
New cards

recoger

(tr) ophalen, oprapen, (tr) opruimen, vuil verwijderen, (tr) plukken, verzamelen, oogsten

65
New cards

contar

(intr con) hebben, beschikken over, (intr con) rekenen op, (tr) tellen, (tr) vertellen

66
New cards

aceptar

(tr) aannemen, ontvangen, (tr) aanvaarden, accepteren

67
New cards

guardar

(tr) bewaren, opbergen, (tr) saven, (tr) behoeden, bewaken

68
New cards

ofrecer

(tr) aanbieden, bieden

69
New cards

encontrar

(tr) vinden, (-se con) aantreffen, ontmoeten, tegenkomen (-se) zich voelen, (-se) zich bevinden

70
New cards

ligar

(tr) knopen, vastmaken, verbinden, (tr) iemand versieren

71
New cards

usar

(tr) aanwenden, benutten, gebruiken

72
New cards

envolver

(tr) inpakken, insluiten, verwikkelen

73
New cards

secar

(tr) bevochtigen, vochtig maken, (tr) afdrogen, drogen, droogmaken

74
New cards

llenar

(tr) opvullen, vullen

75
New cards

vaciar

(tr) ledigen, legen, ruimen

76
New cards

mantener

(tr) onderhouden, (-se) blijven duren, blijven, (tr) handhaven, aanhouden

77
New cards

romper

(tr) breken, (-se) stuk gaan

78
New cards

colgar

(tr tr) hangen, ophangen, opknopen, (tr) telefoongesprek afsluiten

79
New cards

pegar

(tr) kleven, plakken, (tr) slaan

80
New cards

esperar

(tr) hopen, verwachten, vooruitzien, (tr) afwachten, wachten

81
New cards

tender

(intr a) neigen tot, (-se) gaan liggen, (tr) de was ophangen, ophangen

82
New cards

solicitar

(tr) verzoeken, vragen, (tr) solliciteren voor een job

83
New cards

aceptar

(tr) aanvaarden, accepteren, (tr) aannemen, ontvangen

84
New cards

intentar

(tr) proberen, uitproberen

85
New cards

probar

(tr) proberen, (tr) bewijzen, (tr) proeven, (tr) passen

86
New cards

tratar

(intr de) proberen, (-se de) gaan over, (tr) behandelen, (tr) omgaan met, (tr) betreffen, handelen over

87
New cards

caber

(intr) moeten, (intr) passen in

88
New cards

desviar

(se de) afdwalen, afwijken, verschillen, (tr) afleiden, van richting doen veranderen

89
New cards

comparar

(tr) vergelijken

90
New cards

parecer

(se a) op elkaar lijken, op iets lijken, (intr) lijken, schijnen

91
New cards

depender

(intr de) afhangen

92
New cards

relacionar

(-se) zich verhouden, (tr) verenigen, verbinden, (tr) vertellen

93
New cards