1/32
Woordenlijst en kernbegrippen over budgetteren, betalingsverkeer, sparen, beleggen en lenen uit Hoofdstuk 2 van economie.
Dagelijkse uitgaven
Uitgaven voor het dagelijks levensonderhoud die je regelmatig doet, zoals boodschappen, verzorgingsproducten en cadeautjes.
Vaste lasten
Regelmatig terugkerende uitgaven die vastliggen via verplichtingen of contracten, zoals verzekeringen, abonnementen, huur, hypotheek en gas, water en licht.
Incidentele uitgaven
Grotere uitgaven die je niet zo vaak doet en soms onverwacht komen, zoals uitgaven voor een vakantie, wasmachine, auto of telefoon.
Budgetteren
Het op elkaar afstemmen van je inkomsten en uitgaven.
Begroting
Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode.
Reservering per maand
Het bedrag dat maandelijks opzijgezet moet worden voor een toekomstige uitgave: Reservering per maand=aantal maandenbenodigd bedrag
Afschrijving (auto)
Geld reserveren voor de waardevermindering en de uiteindelijke aanschaf van een nieuwe auto.
Autokosten
De kosten voor het bezit en gebruik van een auto: brandstof/elektriciteit, verzekering, wegenbelasting, APK/onderhoud en afschrijving.
Ruilmiddel
De functie van geld waarbij het wordt gebruikt om goederen of diensten te kopen.
Spaarmiddel
De functie van geld waarbij het niet direct wordt uitgegeven maar bewaard (bijvoorbeeld als geld op de bank).
Rekenmiddel
De functie van geld waarbij de waarde of prijs van goederen en diensten wordt aangeduid (bijvoorbeeld: een pak melk kost €1,80).
Chartaal geld
Tastbaar, fysiek geld bestaande uit munten en papiergeld.
Giraal geld
Niet-tastbaar geld op een bankrekening waarmee je elektronisch kunt betalen via pinnen, creditcard, contactloos betalen, online overmaken of cryptomunten.
Creditsaldo
Een positief geldbedrag op je bankrekening dat hoger is dan €0.
Debetsaldo
Een negatief saldo op je bankrekening waarbij het bedrag lager is dan €0; je staat rood en betaalt rente.
Nieuw saldo
De berekening van het saldo op je bankrekening: Nieuw saldo=oud saldo+ontvangsten−betalingen
Winst van de bank
Het verschil tussen de rente op verstrekte leningen en de vergoede rente voor het sparen, waarmee banken de eigen bedrijfskosten en winst dekken.
Europese Centrale Bank (ECB)
De centrale bank voor de eurozone die de basisrente bepaalt waarop banken hun eigen rentes baseren, met als doel inflatie te beheersen en de koopkracht te bewaken.
Spaarmotieven
De drie redenen om geld opzij te zetten: sparen voor een doel, sparen uit voorzorg, en sparen voor de rente.
Spaardeposito
Een spaarrekening waarop je spaargeld voor een langere tijd vastzet tegen een vaste rente.
Rente (sparen)
De vergoeding die je ontvangt over gespaard geld: Rente=100rentepercentage×spaarbedrag×aantal jaren
Inflatie
Een algemene stijging van de prijzen. Als inflatie hoger is dan de spaarrente, daalt de koopkracht van spaargeld; is inflatie lager dan de rente, dan stijgt de koopkracht.
Rendement
De totale opbrengst of winst die je verdient met een belegging.
Aandelen
Een beleggingsvorm waarbij je voor een klein deel mede-eigenaar wordt van een bedrijf en dividend ontvangt wanneer het bedrijf winst uitkeert.
Obligaties
Een beleggingsvorm waarbij je geld uitleent aan een bedrijf of aan de overheid.
Cryptomunten
Digitale munten die gebruikt kunnen worden als belegging en bekendstaan als zeer risicovol.
Leenmotieven
De vier redenen om te lenen: het overbruggen van een tijdelijk geldtekort, een dure aankoop niet willen uitstellen, onverwacht dringend geld nodig hebben, en het kopen van een huis.
Kredietkosten
De kosten van het lenen van geld bovenop het geleende bedrag: Kredietkosten=termijnbedrag×aantal termijnen−krediet
Persoonlijke lening
Een vorm van consumptief krediet met een vaste looptijd, vaste rente en gelijkblijvende termijnbedragen.
Salariskrediet
Een vorm van consumptief krediet waarbij je tot een vooraf afgesproken bedrag rood mag staan op je betaalrekening, waarover een hoge rente wordt gerekend.
Koop op afbetaling
Een krediet afgesloten bij een leverancier waarbij je een aankoop geheel of gedeeltelijk in termijnen afbetaalt.
Private lease
Een overeenkomst bij een leverancier waarbij je privé een consumptiegoed gebruikt zonder dat het jouw eigendom is.
Hypothecaire lening
Een langlopende lening (meestal 30 jaar) voor de aanschaf van een huis, waarbij het huis dient als onderpand voor de bank en de rente deels teruggevraagd kan worden.