Hoofdstuk 2: Geld genoeg? - Economie Flashcards

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/32

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Woordenlijst en kernbegrippen over budgetteren, betalingsverkeer, sparen, beleggen en lenen uit Hoofdstuk 2 van economie.

33 Terms

1
New cards

Dagelijkse uitgaven

Uitgaven voor het dagelijks levensonderhoud die je regelmatig doet, zoals boodschappen, verzorgingsproducten en cadeautjes.

2
New cards

Vaste lasten

Regelmatig terugkerende uitgaven die vastliggen via verplichtingen of contracten, zoals verzekeringen, abonnementen, huur, hypotheek en gas, water en licht.

3
New cards

Incidentele uitgaven

Grotere uitgaven die je niet zo vaak doet en soms onverwacht komen, zoals uitgaven voor een vakantie, wasmachine, auto of telefoon.

4
New cards

Budgetteren

Het op elkaar afstemmen van je inkomsten en uitgaven.

5
New cards

Begroting

Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode.

6
New cards

Reservering per maand

Het bedrag dat maandelijks opzijgezet moet worden voor een toekomstige uitgave: Reservering per maand=benodigd bedragaantal maanden\text{Reservering per maand} = \frac{\text{benodigd bedrag}}{\text{aantal maanden}}

7
New cards

Afschrijving (auto)

Geld reserveren voor de waardevermindering en de uiteindelijke aanschaf van een nieuwe auto.

8
New cards

Autokosten

De kosten voor het bezit en gebruik van een auto: brandstof/elektriciteit, verzekering, wegenbelasting, APK/onderhoud en afschrijving.

9
New cards

Ruilmiddel

De functie van geld waarbij het wordt gebruikt om goederen of diensten te kopen.

10
New cards

Spaarmiddel

De functie van geld waarbij het niet direct wordt uitgegeven maar bewaard (bijvoorbeeld als geld op de bank).

11
New cards

Rekenmiddel

De functie van geld waarbij de waarde of prijs van goederen en diensten wordt aangeduid (bijvoorbeeld: een pak melk kost €1,80).

12
New cards

Chartaal geld

Tastbaar, fysiek geld bestaande uit munten en papiergeld.

13
New cards

Giraal geld

Niet-tastbaar geld op een bankrekening waarmee je elektronisch kunt betalen via pinnen, creditcard, contactloos betalen, online overmaken of cryptomunten.

14
New cards

Creditsaldo

Een positief geldbedrag op je bankrekening dat hoger is dan €0.

15
New cards

Debetsaldo

Een negatief saldo op je bankrekening waarbij het bedrag lager is dan €0; je staat rood en betaalt rente.

16
New cards

Nieuw saldo

De berekening van het saldo op je bankrekening: Nieuw saldo=oud saldo+ontvangsten−betalingen\text{Nieuw saldo} = \text{oud saldo} + \text{ontvangsten} - \text{betalingen}

17
New cards

Winst van de bank

Het verschil tussen de rente op verstrekte leningen en de vergoede rente voor het sparen, waarmee banken de eigen bedrijfskosten en winst dekken.

18
New cards

Europese Centrale Bank (ECB)

De centrale bank voor de eurozone die de basisrente bepaalt waarop banken hun eigen rentes baseren, met als doel inflatie te beheersen en de koopkracht te bewaken.

19
New cards

Spaarmotieven

De drie redenen om geld opzij te zetten: sparen voor een doel, sparen uit voorzorg, en sparen voor de rente.

20
New cards

Spaardeposito

Een spaarrekening waarop je spaargeld voor een langere tijd vastzet tegen een vaste rente.

21
New cards

Rente (sparen)

De vergoeding die je ontvangt over gespaard geld: Rente=rentepercentage100×spaarbedrag×aantal jaren\text{Rente} = \frac{\text{rentepercentage}}{100} \times \text{spaarbedrag} \times \text{aantal jaren}

22
New cards

Inflatie

Een algemene stijging van de prijzen. Als inflatie hoger is dan de spaarrente, daalt de koopkracht van spaargeld; is inflatie lager dan de rente, dan stijgt de koopkracht.

23
New cards

Rendement

De totale opbrengst of winst die je verdient met een belegging.

24
New cards

Aandelen

Een beleggingsvorm waarbij je voor een klein deel mede-eigenaar wordt van een bedrijf en dividend ontvangt wanneer het bedrijf winst uitkeert.

25
New cards

Obligaties

Een beleggingsvorm waarbij je geld uitleent aan een bedrijf of aan de overheid.

26
New cards

Cryptomunten

Digitale munten die gebruikt kunnen worden als belegging en bekendstaan als zeer risicovol.

27
New cards

Leenmotieven

De vier redenen om te lenen: het overbruggen van een tijdelijk geldtekort, een dure aankoop niet willen uitstellen, onverwacht dringend geld nodig hebben, en het kopen van een huis.

28
New cards

Kredietkosten

De kosten van het lenen van geld bovenop het geleende bedrag: Kredietkosten=termijnbedrag×aantal termijnen−krediet\text{Kredietkosten} = \text{termijnbedrag} \times \text{aantal termijnen} - \text{krediet}

29
New cards

Persoonlijke lening

Een vorm van consumptief krediet met een vaste looptijd, vaste rente en gelijkblijvende termijnbedragen.

30
New cards

Salariskrediet

Een vorm van consumptief krediet waarbij je tot een vooraf afgesproken bedrag rood mag staan op je betaalrekening, waarover een hoge rente wordt gerekend.

31
New cards

Koop op afbetaling

Een krediet afgesloten bij een leverancier waarbij je een aankoop geheel of gedeeltelijk in termijnen afbetaalt.

32
New cards

Private lease

Een overeenkomst bij een leverancier waarbij je privé een consumptiegoed gebruikt zonder dat het jouw eigendom is.

33
New cards

Hypothecaire lening

Een langlopende lening (meestal 30 jaar) voor de aanschaf van een huis, waarbij het huis dient als onderpand voor de bank en de rente deels teruggevraagd kan worden.