1/79
Oefenflashcards voor het jachtexamen met betrekking tot de soortherkenning van watervogels, veerwild, grofwild, roofvogels, jachthondenrassen, gewassen, bosbouw en wildziekten/parasieten.

Wilde eend
Algemene grondel- of zwemeend behorend tot het veerwild; de woerd heeft een glanzend groene kop, een gele snavel, een witte halsband, een kastanjebruine borst en oranje poten.

Witoogeend
Duikeend behorend tot het veerwild; herkenbaar aan het warme kastanjebruine verenkleed, opvallend zuiver witte onderstaartdekveren en een kenmerkende witte iris bij het mannetje.

Tafeleend
Duikeend behorend tot het veerwild; het mannetje heeft een roodbruine kop, rode ogen, een zwarte borst, een lichtgrijze rug en flanken, en een donkere snavel met een grijsblauwe band.

Middelste zaagbek
Zaagbek behorend tot de watervogels/veerwild; gekenmerkt door een smalle, getande rode snavel en een opvallende warrige kuif op het achterhoofd.

Knobbelzwaan
Grote witte zwaan met een oranje snavel voorzien van een opvallende zwarte knobbel aan de snavelbasis en een zwarte snavelpunt.

Canadese gans
Grote gans met een lange zwarte hals en kop, een brede opvallende witte kin- en wangband en een grijsbruin lichaam.

Dwerggans
Kleine gans lijkend op de kolgans; te herkennen aan de heldergele oogring en een witte voorhoofdsbles die hoog doorloopt tot tussen de ogen.

Smient
Grondel- of zwemeend (veerwild); de woerd heeft een kastanjebruine kop met een kenmerkende geelwitte bles op het voorhoofd, een rozeachtige borst en fijn geaderde grijze flanken.

Krakeend
Grondel- of zwemeend behorend tot het veerwild; het mannetje heeft een subtiel grijs geschubd verenkleed, een zwarte achterkant, gele poten en een witte vleugelspiegel.

Kuifeend
Duikeend behorend tot het veerwild; het mannetje is glanzend zwart met zuiver witte flanken, felgele ogen en een opvallende afhangende kuif op de achterkop.
Rietgans
Gans die slanker, donkerder en bruiner is dan de grauwe gans; heeft oranje poten en een oranje met zwarte snavel. Is 71 tot 89 cm groot (+/- 75 cm) en weegt +/- 2300 gram. Kent een toendratype (korte snavel met weinig oranje) en een taigatype (langere hals en snavel met meer oranje).
Kleine rietgans
Gans die sterk lijkt op de rietgans, maar 61 tot 67 cm groot is, met een korte nek, roze poten, een roze met zwarte snavel en een blauwgrijze bovenkant die scherp afsteekt bij de donkere hals en kop.

Fazant
Veerwild behorend tot de fazantachtigen; het mannetje bezit een kleurrijk verenkleed, rode lellen rond de ogen, een donkergroene kop met halsring en een zeer lange staart.

Turkse tortel
Duivensoort behorend tot het veerwild; zandkleurig lichtgrijs verenkleed met een smalle zwarte halve halsband in de nek.

Tortelduif
Duivensoort behorend tot het veerwild; voorzien van roestbruin geschubde vleugels en een opvallende zwart-wit gestreepte vlek aan de zijkant van de hals.
Grofwild
Grote bejaagbare zoogdieren, in de cursus bestaande uit: damhert, moeflon, edelhert, wild zwijn en ree.

Buizerd
Veerwild behorend tot de stootvogels (havikachtigen); middelgrote roofvogel met brede vleugels en een korte staart, met een uiterst variabel verenkleed van donkerbruin tot bijna wit.

Bosuil
Veerwild behorend tot de uilen; middelgrote uil met een ronde kop zonder oortuiven, donkere ogen en een grijsbruin tot roodbruin gevlekt verenkleed.

Bruine Kiekendief
Veerwild behorend tot de stootvogels (kiekendieven); moerasbewonende roofvogel die in vlucht herkenbaar is aan vijf uitstekende vleugeltippen ('vingers') per vleugel.
Vleugeltippen kiekendieven ('vingers')
Veldkenmerk voor vliegende kiekendieven: de bruine en blauwe kiekendief hebben vijf vingers aan iedere vleugel; de grauwe en steppekiekendief hebben er vier aan iedere vleugel.

Vlaamse Gaai
Veerwild behorend tot de kraaiachtigen; roze-bruin gekleurd met een zwarte snorstreep, witte stuit en felblauwe veertjes met zwarte streepjes op de vleugels.

Boomvalk
Veerwild behorend tot de stootvogels (valkachtigen); snelle jager met lange spitse vleugels, witte wangen met zwarte baardstreep, gestreepte borst en opvallende roestrode dijbevedering ('broek').

Steenuil
Veerwild behorend tot de uilen; kleine gedrongen uil met een platte kop, felgele ogen, witte wenkbrauwen en bruine bovendelen met witte vlekken.
Uilensoorten (5)
De vijf inheemse uilensoorten die in de cursus worden behandeld: steenuil, ransuil, bosuil, velduil en kerkuil.
Havikachtige stootvogels (3)
De drie behandelde soorten havikachtigen binnen de stootvogels: buizerd, havik en sperwer.
Kraaiachtigen (7)
De zeven kraaiachtigen behorend tot het veerwild: zwarte kraai, bonte kraai, roek, kauw, raaf, ekster en Vlaamse gaai.

Suikerbiet
Akkerbouwgewas behorend tot de hakvruchten (bieten); gekenmerkt door een witte biet die slechts een klein stukje boven de grond uitsteekt.
Voederbiet
Akkerbouwgewas behorend tot de hakvruchten (bieten); steekt relatief ver boven de grond uit en is donkerder gekleurd dan de suikerbiet.

Gerst
Akkerbouwgewas behorend tot de granen; visueel direct te herkennen aan de zeer lange kafnaalden ('lange sprieten') aan de aar.

Haver
Akkerbouwgewas behorend tot de granen; groeit in tegenstelling tot tarwe, rogge of gerst niet in een compacte aar, maar vormt een open pluim met hangende aartjes.

Epagneul Breton
Staande jachthond ingedeeld onder Continentaal 1; compacte, energieke hond met een kortere of gecoupeerde staart en wit-oranje of meerkleurige vacht.

Korthals griffon
Staande jachthond behorend tot Continentaal 1; middelgrote hond met een ruwe, harde vacht, zware snor, opvallende baard en borstelige wenkbrauwen.

Weimaraner
Staande jachthond behorend tot Continentaal 2; kortharige jachthond met een typische zilver-, ree- of muisgrijze vacht en licht barnsteenkleurige ogen.

Drentsche patrijshond
Staande jachthond behorend tot Continentaal 2; Nederlands ras met een witte vacht met bruine platen en/of spikkels en rijke bevedering aan oren, poten en staart.
Grote Munsterlander
Staande jachthond behorend tot Continentaal 2; groot en gespierd postuur, langgerekt hoofd, donkere ogen, brede hoog aangezette oren met afgeronde punten en een hoog aangezette gestrekte of licht gebogen staart.
Kleine Munsterlander
Staande jachthond behorend tot Continentaal 2; kenmerkt zich door een donkerbruine neusspiegel, donkerbruine ogen en een recht gedragen staart met halve vlag.

Chesapeake bay retriever
Retrieverras met een groot en sterk postuur, hoge ooraanzet, brede kop, lage kaken en een grove, middellange bruine vacht.

Flat coated retriever
Retrieverras met ooraanzet op ooghoogte, lange kaken, een sterk oplopende buiklijn en een dichte vacht waarvan de poten en staart duidelijk gevederd zijn.
Golden retriever
Retrieverras met een groot en sterk postuur, lange kaken, hoge ooraanzet, licht oplopende buiklijn en een blonde langharige vacht.
Duitse Brak
Drijvende jachthond met een bruin-witte kop, ooraanzet op ooghoogte, witte hals, borst, onderkant en staartpunt (soms poten en nek), bruine oren, flanken en poten, en een zwarte rug.
Welsh springer spaniel
Drijvende jachthond met ooraanzet op ooghoogte en gemiddeld behaarde oren; de vacht is wit met donkere platen en nauwelijks vlekken (soms vlekken op wangen en poten).
Jachthondenrassen (5 categorieën)
De vijf hoofdgroepen jachthonden: staande honden, drijvende honden, retrievers, aardhonden en zweethonden.

Savooiekool
Tuinbouwmatige koolsoort met een ronde krop die opgebouwd is uit opvallend gebobbelde, gekroesde donkergroene bladeren met een duidelijke nervatuur.

Rode biet
Knolgewas binnen de tuinbouwmatige teelt met ronde rode knollen en donkergroene bladeren voorzien van opvallende rode stelen en nerven.

Spitskool
Tuinbouwmatige koolsoort met een karakteristieke kegelvormige, puntige krop en gladde bladeren.

Kruisbes
Zacht fruit binnen de fruitteelt; stekelige struik met ronde, enigszins doorschijnende en gestreepte bessen.

Framboos
Zacht fruit binnen de fruitteelt; heester met dunne stekels die samengestelde rode verzamelsteenvruchten vormt.

Pruim
Vruchtboom behorend tot de pit- en steenvruchten binnen de fruitteelt; draagt vlezige, sappige vruchten met een harde stenen pit.

Populier
Loofhoutboom binnen de bosbouw; snelgroeiende boom met ruit- of driehoekige bladeren aan lange afgeplatte stelen en hangende bloemkatjes.

Lijsterbes
Struikhout binnen de bosbouw; herkenbaar aan oneven geveerde bladeren, witte bloemschermen in het voorjaar en trossen oranjerode bessen.

Gelderse roos
Struikhout binnen de bosbouw; heester met 3- tot 5-lobbige bladeren, vlakke bloemschermen met grote steriele randbloemen en helderrode glanzende bessen.

Vuilboom
Struikhout binnen de bosbouw (sporkenhout); heester met verspreide gave bladeren en bessen die tegelijkertijd in verschillende rijpingsstadia (groen, rood en zwart) aan de struik voorkomen.

Douglasspar
Naaldhoutboom binnen de bosbouw; platte naalden van 2 tot 3 cm met een groef aan de onderzijde, grotendeels in één vlak geplaatst. De kegels hebben opvallende drietandige dekschubben die ver uitsteken.

Larix
Naaldhoutboom die tot 35 meter hoog wordt; de naalden staan in bundels alle kanten uit, worden tot 3 cm lang en vallen in de herfst af. Bloeit in april en mei.

Grove den
Naaldhoutboom binnen de bosbouw; blauwgroene of grijsgroene naalden die paarsgewijs staan (doorsnede 3 tot 7 cm) en hangende, duidelijk gesteelde kegels.

Radijs
Knolgewas binnen de tuinbouwmatige teelt met kleine, bolvormige rode wortelknolletjes.

Sleedoorn
Struikhout binnen de bosbouw; bloeit in maart tot en met mei met witte alleenstaande bloemen vóórdat het blad verschijnt. Jonge twijgen zijn dof paarsbehaard, oude twijgen lopen uit in een doorn en de vruchten zijn donkerblauw berijpt.

Wegedoorn
Struikhout binnen de bosbouw; fijn gezaagde, cirkelvormige tot langgerekte bladeren die kruisgewijs in paren staan. Donkerbruine kruisgewijze twijgen waarvan tweejarige twijgen in een doorn eindigen; bloeit met groengele, langgesteelde bloempjes in bladokselkluwen.

Es
Loofboom binnen de bosbouw (tot 40 meter hoog); dikke grijsgroene twijgen met zwarte knoppen, kruisgewijs geplaatste bladeren met 7 tot 13 lancetvormige zittende deelbladeren en okselstandige bloempluimen.
Els
Loofboom binnen de bosbouw (tot 24 meter hoog); rond blad met een stompe afgeknotte top en ongelijk gezaagde rand, kale kleverige jonge takken en vrouwelijke katjes die uitgroeien tot houtige elzenproppen; bloeit van februari t/m april.

Krent
Struikhout binnen de bosbouw; bloeit in april en mei met vijftallige witte bloemen die in trossen groeien.

Keelhorzel
Endoparasiet waarvan de larven voorkomen in de keelholte van reeën en herten; besmette dieren zijn onrustig, maken vreemde sprongen, niezen en krabben met de achterlopers aan de kop (van zomer tot voorjaar).
Huidhorzel
Endoparasiet die in de zomer eieren legt op flanken en achterlopers van reeën en herten; larven boren door de huid, trekken via spieren naar de rug en maken in de winter een ademgat in de rug van het gastdier.

Necrobacillose
Bacteriële aandoening bij herkauwers en wild (o.a. rotkreupel); bacteriën dringen via kleine wondjes aan de poten het lichaam binnen.

Myxomatose
Virusziekte bij konijnen (overgebracht door vlooien, muggen en teken); veroorzaakt oedemateus gezwollen oogleden, zwellingen bij oorbasis en genitaliën, en in een laat stadium knobbelige woekeringen.
Fasciola hepatica (Leverbot)
Endoparasitaire platworm waarvan eitjes via mest in de wei belanden en jonge larven de leverbotslak binnendringen (produceert ca. 600 cercariae/jaar). Dieren eten metacercariae-cysten op vegetatie, die 12 weken door de lever migreren; cyclus duurt 18-20 weken.
Gaapworm
Rode Y-vormige endoparasiet die voorkomt bij met name fazanten in de luchtpijp; veroorzaakt hoesten, niezen, ademnood en typisch gapend gedrag.
Coccidiose
Endoparasitaire aandoening waarbij door de darmwand heen lichtkleurige ophopingen te zien zijn; komt voor bij vogels en zoogdieren (bij konijnen in de lever, bij hazen vooral in het darmkanaal).
Pseudotuberculosis
Bacteriële infectie die vooral voorkomt bij hazen in natte en kille jaargetijden; kenmerkt zich door witte abcessen op een sterk opgezwollen lever en milt.
Staphylococcose
Bacteriële aandoening waarbij erwtgrote etterhaardjes ontstaan in organen en onder de huid; besmetting geschiedt via bevuild voedsel, krabben bij rammelgevechten of vlooien.
VHS (Viraal Hemorragisch Syndroom)
Virusziekte bij konijnen waarbij het dier plotseling sterft door inwendige longbloedingen en degeneratie van de lever, terwijl het dier er aan de buitenzijde ogenschijnlijk gezond uitziet.
Het geel
Parasitaire duivenziekte (endoparasiet) waarbij zich gele punten of 'kaasachtige' knobbels in de keel en slokdarm vormen; leidt tot sterke vermagering en treedt vaak op bij hoge duivenstand en rijke eikelgroei.
Trichinen
Endoparasitaire haarworm bij alle vleeseters; de larve boort zich na consumptie in de darmslijmhuid, waarna larven zich oprollen in spierweefsel en daar jarenlang kunnen overleven.

Hermelijn
Marterachtige (haarwild) met het hele jaar door een zwarte staartpunt; heeft 's zomers een roodgeelbruine rug en witte buik met een strakke scheidingslijn, en wordt in de winter geheel wit met uitzondering van de staartpunt.

Steenmarter
Marterachtige (1,5 tot 1,9 kg) met een grijsbruine tot blauwachtig grijze pels, onbehaarde voetzolen en een witte keel- en halsvlek die gevorkt doorloopt tot op de voorpoten.
Boommarter
Marterachtige met een zijdezachte, dichtbehaarde pels, behaarde voetzolen, een lange dichtbehaarde staart (+/- 26 cm) en een grote, ongevorkte, eigele keelvlek.
Wezel
Kleine marterachtige met een roodbruine bovenkant, een witte onderkant met een zeer onregelmatige scheidingslijn, een korte staart van 5 cm zonder zwarte punt en vaak een bruin vlekje achter de onderkaak.
Bunzing
Marterachtige met dichte gele onderwol en donkere dekharen, een zwarte kop met een lichte snoet, een grijswitte dwarsband boven de ogen en witte randen aan de kleine ronde oren.
Das
Grote marterachtige met een plompe, gespierde romp die van achteren breder is, een dikke hals en een lange witte kop met twee brede zwarte lengtestrepen van de snuit over de ogen tot achter de oren.
Otter
Marterachtige met een gestroomlijnd postuur, glanzend donkerbruine dichte pels, zwemvliezen tussen de vijf tenen, afgeplatte kop met hooggeplaatste oren en neusgaten en een gespierde staart van 50 cm.